Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, tarief van de belasting, vervolging · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 10 mei 2011

Zoeken

Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, tarief van de belasting, vervolgingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-tarief-hof-van-beroep-antwerpen-2011-05-10-1eee

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
10 mei 2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

98 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 10.05.2011

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

Zitting van : 10/5/2011

EINDARREST - Fiscaal

In zake : 2010/AR/121

B. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven met KSO-nummer …,

appellante,

tegen het vonnis gewezen op 26 oktober 2009 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen,

vertegenwoordigd door Mr. B. I., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, Ontvangkantoor Turnhout, te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. V. L. D. J. A., advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 26 oktober 2009, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 14 januari 2010, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. De BVBA B., appellante, is ingevolge haar activiteit van exploitatie van een attractiepark onderworpen aan de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten en zij werd als dusdanig als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE ….

Op 5 oktober 2004 wordt, na voorafgaande verwittiging, door een daartoe bevoegd ambtenaar een controle uitgevoerd met betrekking tot de juiste toepassing van de BTW-wetgeving over de periode van 1 april 2001 tot en met 31 maart 2003 en met betrekking tot een bedrag van € 283 947,72 dat door appellante in vak 62 van haar BTW-aangifte voor februari 2004 wordt teruggevorderd.

Tijdens die controle wordt vastgesteld dat appellante het bedrag van € 283.947,72 ten onrechte terugvordert omdat zij er, volgens de administratie, ten onrechte van uitgaat dat op de terbeschikkingstelling van parkeergelegenheid het BTW-tarief van 6 % van toepassing zou zijn.

Deze overtreding wordt opgenomen in een correctieopgave die op 2 december 2004 aan appellante wordt toegezonden. Bij brief van 27 januari 2005 deelt de raadsman van appellante het gemotiveerde niet-akkoord van appellante mee.

Bij brief van 27 juni 2005 deelt het controlecentrum Turnhout mee dat de BTW-administratie bij haar standpunt, ingenomen in correctieopgave, blijft, namelijk dat het bedrag van € 283.947,72 in vak 62 van de BTW-aangifte voor februari 2004 ten onrechte werd teruggevorderd door appellante.

Naar aanleiding van de vaststelling dat op de terbeschikkingstelling van parkeergelegenheid door appellante het BTW-tarief van 6 % wordt toegepast, wordt op 12 april 2006 de controle uitgebreid tot de periode van 1 december 2003 tot en met 31 maart 2006. De verschuldigde BTW met betrekking tot de overtreding - volgens de administratie is 21 % verschuldigd - wordt gevorderd in een correctieopgave van 12 april 2006, namelijk een bedrag van € 132.630,52 meer intresten.

Bij brief van 5 mei 2006 deelt de raadsman van appellante op gemotiveerde wijze het niet - akkoord van appellante mee. In het antwoord van 16 mei 2006 verwijst het controlecentrum Turnhout naar het standpunt van de administratie zoals uiteengezet in de beslissing van 27 juni 2005.

Op 29 mei 2006 wordt een proces-verbaal opgesteld waarin de (vermeende) overtredingen, vermeld in de correctieopgaven van 2 december 2004 en 12 april 2006, worden opgenomen.

Op basis van dit proces-verbaal wordt op 14 juli 2006 door M. J., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Turnhout, een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 20 juli 2006 door G. V. L., waarnemend gewestelijk directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt, wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard en dat bij aangetekende brief van 25 juli 2006 aan appellante ter kennis wordt gebracht.

Volgens dit dwangbevel is appellante volgende bedragen verschuldigd :

- als belasting over de toegevoegde waarde € 416.578,24

- als verminderde geldboete € 41.650,00

- als wettelijke intresten € 13.330,24 meer op grond van artikel 91, § 4 W.BTW de moratoire intresten van 7 % per jaar over de geldboete.

Omdat in het proces-verbaal van 29 mei 2006 en in het dwangbevel van 14 juli 2006 de vennootschapsvorm van appellante verkeerdelijk werd vermeld als NV in plaats van als BVBA, worden dezelfde overtredingen opgenomen in een nieuw en vervangend proces-verbaal van 29 augustus 2006 met vermelding van de juiste juridische vorm van appellante.

