Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost Vlaanderen, afdeling Gent, d.d. 09.04.2024
WF 710-15-22/021340
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Werken in onroerende staat –Tarief – Verlaagd btw-tarief – Afbraak en heropbouw
Wettelijke bepalingen
Art. 1 KB nr. 20 van 20 juli 1970
Rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970.
Samenvatting
1. Feiten en voorgaande procedure
In deze zaak maakte de woning van eiser het voorwerp uit van een omvorming en een uitbreiding.
Bij een controle inzake het toepasselijk btw-tarief op de werken in onroerende staat die werden uitgevoerd aan het onroerend goed van de belastingplichtige, bleek dat deze werken werden uitgevoerd aan het verlaagd btw-tarief van 6%.
Op basis van de voorgelegde stukken stelde de administratie vast dat de uitgevoerde werken niet in aanmerking kwamen voor het verlaagd btw-tarief op basis van artikel 1 van KB nr. 20.
Aangezien beide partijen bij hun standpunt bleven, stelde de administratie een proces-verbaal op.
2. Het vonnis
De rechtbank oordeelt dat op basis van de voorgelegde plannen en foto’s niet blijkt dat de uitgevoerde werken op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van de te renoveren woning, zoals de dragende muren en de buitenmuren. Enkel een deel van de voorgevel, een deel van de rechter zijgevel en een deel van de linkerzijgevel bleven behouden. Alle binnenmuren, alsook de draagvloer van het gelijkvloers zijn verdwenen.
Volgens de rechtbank is het dan ook duidelijk dat niet voldaan is aan de primordiale voorwaarde om de werken als “renovatie” te kwalificeren, aangezien deze niet op relevante wijze steunen op de wezenlijke structuur van het bestaand gebouw. De werken kwalificeren evenmin volgens het oppervlaktecriterium als een verbouwing. De administratie heeft de werken terecht gekwalificeerd als een nieuwbouw waarop het btw-tarief van 21% van toepassing is.
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, fiscaal, zesde burgerlijke kamer
Vonnis (EVT) van 09/04/2024
Rol: 22/704/A
IN DE ZAAK VAN :
De heer B. V. H. en mevrouw L. S., wonende te …, …, rijksregisternummers … resp. …,
eisers,
vertegenwoordigd door mr. A. L., advocaat met kantoor te …, …;
tegen :
De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, van wie de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal van het KMO Gent Expertise 2, met kantoren te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6 bus 761 te 9050 Gent, KBO 0308.357.159,
verweerder,
vertegenwoordigd door de heer J. E., attaché bij een fiscaal bestuur;
VONNIST DE RECHTBANK ALS VOLGT :
1. Rechtspleging
De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 12 maart 2024 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad.
De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.
De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De vorderingen van partijen
2.1. De vordering van eisers
Eisers vragen in hun laatste besluiten aan de rechtbank om :
De vordering van eisers ontvankelijk en gegrond te verklaren en dientengevolge;
Het proces-verbaal voor de belasting over de toegevoegde waarde opgesteld naar aanleiding van de toepassing van het verlaagd BTW-tarief van 6 % voor de werkzaamheden uitgevoerd aan de woning gelegen te …, … gekend ten kadaster onder …, tweede afdeling, Sectie E, perceelnummer …, zoals verzonden op 16 december 2021 te vernietigen en van generlei waarde te verklaren;
Voor recht te zeggen dat eisers geen bijkomende belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd zijn voor de werken uitgevoerd aan de woning;
Voor recht te zeggen dat eisers een BTW-tarief van 6 % verschuldigd zijn voor de werken uitgevoerd aan de woning, dewelke een omvorming uitmaken.
In ieder geval verweerster te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding.
2.2. De vordering van verweerder
Verweerder vraagt in zijn laatste besluiten aan de rechtbank om :
Het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;
De vordering van eiser(s) af te wijzen;
De eiser(s) te veroordelen tot het betalen van de bedragen die opgenomen zijn in het proces-verbaal d.d. 16.12.2021;
Eiser(s) tot de kosten te veroordelen.
3. De betwistingen en hun beoordeling
3.1.
De betwisting gaat over de vraag of de in opdracht van eisers uitgevoerde werken in onroerende staat aan de woning gelegen te …, …, werken uitmaken waarop het verlaagde BTW-tarief van 6 % van toepassing is, dan wel betrekking hebben op werken die onderworpen zijn aan het tarief van 21 %.
Overeenkomstig artikel 1 van KB nr. 20 van 20 juli 1970 bedraagt het normale tarief van de BTW voor goederen en diensten bedoeld in het Wetboek 21 %. In afwijking van deze bepaling wordt de belasting geheven tegen het verlaagd tarief van zes, resp. twaalf % voor de goederen en diensten, opgenomen in de tabellen A, respectievelijk B van de bijlage bij KB nr. 20.
