Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 01.09.2000
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 24ste kamer
AR nr. 98/5446/A
Toepasselijk BTW-tarief – mogelijkheid tot schuldvergelijking zonder het opmaken van facturen
Eindvonnis op tegenspraak
lnzake van :
De V. R.- EN T., afgekort VRT, naamloze vennootschap van publiek recht, met burelen te …, …;
Eiseres op hoofdeis,
Verweerster op tegeneis,
Vertegenwoordigd door Mter. P. T., advocaat te …, …;
tegen :
De NV V., met maatschappelijke zetel te …, …;
Verweerster op hoofdeis,
Eiseres op tegeneis,
Eiseres in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring van vonnis;
Vertegenwoordigd door Mter. D. O. loco Mter. L. D., advocaat te …, …
en tegen :
De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van·de Belasting op de Toegevoegde Waarde, wiens kabinet is gevestigd te Brussel, Wetstraat 12, doch voor hem op de Boekhoudingdienst van het Algemeen Secretariaat, met burelen te 1000 Brussel, Bisschofsheimlaan 38;
verweerder in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring van vonnis;
vertegenwoordigd door Mter. F. S., advocaat te …, …;
In deze zaak, in beraad genomen op 15 juni 2000 spreekt de Rechtbank volgend vonnis uit :
Gelet op :
- de gedinginleidende dagvaarding, betekend op 27 april 1998 bij exploot van Mter. A. B., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van Mter. B. B., gerechtsdeurwaarder met standplaats te …;
- de besluiten voor verweerster, neergelegd ter griffie op 10 augustus 1998;
- de besluiten voor eiseres, neergelegd ter griffie op 26 oktober 1998;
- de dagvaarding in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring van het vonnis, betekend op 23 december 1998 bij exploot van Mter. P. D. S., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van Mter. W. C., gerechtsdeurwaarder met standplaats te …,
Gehoord, de raadslieden van partijen in hun pleidooien ter zitting van 15 juni 2000;
1. Procedure
De vordering zoals door eiseres in besluiten bepaald strekt ertoe :
Betreffende de hoofdvordering
De vordering van eiseres ontvankelijk te verklaren;
Zich bevoegd te verklaren om kennis te nemen van de vordering;
De vordering gegrond te verklaren en dienvolgens;
Verweerster te veroordelen tot betaling aan eiseres van de bedragen van 1.565.736 Bef, 2.343.595 Bef. en 1.205.366 Bef., hetzij een totaal van 5.114.679 Bef.;
Verweerster daarenboven te veroordelen tot de conventionele intresten aan 1 % per maand op de bedragen van 1.203.795 Bef. en 1.802.680 Bef. en 906.290 Bef. vanaf 1 mei 1998 tot de datum van de effectieve betaling, evenals de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding op de bedragen van 1.000 Bef., 1.000 Bef. en 135.944 Bef.;
Verweerster in ieder geval te veroordelen tot de gerechtelijke intresten en tot de kosten, inbegrepen de rechtplegingsvergoeding;
Er akte van te verlenen aan eiseres dat zij ermee akkoord gaat dat verweerster op de aldus uitgesproken veroordeling volgende bedragen in vermindering zou brengen, op voorwaarde dat daarvoor voorafgaandelijk regelmatige facturen aan eiseres worden afgeleverd binnen de 48 uur van de betekening van het tussen te komen vonnis : 999.000 Bef. + 6 % BTW = 1.058.940 Bef., 1.496.000 Bef. + 6 % BTW = 1.585.760 Bef. en 749 000 Bef. + 6 % BTW = 793.940 Bef.;
Er akte van te verlenen aan eiseres voor het gedeelte van de vordering m.b.t. de veroordeling van verweerster tot betaling van respectievelijk 57.808 Bef. en 134.899 Bef. Net langer aandringt;
Betreffende de tegenvordering
De tegenvordering slechts gegrond te verklaren ten belope van het bedrag van 48.400 Bef.;
Eiseres op tegenvordering van het meergevorderde afwijzen;
De compensatie uit te spreken tussen de veroordeling m.b.t. de hoofdeis en deze m.b.t. de tegeneis en dit ten belope van de som van 48.400 Bef.;
Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en ondanks elk aanbod tot kantonnement;
Verweerster vraagt de vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en stelt een tegeneis in teneinde eiseres te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 48.400 BEF;
Verweerster vraagt eveneens eiseres te veroordelen tot betaling van een bedrag van 250.000 BEF wegens tergend en roekeloos geding;
Verweerster vraagt dat onderhavig vonnis zou worden gemeen verklaard aan de Belgische Staat;
2. Feiten
In de jaren 1995, 1996 en 1997 werd het A. J. F. georganiseerd door verweerster en gesponsord door eiseres;
Tussen partijen werden overeenkomsten afgesloten waarbij eiseres in ruil voor een reeks aankondigingsspots met naam - of logovermelding van de sponsors het exclusieve recht verkreeg voor Vlaanderen om een beeldverslag te maken en uit te zenden.