Vervolgens wordt op 25 oktober 2006 door M. J., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Turnhout een nieuw dwangbevel uitgevaardigd, dat op 27 oktober 2006 wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door E. V. D. P., waarnemend directeur daartoe gemachtigd door de gewestelijk directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt en dat bij aangetekende brief van 7 november 2006 aan appellante ter kennis wordt gebracht.

In dit dwangbevel wordt betaling gevorderd van :

- als belasting over de toegevoegde waarde € 416 578,24

- als verminderde geldboete € 41 650,00

- als wettelijke intresten € 23 327,92

Meer op grond van artikel 91, § 4 W.BTW de moratoire intresten van 7 % per jaar op de geldboete.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 23 november 2006 tekent appellante verzet aan tegen dit dwangbevel en vordert zij te zeggen voor recht dat de terbeschikkingstelling door haar aan haar bezoekers van parkeerplaats zodanig samenhangt met en deel vormt van de toekenning aan haar bezoekers van het recht op toegang tot en gebruik van haar inrichting voor cultuur, sport of vermaak, dat de terbeschikkingstelling van parkeerplaats evenals het verlenen van het recht op toegang tot en gebruik van haar inrichting voor cultuur, sport of vermaak de BTW opeisbaar maakt tegen het tarief van 6 % overeenkomstig tabel A, rubriek XXVIII van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nummer 20; het proces­verbaal opgesteld op 29 augustus 2006 van onwaarde te verklaren; het dwangbevel uitgevaardigd op 25 oktober 2006, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27 oktober 2006 en ter kennis gebracht aan appellante met aangetekende brief van 7 november 2006, te vernietigen en van onwaarde te verklaren; te zeggen voor recht dat appellant de van haar middels voormeld proces-verbaal en dwangbevel gevorderde bedragen niet verschuldigd is en de Belgische Staat te veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan appellante terug te betalen, meer de moratoriumintresten; de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 1022 Ger.W.

1.3. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 26 oktober 2009 verklaart de vordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelt appellante tot de kosten, in hoofde van geïntimeerde vereffend op € 1.200,00 rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter stelt vast dat appellante tot het pretpark ook toegang verleent aan mensen die niet met de auto komen en die bijgevolg geen gebruik maken van de geboden parkeergelegenheid, met andere woorden dat de bezoeker die met de auto komt en tegelijk verkiest zijn wagen op het parkeerterrein te stallen voor de stalling betaalt en anderen dan uiteraard niet. Toegang tot het pretpark is alzo ten dezen niet te bepalen, nu zulks ook zonder parkeren kan. De parkeerprijs is forfaitair (vast bedrag) per auto en wordt niet beïnvloed door het aantal inzittenden ervan die al of niet toegang verlangen tot het pretpart De slagboom bij wegrijden lijkt bij dit alles louter bedoeld om vrij (onbetaald) parkeren te beletten. Hieruit dient, volgens de eerste rechter, besloten te worden dat appellante de parkeervergoeding kunstmatig wil onderbrengen in de toegangsprijs tot het pretpark, als vormende één onlosmakelijk geheel. Een prejudiciële vraag is niet nodig ter oplossing van het geschil. De vordering tot nietigverklaring van het dwangbevel dan wel tot onwettig verklaring van de erin geformuleerde fiscale vordering is niet waardeerbaar en er ligt geen reden voor tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

