Procesverloop
2 stappen · 1 jaar 10 maanden- Bestreden beslissingHof van beroep te Antwerpen11.02.2020
- Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België23.12.2021
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 23.12.2021 (F.20.0127.N/1)
WF 707-15-16/009249
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Werken in onroerende staat – Verlaagd btw-tarief – Poorten – Video- en parlofoon
Wettelijke bepalingen
Art. 1 KB nr. 20 van 20 juli 1970 – Rubriek XXXI en XXXVIII van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970
Samenvatting
1) Feiten en voorgaande procedure
Tijdens een fiscale controle werd vastgesteld dat de belastingplichtige ten onrechte het verlaagde tarief van 6% toepaste voor het plaatsen van poorten en video- en parlofoontoestellen. Naar aanleiding hiervan werd er een correctieopgave aan de belastingplichtige toegezonden. De belastingplichtige verklaarde zich hiermee niet akkoord. De administratie bleef echter bij haar standpunt en stelde een proces-verbaal op. Hiertegen diende de belastingplichtige een administratief bezwaar in, waarna dit door de administratie werd afgewezen in een gemotiveerde beslissing.
Vervolgens legde tegenpartij een fiscaal verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. De eerste rechter besliste dat de vordering van de tegenpartij toelaatbaar maar ongegrond was. Tegen dit vonnis ging tegenpartij in hoger beroep.
Het hof van beroep te Antwerpen stelde dat de aanhechting van de poort aan de woning, al dan niet met tussenplaatsing van een paal, niet volstaat voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6%. De poort dient voor de toepassing van het verlaagde tarief een aanhorigheid of verbetering van de woning zelf te zijn. Een bepalend element hiervoor is de functie van de poort. De poort moet een onmiddellijk nut hebben voor de private woonfunctie.
Verder oordeelde het hof dat poorten, in de mate dat ze een afscheiding vormen van de eigendom van de openbare weg, dienen te worden aanzien als een afsluiting en bijgevolg zijn uitgesloten van het verlaagde tarief.
Tenslotte besliste het hof dat een video- of parlofooninstallatie gehecht dient te zijn aan een woning, die voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van het tarief van 6%, om eveneens in aanmerking te komen voor de toepassing van het verlaagde tarief.
De belastingplichtige diende een cassatieberoep in tegen dit arrest.
2) Het arrest van het Hof van Cassatie
Tegenpartij wierp als enig middel in zijn cassatieberoep op dat de appelrechter een voorwaarde aan de rubrieken XXXI en XXXVIII van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 van 20 juli 1970 zou hebben toegevoegd en hierdoor zijn beslissing niet naar recht zou hebben verantwoord.
Het Hof van Cassatie bevestigt echter dat het verlaagde btw-tarief van 6% slechts van toepassing kan zijn op de plaatsing van toegangspoorten die muurvast aan de woning zelf worden aangehecht, zodat zij worden ingelijfd in de onroerende structuur van de woning in de zin van § 3, 2° van deze rubrieken, en die een verbetering van de woning zelf uitmaken, in de zin van §1, 1° van deze zelfde rubrieken, doordat ze een onmiddellijk nut hebben voor de private woonfunctie. Het gaat hierbij niet om toegangspoorten die betrekking hebben op afsluitingen die worden uitgesloten van de toepassing van het verlaagde tarief op basis van §4, 1° van de rubrieken in kwestie.
Verder bevestigt het Hof dat een poort, die enkel op een zodanige wijze wordt geplaatst dat deze duurzaam en gewoonlijk met een woning wordt verbonden, niet onder de toepassing van het verlaagde tarief valt: “Het middel dat geheel ervan uitgaat dat het verlaagd tarief van toepassing is, zodra een poort op een zodanige wijze wordt geplaatst dat deze duurzaam en gewoonlijk met een woning wordt verbonden, berust op een andere rechtsopvatting. Het middel faalt naar recht.”
Het Hof verwerpt het cassatieberoep van de belastingplichtige.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 23.12.2021 (F.20.0127.N/1)
P.B. bv, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 047...86, eiseres, met als raadsman mr. ... advocaat bij de balie provincie Antwerpen, met kantoor te ..., waar de eiseres woonplaats kiest,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Bussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal, directeur van het KMO Centrum Antwerpen, met kantoor te 2930 Brasschaat, Ruiterijschool 3, bus 92, verweerder, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. ..., advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te ..., waar de verweerder woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 11 februari 2020.
Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 22 november 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Krachtens artikel 1, eerste lid, koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, bedraagt het normaal tarief van de belasting over de toegevoegde waarde voor goederen en diensten 21 pct. Krachtens het tweede lid, a), wordt, in afwijking van het eerste lid, de belasting geheven tegen het verlaagd tarief van 6 pct. voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit.
Krachtens rubriek XXXI, § 1, van voornoemde tabel A worden het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in paragraaf 3 onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;
2° de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privéwoning wordt gebruikt;
3° de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijftien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van opeisbaarheid van de btw dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22, § 1, of artikel 22bis van het BTW-wetboek. (…)
Krachtens § 3, 2°, van voormelde rubriek worden prestaties beoogd die erin bestaan een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.
Krachtens § 4, 1°, van deze rubriek is het verlaagd tarief in geen geval van toepassing op werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen.
Rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij het voormelde koninklijk besluit bevat identieke bepalingen, met dien verstande dat, krachtens § 1, 3°, de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste tien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van opeisbaarheid van de btw.
2. Uit het geheel van voornoemde bepalingen volgt dat het verlaagd btw-tarief van 6 pct. slechts van toepassing is op de plaatsing van toegangspoorten die muurvast aan de woning zelf worden aangehecht, zodat zij worden ingelijfd in de onroerende structuur van de woning in de zin van § 3, 2°, van de vermelde rubrieken, en die een verbetering van de woning zelf uitmaken, in de zin van § 1, 1°, van deze rubrieken, doordat ze een onmiddellijk nut hebben voor de private woonfunctie. Dergelijke toegangspoorten betreffen geen van het verlaagd tarief uitgesloten afsluitingen in de zin van § 4, 1°, maar hebben betrekking op de eigenlijke woning.
3. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat het verlaagd tarief van toepassing is, zodra een poort op een zodanige wijze wordt geplaatst dat deze duurzaam en gewoonlijk met een woning wordt verbonden, berust op een andere rechtsopvatting.
Het middel faalt naar recht.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
eenparig beslissend,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 369,79 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 23 december 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Mike Van Beneden.
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
2Rechtspraak
1België
1Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen16.03.2022