Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijstelling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 6 december 2005

Zoeken

Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijstellingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-vrijstelling-rechtbank-brugge-2005-12-06-fd43

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
6 december 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

72 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 06.12.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

in de zaak AR nr. 04/0570/A

van

de NV A. V. G., met zetel te …, …, met ondernemingsnummer …,

eiseres,

vertegenwoordigd door meester J. S., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de e.a. inspecteur a.i. van het BTW-Ontvanger te Oostende, wiens kantoor gevestigd is te 8400 Oostende, Administratief Centrum - Vrijhavenstraat nr. 1, eerste verdieping,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester J. V. D. P., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De rechtbank verwijst naar het tussenvonnis van 28 juni 2005. Daarin werd enerzijds aan eiseres opgelegd om de architectenplannen van de werken als stukken voor te leggen en werd anderzijds een plaatsopneming bevolen.

Op 20 september 2005 kwam de rechtbank ter plaatse. Er werd proces-verbaal opgesteld. Vermits door eiseres toen de architectenplannen werden meegedeeld, werd het proces-verbaal summier opgesteld en werd in wezen nagegaan of er afwijkingen waren op die plannen. Daarnaast werden enkele vermeldingen opgenomen die de concrete toestand van het moment weergaven en/of niet uit de plannen zelf bleken.

De partijen hebben daarna nogmaals een conclusie opgesteld en finaal hun middelen en besluiten nogmaals voorgedragen in de openbare terechtzitting van 8 november 2005. Daarna werd het debat gesloten en nam de rechtbank de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

Behoudens deze meegedeeld in het tussenvonnis van 28 juni 2005 houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. het proces-verbaal van 20 september 2005;

2. de conclusie voor eiseres van 14 oktober 2005 en

3. de conclusie voor verweerder van 31 oktober 2005.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

In dat verband kan verwezen worden naar het tussenvonnis van 28 juni 2005 en naar het proces-verbaal van plaatsopneming van 20 september 2005.

Waar nodig zullen de feiten bij de beoordeling verder aan bod komen.

2. De vorderingen van de partijen

De vorderingen van de partijen, zoals weergegeven in het tussenvonnis van 28 juni 2005, zijn integraal behouden.

III. BESPREKING

1.De grond van de vorderingen

2.1. Uitleg van de feitelijke toestand in functie van de toepasselijke wetsbepalingen

Uit de architectenplannen en de toestand ter plaatste, is gebleken dat het andere gedeelte van het gebouw dan de eigenlijke apotheek, perfect als een eengezinswoning kan gebruikt worden : er is een keuken (met alle gebruikelijk toestellen), een woonkamer (eet- en zitruimte met open haard), een toilet beneden, een garage met ruimte voor berging, twee slaapkamers, een bureau, een badkamer met douche en twee wastafels en achteraan een tuin met vijver. Er is een afzonderlijke voordeur.

De apotheek zelf is ruim en bevat naast de eigenlijke verkoopruimte, een toilet, een bureau, een labo en een opbergruimte en een voorraad.

Op zich zijn de twee ruimtes van elkaar te scheiden, weze het dat de uitvoering in die zin is opgevat dat zowel het bureau (beneden) toegang geeft tot de keuken (via een deur die tussen twee muren schuift) en ook de grote slaapkamer van het woongedeelte rechtstreeks een deur heeft naar de trap waarlangs men naar de apotheek kan (en halverwege het deurgat naar de open voorraadruimte tegenkomt). De verkoopruimte van de apotheek heeft ook een deur die toegang geeft tot het woongedeelte.

Deze conceptie laat zeker toe dat de apotheker met zijn familie in het gebouw kan wonen en daar het hoofdverblijf van zijn gezin kan vestigen.