1.4. Tegen dit vonnis heeft appellante hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 januari 2010.

In dit verzoekschrift en in conclusie vordert appellante het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen en te hervormen; de oorspronkelijke vordering van appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens alvorens recht te spreken aan het Europese Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen; vervolgens te zeggen voor recht dat de terbeschikkingstelling door appellante aan haar bezoekers van de parkeerplaats zodanig samenhangt met en deel vomt van de toekenning door appellante aan haar bezoekers van het recht op toegang en gebruik van haar inrichting voor cultuur, sport of vermaak, dat de terbeschikkingstelling van parkeerplaats evenals het verlenen van het recht op toegang tot en gebruik van haar inrichting voor cultuur, sport of vermaak de BTW opeisbaar maakt tegen het tarief van 6 % overeenkomstig tabel A, rubriek XXVIII van de Bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20; het proces­verbaal opgesteld op 29 augustus 2006 door de heer L. S., eerstaanwezend inspecteur - diensthoofd bij de AOIF Controlecentrum Turnhout, van onwaarde te verklaren; het dwangbevel met referte Reg. 127/17600 uitgevaardigd op 25 oktober 2006 door mevrouw M. J., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Turnhout, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27 oktober 2006 door de heer E. V. D. P., waarnemend directeur daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt, en ter kennis gebracht van appellante met aangetekende brief van 7 november 2006, te vernietigen en van onwaarde te verklaren; te zeggen voor recht dat appellante de van haar middels voormeld proces-verbaal en dwangbevel gevorderde bedragen niet verschuldigd is en geïntimeerde te veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan appellante terug te betalen, meer de moratoriumintresten; geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 Ger. W.

Appellante voert volgende argumenten aan :

- de terbeschikkingstelling van parkeergelegenheid aan bezoekers van het familiepark maakt deel uit van de dienst die bestaat uit het 'toekennen van het recht op toegang' tot het park; het betreft één enkele geïntegreerde dienst;

- minstens geldt het principe 'de bijzaak volgt de hoofdzaak' : de terbeschikkingstelling van parkeermogelijkheid aan de bezoekers van het familiepark vormt zonder enige twijfel minstens een bijkomende dienst van de uitbating van het familiepark en van het toegang verlenen tot het park;

- de wijze van aanrekenen van een prijs is zonder invloed;

- er is minstens sprake van een complexe dienst : het verlenen van toegang tot en het verlenen van het recht om gebruik te maken van het familiepark enerzijds en het verlenen van parkeermogelijkheid anderzijds zijn zo nauw met elkaar verbonden dat zij, vanuit het standpunt van de gemiddelde consument, afzonderlijk genomen, niet het vereiste praktische nut hebben; deze prestaties vomen voor de toepassing van de BTW één enkele complexe situatie.

1.5. Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van appellante tot de kosten van het geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen.

Geïntimeerde houdt voor dat het verlenen van toegang tot het attractiepark en het geven van parkeergelegenheid niet als één enkele dienst aangemerkt kan worden en dat er geen sprake is van het feit dat de "bijzaak hier de hoofdzaak volgt". Er bestaat geen noodzakelijkheid om eerst te parkeren om een inkom te verkrijgen tot het pretpark. Er is geen onlosmakelijk geheel tussen de parkeerdienst en de inkom tot het pretpark. De bestuurder van een voertuig die gebruik wenst te maken van de parkeerplaats moet betalen, wie geen gebruik maakt van deze dienst betaalt deze niet; deze betaling is niet alleen geen supplement aan de te betalen prijs voor de inkom zij vormt ook geen betaling van een 'complexe' dienst; zij is de prijs voor een afzonderlijk geleverde dienstprestatie verricht door appellante.

2. Beoordeling

2.1. De betwisting betreft de vraag of het verlenen van het recht door appellante aan haar bezoekers om hun voertuigen te parkeren op de site van het familiepark samenhangt met en deel vormt van het verlenen door appellante aan haar bezoekers van het recht op toegang tot en gebruik van het familiepark en dan de BTW tegen hetzelfde tarief van 6 % opeisbaar maakt, dan wel of dit aanbieden van parkeermogelijkheid als een afzonderlijke activiteit van appellante moet aangemerkt worden los van het verlenen van het recht van toegang tot en het gebruik van het familiepark en aldus de BTW afzonderlijk tegen het tarief van 21 % opeisbaar maakt.

Appellante stelt vooreerst dat het verlenen van toegang tot het attractiepark en het aanbieden van parkeergelegenheid één enkele dienstverrichting uitmaken, waarop het verlaagd tarief van 6 % van toepassing is. Indien dit niet het geval zou zijn, stelt appellante dat het bieden van parkeergelegenheid aan de bezoekers als bijkomstige dienst bij het toekennen van het recht op toegang tot het attractiepark zoals deze laatste dient onderworpen te worden aan het verlaagd BTW-tarief van 6 % in plaats van aan het normale tarief van 21 %.

2.2. Artikel 18, § 1 W.BTW bepaalt dat als een dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit Wetboek.

Als een dienst wordt onder meer beschouwd :

8° de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen

12° de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken.

