Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 9 januari 2013

Zoeken

Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-rechtbank-antwerpen-2013-01-09-a55e

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
9 januari 2013

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

55 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 09.01.2013

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op negen januari tweeduizend dertien in openbare zitting van de 4F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

P. W., enig rechter,

N. D., griffier.

In zake : AR nr. 11/4774/A

M. E. NV, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester L. V. D., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Mechelen, met burelen gevestigd te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24 bus 32.

verwerende partij,

verschijnende bij mevrouw S. L., in hoedanigheid van inspecteur.


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 9 augustus 2011,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek op 18 november 2011,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 12 december 2012.


De vordering strekt ertoe de beslissing van de zesde BBI-inspectie te Antwerpen te vernietigen en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Beoordeling

Krachtens artikel 39bis, lid 1, 1° W.BTW zijn de leveringen van goederen vrijgesteld van de belasting indien :

- de leveringen worden verricht door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2;

- de leveringen worden verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet­belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die aldaar ertoe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen;

- de leveringen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4;

- de goederen worden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap door de verkoper, de koper of voor hun rekening.

Artikel 39bis, lid 2 W.BTW heeft aan de Koning opgelegd de beperkingen en voorwaarden te bepalen die voor de toepassing van deze vrijstelling moeten worden nageleefd, wat hij deed bij KB nr. 52 van 29 december 1992.

Krachtens voornoemd KB nr. 52 is de vrijstelling van. artikel 39bis, lid 1, 1° W.BTW afhankelijk van de volgende voorwaarden :

- het bewijs dient geleverd te worden dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap (artikel 1) en de verkoper, te dezen eiseres, moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; die stukken zijn ondermeer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken (artikel 3);

- het bewijs dient geleverd te worden dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat (artikel 2).

Bijgevolg heeft eiseres, die zich beroept op de vrijstelling, de bewijslast en dient zij dan ook het bewijs te leveren dat zij voldoet aan alle voorwaarden van de vrijstelling, bij gebreke waaraan de belasting verschuldigd is.

Er dient te worden nagegaan of de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap door eiseres (de verkoper), haar koper (de Nederlandse vennootschap BV T. T. O. F. S.) of voor hun rekening.

Eiseres dient het bewijs van het bestaan van de echtheid van het vervoer of de verzending van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap door zichzelf (de verkoper), haar koper (de Nederlandse vennootschap BV T. T. O. F. S.) of voor hun rekening te leveren via een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken die aantonen dat aan de voorwaarde voor de vrijstelling is voldaan waarbij elk bewijsstuk is toegelaten, doch waarbij geen enkel bijzonder stuk op zich voldoende of noodzakelijk is; de opsomming van mogelijke bewijsstukken in artikel 3 van het KB nr. 52 is immers niet exhaustief.

Aangezien de opsomming van mogelijke bewijsstukken in artikel 3 van het KB nr. 52 niet exhaustief is en aangezien elk bewijsstuk is toegelaten, wat trouwens door de administratie wordt aanvaard, is er dan ook geen sprake van enige lacune in de wetgeving.

Bijgevolg kan eiseres deze vrijstellingsvoorwaarde bewijzen met alle middelen van het gemeen recht, uitgezonderd de eed, zonder strikte, formele vereisten, wat door de administratie wordt aanvaard, zodat deze voorwaarde dan ook niet strikt en rigide, doch integendeel ruim wordt toegepast; er is dan ook geen sprake van dat het evenredigheid­ en/of het rechtszekerheidsbeginsel wordt geschonden.

Deze bewijsregeling is helemaal niet onmogelijk en is evenmin in strijd met enige Europese richtlijn.

De BTW-administratie moet zich door middel van een sluitend geheel van bewijselementen immers kunnen vergewissen van het feit dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat door de verkoper, de koper of voor hun rekening. Er anders over oordelen zou immers de administratie elke werkelijkheid tot controle op het vervuld zijn van de vrijstellingsvoorwaarde ontnemen.

Krachtens het KB nr. 52 blijft eiseres verantwoordelijk voor de betaling van de BTW met betrekking tot de leveringen en is zij hiervan pas ontslagen wanneer zij kan bewijzen dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap door zichzelf (de verkoper), haar koper (de Nederlandse vennootschap BV T. T. O. F. S.) of voor hun rekening.

Een factuur vormt een nuttige aanvulling op overige bewijselementen, doch bewijst zonder bijkomende bewijselementen helemaal niet dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat door de verkoper, de koper of voor hun rekening en verleent bijgevolg op zichzelf niet automatisch het recht op de vrijstelling.

Zoals hoger vermeld heeft eiseres de bewijslast om aan te tonen dat zij voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarde en dat de goederen bijgevolg werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap door zichzelf (de verkoper), haar koper (de Nederlandse vennootschap BV T. T. O. F. S.) of voor hun rekening.

Bij gebreke aan dit bewijs is de administratie dan ook gerechtigd de vrijstelling te verwerpen ondanks het bestaan van facturen.

Het loutere feit, dat eiseres goederen heeft gefactureerd aan een vennootschap van een andere Lid-Staat, bewijst immers helemaal niet dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat door eiseres (de verkoper), haar koper (de Nederlandse vennootschap BV T. T. O. F. S.) of voor hun rekening.

Zoals hoger vermeld is elk bewijsstuk toegelaten zodat het helemaal niet vereist is dat eiseres over vervoersdocumenten dient te beschikken.

Eiseres levert niet het minste bewijs, ook niet door middel van feitelijke vermoedens, dat de goederen in het kader van de leveringen door zichzelf (de verkoper), haar koper (de Nederlandse vennootschap BV T. T. O. F. S.) of voor hun rekening werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid­Staat en faalt aldus in haar bewijslast; verweerder heeft dan ook geen bewijslast.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat uit het loutere feit, dat vanwege de Nederlandse administratie een verzoekschrift om informatie werd verstuurd aan de Belgische administratie met betrekking tot de koper en eiseres, niet het minst kan worden afgeleid dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat door eiseres (de verkoper), haar koper (de Nederlandse vennootschap BV T. T. O. F. S.) of voor hun rekening; er is dan ook geen enkele reden om verweerder te bevelen dit verzoekschrift over te leggen.

Er is dan ook geen sprake van vrijgestelde intracommunautaire handelingen zodat de BTW terecht werd nagevorderd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder niet begroot en derhalve door de rechtbank niet vereffend.

N. D. P. W.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 52 art. 32 voorkomens