Delicater is de vraag of het woongedeelte ook zou kunnen betrokken worden door derden, bijvoorbeeld een gezin, die met de apotheek geen enkele uitstaans hebben. Op basis van de concrete conceptie en uitvoering moet worden aangenomen dat het gebouw zich daar momenteel niet toe leent. Er zouden enkele essentiële ingrepen nodig zijn die ofwel de ruimte van de woning zou doen inkrimpen (door de grote slaapkamer in te palmen en wellicht ook het bureau beneden om als eetplaats dienst te doen), ofwel de apotheek doen aanpassen/inkrimpen (door een plaats om te eten en dergelijke te voorzien en tevens om het nachtverblijf tijdens de wachtdiensten mogelijk te maken.

2.2. Gevolgtrekkingen voor de aftrek van de BTW

Artikel 45, § 1, 1° W.BTW is toepasselijk. Volgens dat artikel is de BTW op de geleverde goederen en de gepresteerde diensten aftrekbaar in de mate dat de belastingplichtige die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

Artikel 1, van KB nr. 3 van 10 december 1969 luidt als volgt :

Voor aftrek komt in geen geval in aanmerking de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit.

Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doel­ einden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten. Die verhouding dient voor de belastingplichtige te worden bepaald onder controle van de administratie.

Binnen dit kader stelt zich in eerste orde de vraag naar de 'bestemming' van het gebouw, in het bijzonder het gedeelte dat als gezinswoning kan gebruikt worden. Zoals eiseres stelt, is het daarbij van belang de actuele bestemming in aanmerking te nemen. Bijgevolg gaan we uit van een situatie waarin de bestuurder van eiseres (tevens de apotheker, die momenteel overigens zonder personeel blijkt te werken) niet op het adres van de apotheek en zelfs in een andere gemeente woont. Mocht dit concrete gebruik wijzigen, dan kan er - zoals eiseres terecht laat gelden - eventueel aanleiding zijn tot herziening van het recht op aftrek.

Ten onrechte evenwel meent eiseres te kunnen aanspraak maken op een volledige aftrek van BTW voor het hele gebouw.

Ten eerste kan de argumentatie van eiseres niet gevolgd worden die gebaseerd is op het arrest Seeling van het Hof van Justitie van 8 mei 2003 (nr. 2003/102). Determinerend verschil met de situatie waarin eiseres zich bevindt, is immers dat het ter beschikking stellen van een deel van het gebouw voor privé-gebruik naar Belgisch recht is vrijgesteld (krachtens artikel 44, § 3, 2° jo. art. 19, § 1 W.BTW), terwijl in het betreffende arrest ermee werd rekening gehouden dat dit gebruik voor de heer Seeling belastbaar was (randnr. 19 van het arrest).

Ten tweede, heeft het loutere feit dat eiseres er voor kiest dat de apotheker (nog) niet in de gezinswoning woont, nog niet tot gevolg dat die volledige woning geacht kan worden gebruikt te worden voor beroepsdoeleinden (zodat de leveringen en diensten aan eiseres geacht worden te zijn gebeurd voor het verrichten van belaste handelingen).

Cruciaal is enkel te weten welk gedeelte van de gezinswoning in de huidige toestand dienstig is om de exploitatie van de apotheek mogelijk te maken. De rechtbank aanvaardt in redelijkheid dat enkel de garage, de keukenruimte, de berging (die de verbinding vormt tussen apotheek en keuken), de grote slaapkamer en de aanpalende badkamer met douche een voldoende verband met de beroepswerkzaamheid hebben. Vermits er daarnaast geen permanent verblijf is, zijn die ruimten volledig als beroepsgedeelten in aanmerking te nemen. De kelder (waar op 20 september 2005 slechts enkele bakken drank stonden), het toilet in de gang, het sas, de leefkamer (met eetplaats en zitruimte, voorzien van open haard), de tuin, de tweede slaapkamer, het bureau boven, de WC boven, de overloop en de traphal (de slaapkamer is bereikbaar vanuit de apotheek langs een daarvoor speciaal bedoelde trap) zijn ruimten die niet geacht kunnen worden voor belaste handelingen gebruikt te worden. Het mag dan wel zo zijn dat er in de ruimten die als slaapkamer, respectievelijk bureau (boven) op het architectenplan aangeduid worden, op 20 september 2005 reclameborden en dergelijke gestald waren, toch is dat slechts een keuze die niet dwingend is : niets toont aan dat er zoveel ruimte nodig is om die materialen op te bergen en bovendien zijn er in het gebouw nog plaatsen (in het bijzonder in de garage die we overigens binnen huidig kader volledig als beroepsmatig beschouwen) waar die spullen kunnen ondergebracht worden. Ook de CV-berging is in het huidige gebruik volledig beroepsmatig te beschouwen.