Het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, getroffen in uitvoering van artikel 37 W.BTW, bepaalt in artikel 1, zoals van toepassing voor de gecontroleerde periode :

"De belasting over de toegevoegde waarde wordt geheven :

1° tegen het tarief van 6 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit;

2° tegen het tarief van 12 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel B van de bijlage bij dit besluit;

3° tegen het tarief van 21 % voor alle andere goederen en diensten bedoeld in het Wetboek.

Het tarief van 6 % is echter niet van toepassing op diensten omschreven in tabel A van de bijlage, wanneer die diensten bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst welke hoofdzakelijk diensten tot voorwerp heeft die niet zijn bedoeld in dezelfde tabel."

Volgens tabel A, rubriek XXVIII van de bijlage bij voormeld Koninklijk Besluit nr. 20 is aan het BTW-tarief van 6 % onderworpen :

"de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken ... "

De terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen wordt noch aangewezen in tabel A noch in tabel B van voornoemd KB nr. 20, zodat deze dienst in principe onderworpen is aan het BTW-tarief van 21 %.

2.3. In de periode voorafgaand aan huidige betwisting heeft appellante steeds het normale BTW-tarief toegepast op de terbeschikkingstelling van stalling voor voertuigen, waaruit kan afgeleid worden dat zij er zelf van uitging dat het een afzonderlijke dienstverrichting betrof. Bovendien blijkt dat appellante de ontvangsten van de parking in haar boekhouding op afzonderlijke grootboekrekeningen heeft geboekt.

Om haar stelling dat de bijzaak de hoofdzaak volgt te onderbouwen, verwijst appellante naar de BTW-commentaar nr. 2/217 e.v., waarin inderdaad een aantal voorbeelden van "bijzaak volgt hoofdzaak" worden gegeven, doch waarin geen sprake is van een BTW-tarief van 6 % voor de stalling van voertuigen.

Verder verwijzen beide partijen naar het arrest van 25 februari 1999 van het Europees Hof van Justitie in de zaak C-349/96 - Card Protection Plan.

De relevante overwegingen 29 en 30 luiden als volgt :

"29. Dienaangaande is het, gelet op de tweeledige omstandigheid dat ingevolge artikel 2, lid 1, van de Zesde Richtlijn elke dienstverrichting normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd, en dat de dienstverrichting waarbij economisch gesproken één dienst wordt verleend, niet kunstmatig uit elkaar moet worden gehaald teneinde de functionaliteit van het BTW-stelsel niet aan te tasten, van belang vast te stellen, wat de kenmerkende elementen van de betrokken handeling zijn teneinde te bepalen of de belastingplichtige de consument, beschouwd als een modale consument, meerdere, van elkaar te onderscheiden hoofddiensten dan·wel één enkele dienst verleent.

30. Beklemtoond zij, dat er met name sprake is van één dienst ingeval een of meerderen elementen moeten worden geacht de hoofddienst te vormen, terwijl een of meer andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende diensten, die het fiscale lot van de hoofddienst delen. Een dienst moet worden beschouwd als bijkomend bij een hoofddienst wanneer hij voor de klanten geen doel op zich is, doch een middel om de hoofddienst van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken (arrest van 22 oktober 1998, Madgett en Baldwin, C-308/96 en C-94/97, Jurispr. Blz. l-6229, punt 24).

Het dictum van dit arrest luidt dat : "het aan de nationale rechter staat om aan de hand van bovenstaande uitleggingselementen te bepalen, of handelingen (...) vanuit BTW-oogpunt moeten worden geacht twee zelfstandige dienstverrichtingen te omvatten (...) dan wel of een van deze twee diensten de hoofddienst is waarbij de andere bijkomend is, zodat deze laatste het fiscale lot van de hoofddienst deelt."

De aanrekening van een afzonderlijke prijs voor het parkeren is weliswaar geen beslissend criterium (aanhef overweging 31 van voormeld arrest), maar is toch een belangrijke indicatie dat het om een afzonderlijke dienst gaat, temeer daar het parkeergeld dient betaald te worden per voertuig, ongeacht het aantal inzittenden, terwijl elke inzittende hetzelfde inkomgeld dient te betalen als de bezoeker die per autocar, per fiets, te voet of met het openbaar vervoer komt.