De waarde van de uitzendrechten worden jaarlijks bepaald;
In het artikel 5 & 6 van de overeenkomsten wordt de wijze van facturatie bepaald;
In dezelfde artikelen van de overeenkomsten werd eveneens het BTW-tarief bepaald, hetzij 20,5 % m.b.t. de door eiseres gefactureerd prestaties en 6 % voor de door verweerster aan te rekenen prestaties;
Tenslotte wordt in dezelfde artikelen overeengekomen dat de genoemde facturen tussen BRTN en de organisator tussen partijen kunnen worden voldaan bij wege van schuldvergelijking;
Verweerster past evenwel een tarief van 21 % toe op haar facturen;
Eiseres heeft geweigerd deze facturen te vereffenen (via schuldvergelijking) en dagvaardt thans verweerster in betaling van de openstaande facturen;
Verweerster vraagt de vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren gelet op de schuldvergelijking;
3. Bespreking
A. WELK IS HET TOEPASSELIJK BTW-TARIEF ?
Er bestaat enkel betwisting over het BTW-tarief dat diende toegepast te worden;
In de overeenkomsten werd bepaald dat een tarief van 6 % zou worden gehanteerd;
Verweerster paste eenzijdig een tarief toe van 21 % stellende dat het hier handelt om een facturatie van sponsoring;
Eiseres vraagt toepassing van een tarief van 6 % (facturatie van rechtstreekse rechten);
De Belgische Staat die in tussenkomst en gemeenverklaring werd geroepen gedraagt zich terzake naar de wijsheid van de rechtbank;
De uitzendrechten zijn evenwel een onbetwistbaar attribuut van de "Auteursrechten", meer bepaald het recht op mededeling aan het publiek;
Dat conform artikel 1 van de nieuwe auteurswet d.d. 30 juni 1994 : "Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht heeft om het op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren ....
Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht om het werk volgens eender welk procédé aan het publiek mede te delen;"
Dat het in casu handelt om een recht op mededeling aan het publiek conform artikel 1, § 1 van de Auteurswet zodat dergelijke uitzendrechten onderworpen zijn aan een tarief van 6 %;
Art. 1 van het KB nr. 20 d.d. 20 juli 1970 betreffende BTW bepaalt dat de BTW tegen een tarief van 6 % wordt geheven voor goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage van dit besluit;
Dat onder rubriek XXIX van die bijlage expliciet wordt vermeld dat auteursrechten (de overdracht van auteursrechten en het verlenen van rechten op auteursrechten) deel uitmaken van die tabel A (en dus onderworpen zijn aan een tarief van 6 %).
Dat het feit of verweerster al dan niet titularis is van die auteursrechten dan ook niet ter zake dienend is;
Immers, teneinde de rechtsgeldige overdracht van de auteursrechten te realiseren, had verweerster met de diverse auteurs de vereiste overeenkomsten afgesloten, ingevolge dewelke zij titularis werd van de door haar verleende auteursrechten;
Daartoe heeft verweerster zich trouwens bij de respectieve overeenkomsten uitdrukkelijk verbonden :
"de organisator garandeert met de uitvoerders van het evenement de nodige overeenkomsten te hebben gesloten die de BRTN in staat stellen zonder bijkomende kosten opnamen te maken en deze ... uit te zenden.
"... De organisator verklaart met de artiesten de nodige overeenkomsten gesloten te hebben om de BRTN in staat te stellen vrij, en zonder bijkomende vergoeding, het beeldverslag te maken en uit te zenden”
(artikel 3 in fine).
De houder van auteursrechten of van naburige rechten heeft een exclusief distributierecht t.a.v. zijn werk dat tevens het invoerrecht omvat.
Cfr. Voorz. Rb. Brussel 12 december 1995, I.R. D.I. 1996, 89
Dat de BTW-reglementering hier wel degelijk van toepassing is en dat verweerster niet aantoont dat er een tarief van 21 % zou moeten worden toegepast;
Dat ook de Belgische Staat geen enkel argument naar voor schuift om aan te tonen dat het tarief van 6 % niet toepasselijk zou zijn;
Wanneer een persoon aan een zelfstandige graficus opdracht geeft een ontwerp te maken van een tekening of van een karikatuur voor een publicatie of een zelfklever, van een briefhoofd, van een decoratief motief enz. is deze handeling verricht door de graficus in de regel een intellectueel werk waarvan de ontwerpschets of maquette slechts de drager is. Het uitvoeren van deze handeling wordt beoogd door art. 18, par. 1, 1 W.BTW en is in principe belastbaar tegen het normale tarief dat thans 19 % bedraagt. Wanneer de auteursrechten op dit werk, wanneer dit een originele creatie betreft, worden overgedragen onder bezwarende titel valt deze handeling binnen de toepassingssfeer van art. 18, par. 1, 7 W.BTW en geniet derhalve van het tarief van 6 %.
