Werkingssfeer, belastbare handeling, levering van goederen · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 18 december 2007

Zoeken

Werkingssfeer, belastbare handeling, levering van goederenBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-belastbare-handeling-levering-goederen-rechtbank-brugge-2007-12-18-1f7b

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
18 december 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

57 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 18.12.2007

Samenvattting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 05/3818/A Rep.nr.2007/17617

Mevrouw K. W., (Ondernemingsnr. …), schoonheidsspecialiste, wonende te …, …,

eiseres,

voor wie optreedt Meester K. V. W., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, Belastingen en Invorderingen, Sector BTW, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het tegensprekelijk verzoekschrift de dato 29.12.2005.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 27 november 2007.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer …, ingevolge de economische activiteit van uitbaatster van een schoonheidssalon. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 28 augustus 2001 werd door een ambtenaar bij de BTW, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde.

Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door de heer E. V. K., bestuursassistent bij de FOD Financiën, sector BTW, op 1 oktober 2001, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 1 verweerder).

Op 16.09.2002 betaalde eiseres de verschuldigde belasting.

Op 12.12.2002 werd een dwangbevel uitgevaardigd.

2.2. Eiseres vraagt dat :

- De vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

- Het bestreden dwangbevel wordt nietig verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat de erin opgenomen sommen niet verschuldigd zijn.

- Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden, vermeerderd met de moratoire interesten.

- Verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR.

- Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres als ontvankelijk en ongegrond wordt afgewezen en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. In de periode 1992-1996 lieten N. B. en M. B. het onroerend goed in de …, te … oprichten. In dat onroerend goed werd een schoonheidssalon 'N.' ondergebracht dat door N. B. werd uitgebaat. Wegens het uitoefenen van die zelfstandige activiteit was zij BTW-belastingplichtig. De BTW, geheven van de oprichting en de inrichting van die bedrijfsruimte heeft zij op grond van artikel 45, § 1 W.BTW afgetrokken.

Op 30 april 1998 heeft N. B. haar zelfstandige activiteit stopgezet en vanaf voormelde datum heeft eiseres het schoonheidssalon overgenomen van M. B. en N. B..

Op 22 december 1999 werd er een einde gesteld aan de handelshuurovereenkomst en sindsdien baat eiseres een schoonheidssalon uit in een pand gelegen aan de … te ….

3.2.2. Wanneer een belastingplichtige zijn volledige handelszaak of een bedrijfsafdeling overlaat aan een overnemer die de hoedanigheid van BTW­belastingplichtige heeft of verkrijgt, en derhalve de BTW, indien ze verschuldigd ware geweest, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken, dan is er geen sprake van een belastbare levering. De overnemer wordt dus geacht de persoon van de overdrager voort te zetten (zie artikel 11 W.BTW).

Dit heeft voor gevolg dat het herzieningstijdvak dat aanving bij de verwerving van de bedrijfsmiddelen in hoofde van de overlater gewoon doorloopt en dat in hoofde van de overnemer de gehuurde handelsruimte 'belastingschoon' blijft voor de verdere duur van het herzieningstijdvak van 15 jaar in de mate dat er zich geen oorzaken van herziening voordoen.

Door het verlaten van het pand en door haar beroepsactiviteit elders uit te oefenen, hield het bedrijfsgebouw gelegen in de … te …, in de onderneming van eiseres op te bestaan en was dit een oorzaak van herziening voor wat betreft de in hoofde van de overlater gerecupereerde BTW, geheven van de oprichtings- en inrichtingskosten van de beroepsruimte van het kwestieus pand (artikel 10, 4° KB nr. 3).

Aangezien eiseres, zoals hierboven gesteld, geacht wordt de persoon van de overlater voort te zetten, dient zij ook de verplichting op te nemen om de oorspronkelijke aftrek (destijds door mevrouw B. uitgeoefend) waarvan zij het genot heeft overgenomen, te herzien.

De stelling van eiseres dat de herziening niet door haar (overnemer) dient te gebeuren omwille van het feit dat het onroerend goed niet als bedrijfsmiddel kan worden beschouwd aangezien het geen voorwerp uitmaakt van de overdracht, kan door de rechtbank niet gevolgd worden.

3.2.3. De vordering van eiseres dient derhalve als ongegrond te worden afgewezen.

3.3. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … EUR geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag achttien december tweeduizend en zeven.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. N. H.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 3 art. 101 voorkomen