Het hof sluit zich aan bij het standpunt van de eerste rechter dat er geen sprake is van een dienstverrichting waarbij economisch gesproken één dienst wordt verleend.

2.4. Appellante voert aan de hand van een aantal feitelijke elementen aan dat het ter beschikking stellen van de parking een bijkomende dienst is van de hoofddienst, het verlenen van het recht om gebruik te maken van het pretpark.

Uit de voorliggende stukken en gegevens blijkt dat de werkelijke toestand de exploitatie is van een parkeergelegenheid waarvoor een aparte prijs wordt betaald (door één persoon per voertuig) EN het verlenen van recht op toegang tot het pretpark waarvoor een afzonderlijke prijs wordt betaald door iedere betreder van het park, aan de ingang van het pretpark. Deze twee dienstprestaties worden door appellante apart verwerkt in haar boekhouding door gebruik te maken van twee afzonderlijke grootboekrekeningen, wat erop wijst dat appellante zelf een detailinzicht wil hebben in de inkomsten die zij uit beide diensten genereert.

Zoals geïntimeerde terecht aanvoert, is het niet bewezen dat al degenen die in een voertuig zitten en die gebruik maken van de parking, ook effectief het pretpark betreden. Vast staat alleen dat per voertuig een forfaitair bedrag wordt betaald van € 5,00 (volgens vaststellingen op 26 mei 2010 thans € 6,00) ongeacht het aantal inzittenden in het voertuig, waarvoor een jeton wordt aangeschaft die dient om bij het verlaten van de parking de slagboom te openen.

Uit de stukken blijkt ook dat de parking duidelijk afgescheiden is van het pretpark.

De afzonderlijke aanrekening van parkeergelden vormt een doel op zich. Het gaat om een dienstprestatie die wordt verleend aan de eigenaar of de bestuurder, per voertuig; de dienstprestatie wordt niet verleend aan de mede-inzittenden van het voertuig, die er niet voor betalen. De voertuigen die gebruik maken van de parking zijn ook niet gelinkt aan het inkomticket. Voor de inkom, een aparte dienst, moet iedere bezoeker afzonderlijk betalen.

Het feit dat de parkeermunten waarmee men de parking kan verlaten, dienen aangekocht te worden aan de kassa's van het pretpark, doet hieraan geen afbreuk.

Het feit dat de uitbating van de parking niet is ondergebracht in een afzonderlijke vennootschap is niet ter zake. De BTW-wetgeving vereist immers geen aparte entiteit en/of rechtspersoon per uitbating. De economische activiteit van een belastingplichtige kan bestaan uit meerdere leveringen en/of diensten. De diverse diensten zijn in de boekhouding van appellante trouwens ondergebracht in verschillende grootboekrekeningen.

Het feit dat de kosten gemaakt voor onderhoud, herstel, bestrating en beveiliging niet afzonderlijk worden geboekt, is niet relevant als bewijs dat de bijzaak de hoofdzaak volgt evenmin als het feit dat die kosten in vergelijking met het hele pretpark zeer beperkt zijn. Hetzelfde geldt voor het feit dat de parkeerwachters ook werkzaam zijn bij het onthaal en bij de attracties.

2.5. Uit het geheel van de voorliggende feiten en gegevens blijkt dat het verlenen van toegang tot het pretpark en het geven van parkeergelegenheid niet als één enkele dienst kan aangemerkt worden en dat er evenmin sprake is van “de bijzaak volgt de hoofdzaak". Er is geen onlosmakelijk geheel tussen de parkeergelegenheid en de inkom tot het pretpark.

Er is evenmin een noodzaak tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie.

Het bestreden vonnis is op juiste en oordeelkundige gronden gesteund en dient bevestigd te worden.

Het hoger beroep is ongegrond en appellante dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde begroot op € 1.320,00 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van TIEN MEI TWEEDUIZENDENELF,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

S. B. en M. G., Raadsheren;

A. V. L., Griffier.

A. V. L. M. G. S. B. D. W.

Aangehaalde teksten

3

Vergelijkbare beslissingen

8