Cfr. Parl. Vr. 6 januari 1987, Parl. Vr. en Antw., Senaat, 1986-87, 779. Dat verweerster derhalve, zoals overeengekomen was tussen partijen voor de toepasselijke BTW een tarief van 6 % had moeten toepassen;
B. IN VERBAND MET DE SCHULDVERGELIJKlNG
Eiseres stelt dat er van schuldvergelijking geen sprake kan zijn in de mate dat verweerster nalaat correcte facturen op te stellen, met de toepasselijke 6 % inzake BTW;
Verweerster van haar kant meent dat er op zijn minst schuldvergelijking kan worden toegepast ten belope van het hoofdbedrag;
Conform artikel 1291 B.W. heeft de schuldvergelijking alleen dan plaats tussen twee schulden die beide tot voorwerp hebben een geldsom als zij beide vaststaande en opeisbaar zijn;
De schuldvergelijking veronderstelt dat er tussen dezelfde personen, die in dezelfde hoedanigheid handelen, wederzijdse schulden bestaan. Bovendien moeten de schulden vaststaand, vervangbaar en opeisbaar zijn.
Cfr. Brussel 14 november 1996, J.T. 1997, 182.
Om tot schuldvergelijking aanleiding te geven, moeten de respectieve schulden vergelijkbaar, vaststaand en opeisbaar zijn.
Cfr. Bergen 21 juni 1988, Pas. 1989, II, 239.
Dat er in casu betwisting bestond betreffende het te hanteren BTW-tarief, zodat de schuldvorderingen van verweerster in haar geheel niet vaststaand waren daar de facturen zoals opgesteld door verweerster foutief waren;
Dat het aan verweerster toekomt om correcte facturen op te maken met het correct toepasselijk BTW-tarief (van 6 %);
C. AFREKENING TUSSEN PARTIJEN
Overwegende dat tot dusver verweerster geen facturen heeft afgegeven met het toepasselijke BTW-tarief van 6 %, en dat er geen schuldvergelijking kon worden toegepast;
Dat de vordering van eiseres, wat de hoofdbedragen betreft gegrond is;
Dat eiseres de conventionele interesten heeft herleid tot 1 % per maand zodat ook die interesten kunnen worden toegekend;
Dat eiseres tenslotte vraagt akte te verlenen dat zij akkoord gaat dat verweerster op de aldus uitgesproken veroordeling, bedragen in mindering zou brengen, en dat er aanleiding t:estaat op dit aanbod in te gaan;
D. DE DEELSE GEGRONDHEID VAN DE TEGENVORDERING
0verwegende dat eiseres niet betwist nog een bedrag verschuldigd te zijn van 48.400 BEF;
Dat evenwel, gelet op de gegrondheid van de hoofdvordering, de tegenvordering wegens tergend en roekeloos geding bezwaarlijk gegrond kan worden verklaard;
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend op tegenspraak;
Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond;
Veroordeelt verweerster tot betaling aan eiseres van 5.114.967 BEF te vermeerderen met de conventionele interesten aan 1 % per maand op de bedragen 1.203.795 BEF, 1.802.680 BEF en 906.290 BEF vanaf 1 mei 1998 tot datum van de effectieve betaling evenals de gerechtelijke interesten op 137.944 BEF;
Geeft akte aan eiseres dat zij ermee akkoord gaat dat verweerster op de aldus uitgesproken veroordeling volgende bedragen in mindering zou brengen op voorwaarde dat daarvoor voorafgaande regelmatige facturen aan eiseres worden afgegeven binnen de 48 uren van de betekening van het tussen te komen vonnis :
999.000 BEF+ 6 % BTW = 1.058.940 BEF
1.496.000 BEF + 6 % BTW = 1.585.760 BEF
749.000 BEF+ 6% BTW = 793.940 BEF
Verklaart de tegenvordering ontvankelijk en gegrond in de volgende mate;
Veroordeelt eiseres tot betaling van 48.400 BEF;
Wijst verweerster af van het meergevorderde;
Verklaart onderhavig vonnis gemeen ten aanzien van de Belgische Staat;
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling;
Veroordeelt verweerster tot de kosten, begroot op 9.587 Bef. + 12.900 Bef. in hoofde van eiseres, op 6.634 Bef. + 12.900 Bef. voor haarzelf en op 12.900 Bef. voor de Belgische Staat;
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 24ste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, op 1 september 2000.
waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer A. V., alleenzetelend rechter,
Mevrouw I. D., griffier,
D. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.