2.3. Verdeelsleutel

Vertrekkend van de oppervlaktecijfers die verweerder heeft gehanteerd (proces-verbaal van 21 oktober 2002) en waar wij de garage en de CV-berging voor het geheel als beroepsmatig aanvaarden, komt de oppervlakte voor de apotheek met open stockruimte (tussenverdieping) en garage nu op (277,00 + 28,59 + 4,65 =) 330,24 vierkante meter.

Op de bovenverdieping vertegenwoordigen de grote slaapkamer en de badkamer een oppervlakte van (33,60 + 15,60 =) 49,20 vierkante meter.

De keuken en de berging (verbinding tussen apotheek en keuken) beslaan samen (33,60 + 7,00 =) 40,60 vierkante meter.

Louter op basis van de oppervlakten, vertegenwoordigen de ruimten die voor belastbare handelingen gebruikt worden (330,24 + 49,20 + 40,60 =) 420,04 vierkante meter. Ten opzichte van de totale oppervlakte van het gebouw, is dat (420,04 / 608,12 =) 69 procent.

Hoewel kan worden aangenomen dat het realiseren van de open stockruimte, waarvan de vloerplaat aan de kant van de apotheek nauwelijks door muren gedragen wordt, een bijkomende voorziening in de zijmuren heeft verondersteld (de plannen verwijzen daar kennelijk naar), is niet aangetoond dat dit tot een hogere kostprijs heeft geleid. Immers werd tegelijk vermeden dat er dragende muren moesten worden geplaatst.

2.4. Conclusie

De aftrek van de BTW met betrekking tot de bouwwerken van eiseres zijn voor 69 procent aftrekbaar; de aftrek is dus voor 31 procent te verwerpen. Waar eiseres de BTW voor 100 procent had afgetrokken, heeft verweerder die aftrek voor 45,50 procent aanvaard en dus voor 54,50 procent verworpen.

De vordering van eiseres is dan ook in die zin gegrond dat het dwangbevel van 7 januari 2003 ongegrond is voor dat gedeelte van de gevorderde bedragen dat gebaseerd is op een verwerping van het recht op aftrek van BTW die hoger is dan 31 procent.

3. De gerechtskosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van elk van de partijen moeten zij elk de helft van de gerechtskosten dragen. De rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd.

Beschikkend gedeelte

IV.UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering gedeeltelijk gegrond.

De rechtbank zegt voor recht dat het dwangbevel dat op 7 januari 2003 ten nadele van eiseres werd uitgevaardigd onder RCIV-nummer …, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 9 januari 2003, ongegrond is en zonder gevolg moet blijven voor het gedeelte dat gebaseerd is op de verwerping van het recht op aftrek van de BTW voor meer dan eenendertig (31) procent.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle sommen die op grond van het ongegrond bevonden gedeelte van het bestreden dwangbevel zouden geïnd of ingehouden zijn, vermeerderd met de wettelijke interest.

De rechtbank compenseert de rechtsplegingsvergoedingen en verwijst elk van de partijen in de helft van de overige gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van eiseres :

- kosten plaatsopneming: 59 euro

aan de zijde van verweerder : nihil

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op zes december tweeduizend en vijf.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 3 art. 11 voorkomen