Artikel 1 van KB nr. 20 werd in die zin gewijzigd door artikel 52 van de programmawet van 27 december 2006 en dit als reactie op een arrest van het Hof van Cassatie van 13 mei 2005, dat de bewijslast voor de toepassing van een hoger tarief bij de administratie had gelegd, wanneer de belastingplichtige een lager tarief had toegepast. Sinds de wijziging door de wet van 27 december 2006 bestaat er geen betwisting meer over het feit dat 21 % als normaal BTW-tarief geldt en dat de bewijslast van het feit dat een lager tarief van toepassing is, op de belastingplichtige rust (zie L. Vandenberghe, ‘Bewijslast m.b.t. toe te passen BTW-tarief : fiscus laat terug’, Fisc. Act., 2007, nr. 9, p. 8; H. Vandebergh (ed.), BTW-Handboek, Larcier, Gent, 2014, p. 525, nr. 1335).
Het is derhalve aan eisers om aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagde BTW-tarief van 6 % en dat het in casu gaat om de "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning".
Dat de overige voorwaarden voor de toepassing van het verlaagde BTW-tarief van 6 % op grond van artikel 1 KB/BTW nr. 20, zoals opgenomen in tabel A, rubriek XXXVIII, § 1 van de bijlage bij KB/BTW nr. 20 vervuld zijn, wordt tussen partijen niet betwist.
3.2.
De vraag of de constructiewerken als een renovatie dan wel als een nieuwbouw kwalificeren in de zin van voormelde wetsbepalingen, betreft een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht. De belasting steunt zich op de werkelijkheid.
3.3.
De wetgever heeft geen definitie gegeven aan de hierboven genoemde werken in onroerende staat. Al deze begrippen dienen te worden begrepen in hun normale betekenis.
Er is sprake van verbouwing, waarop het verlaagde BTW-tarief van 6 % van toepassing is, wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven, wanneer de werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Er is daarentegen sprake van nieuwbouw, waarop een BTW-tarief van 21 % van toepassing is, indien de uitgevoerde werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en het gebouw heropgebouwd wordt na afbraak, zelfs indien bepaalde delen, zoals de funderingen, de kelders of alleen de voorgevel worden behouden. Dit is eveneens het geval wanneer wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw, en in het bijzonder de fundering van het gebouw, substantieel dienen te worden vernieuwd of verstevigd om de uitgevoerde werken te ondersteunen (vgl. Cass. 25 juni 2020, F.19.0069.N en Cass. 21 oktober 2022 F.21.0053.N).
Deze rechtspraak die de rechtbank onderschrijft, gaat voort op de richtsnoeren die de administratie reeds lang geleden heeft uitgewerkt teneinde concreet te bepalen wanneer werken onder het "omvormen" of "verbouwen" van een bestaand gebouw vallen, dan wel een "nieuwbouw" of heropbouw na afbraak uitmaken. Daarin wordt ook het uitbreiden van een gebouw onder bepaalde voorwaarden gekwalificeerd als een aanvaardbare omvorming of verbouwing.
Het begrip "omvorming" wordt in de aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 omschreven als "de verbouwing zowel aan de buitenkant (en inzonderheid de rehabilitatie) als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken". In de beslissing E.T 106.933 van 1 september 1994 werd daarover meer concreet gesteld dat "de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt."
Zelfs wanneer redelijkerwijze met enige marge rekening moet worden gehouden, blijkt dat de bovenstaande omschrijving een administratieve toegeving is op de wettekst. Dat is zeker het geval waar de administratie besliste om maximaal een verdubbeling van de oppervlakte toe te staan. De wijze waarop de administratie de toegeving formuleert en uitlegt is redelijk en logisch te noemen. Alhoewel circulaires geen bindende kracht hebben en in de regelgeving als dusdanig geen oppervlaktecriterium of criterium van aanvullende functionaliteit zijn ingeschreven, maar rekening houdend met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, neemt de rechtbank aan dat eisers, zoals elke andere belastingplichtige, recht hebben op de toepassing van het verlaagde BTW-tarief van 6 % wanneer hun renovatie/uitbreiding zodanig beperkt blijft dat de oppervlakte van het oude gedeelte nog betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte doordat het minstens de helft van de totale oppervlakte blijft uitmaken en het nieuwe gedeelte (functioneel) het oude gedeelte aanvult. Ook de vergelijking tussen de totale lengte van de behouden dragende buitenmuren tegenover de totale lengte van de nieuwe dragende buitenmuren kan een relevant feitelijk gegeven zijn. Opdat de uitbreidingswerken aan het begrip 'omvormen' zouden beantwoorden, is het vereist dat de bestaande woning de hoofdzaak blijft en de uitbreiding ondergeschikt is aan en slechts plaatsgrijpt in functie van de omvorming van de oude woning. De ingreep mag niet zover gaan dat met de werken in wezen tot nieuwbouw werd overgegaan.
