Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 17.02.2010
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 06/3579/A
de GEMEENTE KORTEMARK, (KBO-nr. …), vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met burelen gevestigd te …, …,
eiseres
voor wie optreedt Meester F. V., advocaat met kantoor te …, …,
TEGEN
De F.O.D. FINANCIËN, Belastingen en Invordering, Sector BTW, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te ROESELARE, met kantoren gevestigd te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,
verweerder
voor wie is opgetreden Meester L. N. (balie Brugge) loco Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het fiscaal verzoekschrift de dato van 30 november 2006.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 20 januari 2010.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK
Eiseres gekend onder het BTW-nr. BE … werd als BTW-plichtige geïmmatriculeerd onder het stelsel van kwartaalaangifte vanaf 1 december 2005, voor haar activiteit van de inzameling en het transport van afvalwater. Eiseres diende een BTW-aangifte in m.b.t. het vierde kwartaal 2005 waarin een BTW-tegoed gevorderd werd van … EUR, zijnde het verschil tussen de afgetrokken BTW van … EUR en de verschuldigde BTW.
Op 8 juni 2006 werd een beperkt toezicht uitgeoefend door L. V. diensthoofd van het BTW-controlekantoor Torhout II m.b.t. de rechtmatigheid van het BTW-tegoed van eiseres en er werd vastgesteld dat dit BTW-tegoed betrekking had op de aangerekende BTW op facturen en rioleringswerken in de jaren vóór 22 december 2005 zijnde de datum van het afsluiten van een contract tussen eiseres en de Vlaamse Maatschappij voor watervoorziening waardoor verweerder deze aftrek niet aanvaardde.
Bij gebreke aan akkoord tussen partijen werd door de controleagent een procesverbaal opgesteld op 23 juni 2006 waarin de afgetrokken BTW verworpen werd.
Op 30 oktober 2006 werd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare een dwangbevel opgesteld dat uitvoerbaar verklaard werd op 31 oktober 2006. Het dwangbevel werd op 6 november 2006 ter kennis gebracht van eiseres.
Op 30 november 2006 legde eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie neer.
2.2. Eiseres vraagt dat : het fiscaal verzoekschrift ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, dat dienvolgens gezegd wordt voor recht dat het dwangbevel nietig, minstens onwettelijk of ongegrond is en dat gezegd wordt voor recht dat het dwangbevel en de kennisgeving ervan geen enkel gevolg mogen hebben en dat de terugbetaling bevolen wordt van alle eventuele in uitvoering van hoger genoemde kennisgeving van bestreden dwangbevel betaalde of ingehouden bedragen, te verhogen met de intresten vanaf datum van betaling of inhouding en dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten.
2.3. Verweerder vraagt dat: de vordering ongegrond verklaard wordt en eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van deze vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. Nopens de grond
3.2.1. De gemeenten zijn BTW-belastingplichtige voor de terbeschikkingstelling van hun rioleringsnet (inzamelen, afvoeren en saneren van afvalwater) aan de drinkwatermaatschappijen (artikel 18 § 1 W.BTW). Zij zijn aldus onderworpen aan de BTW-wetgeving en reglementering.
Eiseres heeft op 22 december 2005 met de Intercommunale Maatschappij voor Watervoorziening in Vlaanderen een overeenkomst met betrekking tot de opvang, transport en sanering van afvalwater gesloten. Aangezien de economie van het BTWstelsel er zich tegen verzet dat diensten onder bezwarende titel met terugwerkende kracht worden verstrekt, kan de hoedanigheid van BTW-plichtige pas toegekend worden vanaf het tijdstip waarop de overeenkomst voor het vervoer van afvalwater effectief werd gesloten met de drinkwatermaatschappij.
3.2.2. De regeling die vroeger door de BTW-administratie gehanteerd werd waardoor de belastingplichtigen de BTW op investeringen die zij als niet-belastingplichtige aangekocht hadden, in hun voordeel konden herzien (ingevolge beslissing nr. E.T. 18235 van 10 november 1976 in uitvoering van art. 49 W.BTW en art.21, tweede lid, 3° KB nr.3 van 10.12.1969) werd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in haar arrest van 2 juni 2005 inzake Waterschap ZeeuwsVlaanderen (C-378/02) van tafel geveegd.
Ten gevolge hiervan heeft de administratie in haar beslissing nr. ET 110.412 van 20 december 2005 (gepubliceerd op 13.01.2006) beslist om de zogenaamde "historische BTW" niet langer toe te staan aan diegene die op 1 juli 2005 nog niet de hoedanigheid hadden van BTW-belastingplichtigen.
3.2.3. Eiseres kan in haar stelling gevolgd worden dat de bestaande nationale regeling zoals die was uitgewerkt in de beslissing van 10 november 1976 niet retroactief kan worden ingetrokken omwille van een interpretatie die het Hof van Justitie geeft aan een richtlijnbepaling die door de Nationale lidstaat niet correct was geïmplementeerd in de nationale rechtsorde. Een richtlijn kan immers uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren opleggen.
De administratie kan zich dan ook niet op de Zesde BTW-richtlijn, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie in haar arrest Waterschap ZeeuwsVlaanderen (C-378/02), baseren om aan belastingplichtigen het recht op aftrek inherent aan voorheen reeds gedane investeringen, dat zij vorderen op grond van de beslissing nr. E.T. 18235 van 10 november 1976 in uitvoering van art. 49 W.BTW en art. 21, tweede lid, 3° KB nr.3 van 10.12.1969, te ontzeggen.
3.2.4. Verder is het ook zo dat de beslissing van 20 december 2005 het algemeen beginsel van de non retroactiviteit (verwoord in artikel 2 B.W. en artikel 108 wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen) schendt, aangezien zij een aftrekregeling ontzegt aan BTW-belastingplichtigen die deze hoedanigheid hebben verworven na 1 juli 2005. Hooguit kan deze aftrek maar ontzegd worden aan BTW-belastingplichtigen die deze hoedanigheid maar hebben verworven na 13 januari 2006, datum van publicatie van de beslissing van 20.12.2005 (Rb. Brugge, 8 december 2009, AR 08/3313/A - stuk A eiseres).
3.2.5. Op basis van het voorgaande kan eiseres het recht van aftrek van voorbelasting dat drukt op de rioolinvesteringen van voor 22 december 2005 niet ontzegd worden.
Het bestreden dwangbevel dient dan ook te worden vernietigd.
Alle verdere argumentatie is niet langer dienend.
3.3. nopens de kosten
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. dient hij de gerechtskosten te dragen.
De gerechtskosten belopen het bedrag der basisrechtsplegingsvergoeding, zijnde … EUR zoals gevorderd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond.
Zegt voor recht dat het bestreden dwangbevel uitvoerbaar verklaard op 31 oktober 2006 en op 6 november 2006 ter kennis gebracht van eiseres ongegrond is en dat er aan het bestreden dwangbevel en de kennisgeving ervan geen gevolg mag gegeven worden.
Beveelt de terugbetaling van alle eventuele in uitvoering van hoger genoemde kennisgeving van dwangbevel met referte 406.0713.13602 betaalde of ingehouden bedragen te verhogen met de moratoire intresten vanaf de datum van betaling of inhouding tot de datum van volledige terugbetaling.
Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag zeventien februari tweeduizend en tien.
Aanwezig zijn :
H. A., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. A. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.