Met het gedeelte van een woning dat (quasi) volledig werd afgebroken en werd heropgebouwd kan bij de toepassing van het oppervlaktecriterium geen rekening worden gehouden. Dergelijke werken betreffen immers een nieuwbouw.
3.4.
In deze zaak maakte de woning gelegen te …, …, het voorwerp uit van een omvorming en uitbreiding. De partijen twisten zowel over de vraag of de woning nog op relevante wijze steunt op de wezenlijke elementen van zijn oorspronkelijk structuur, als over de vraag of het resterende oude gedeelte na de werken nog betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte.
3.5.
Op basis van de voorgelegde plannen en foto's kan de rechtbank enkel het standpunt van de administratie bijtreden. Uit deze stukken blijkt immers niet dat de uitgevoerde werken op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van de te renoveren woning, zoals de dragende muren en de buitenmuren.
De rechtbank verwijst in het bijzonder naar foto nr. 6 van de veiligheidscoördinator (stuk 2 van verweerder) waaruit blijkt dat de gelijkvloerse verdieping deels werd afgebroken, zodat enkel een deel van de voorgevel, een deel van de rechter zijgevel en een deel van de linkerzijgevel behouden bleven. Van de zijgevel rechts kan moeilijk beweerd worden dat dit een volwaardige draagmuur is, aangezien deze qua hoogte amper voor de helft is overgebleven. Tevens zijn alle binnenmuren verdwenen, alsook de draagvloer van het gelijkvloers.
Voor toepassing van het verlaagd BTW-tarief is van een verbouwing geen sprake indien de uitgevoerde werken niet op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw en het gebouw heropgebouwd wordt na afbraak, zelfs indien bepaalde delen van deze structuur zoals de voorgevel en een deel van de zijgevels worden behouden, zoals in dit dossier het geval is.
Volgens de rechtbank is het duidelijk dat niet voldaan is aan de primordiale voorwaarde om de werken als "renovatie" te kwalificeren, aangezien deze niet op relevante wijze steunen op de wezenlijke structuur van het bestaand gebouw. Louter op basis van het niet voldaan zijn van deze voorwaarde (stabiliteitscriterium), komen de werken niet in aanmerking voor een kwalificatie als renovatie.
3.6.
Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat de werken volgens het oppervlaktecriterium evenmin kwalificeren als een verbouwing.
Zo heeft de administratie, gelet op de voormelde foto nr. 6 van de veiligheidscoördinator (stuk 2 van verweerder) en het plan na de uitvoering van de werken (stuk 13 van verweerder) een berekening gemaakt op basis van de 50 %-regel. Uit deze berekening blijkt dat de oppervlakte van het oude overgebleven deel (78,63 m2), kleiner is dan de helft van de totale oppervlakte na de uitvoering van de werken (129,95 m2, nl. 259,92/2).
Zoals hierboven reeds vermeld, kan voor het bepalen van de oppervlakte van de bestaande woning enkel rekening worden gehouden met het oude behouden gedeelte en kan geen rekening worden gehouden met oude gedeeltes die werden afgebroken en desgevallend (nieuw) werden heropgebouwd. Eisers tonen niet aan dat de oppervlakte van het overblijvende oude gedeelte betekenisvoller is ten aanzien van het nieuwe gedeelte of dat aan het oppervlaktecriterium is voldaan.
3.7.
De rechtbank besluit dat de bouwwerken door de administratie terecht werden gekwalificeerd als een nieuwbouw. Eisers bewijzen niet dat het verlaagd BTW-tarief van 6 % van toepassing is. De administratie heeft terecht het BTW-tarief van 21 % van toepassing geacht.
De vordering van eisers is ongegrond.
4. De gerechtskosten
Aangezien verweerder in het gelijk wordt gesteld, maar niet door een advocaat werd vertegenwoordigd/bijgestaan, is er geen reden om een rechtsplegingsvergoeding vast te stellen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK,
rechtdoende OP TEGENSPRAAK,
Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend.
Verklaart de vordering van eisers ontvankelijk, maar niet gegrond.
Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op dinsdag 9 APRIL 2024, waar aanwezig waren :
De heer F. J., rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door mevrouw A. C., griffier.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.