Procesverloop
2 stappen · 1 jaar 9 maanden- Weergegeven beslissingRechtbank van eerste aanleg te Antwerpen01.03.2004
- Beslissing in beroepHof van beroep te Antwerpen06.12.2005
Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 01.03.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op één maart tweeduizend en vier in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
L. B., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
In zake : AR nr. 00/4504/A
BVBA P. I., met BTW-nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Mechelen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….
eisende partij,
verschijnende bij meester F. J. loco meester L. V., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Mechelen, wiens kantoor gevestigd is te 2800 Mechelen, Nekkerspoeltraat 21-23.
verwerende partij,
verschijnende bij meester P. S. loco meester L. C., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder B. M. te … op 8 augustus 2000,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 31 juli 2003,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van l 5 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 2 februari 2004.
Gegevens en voorgaande
Twee BTW-ambtenaren hebben op 30 mei 2000 een proces-verbaal ter zake BTW opgesteld ten aanzien van huidig eiseres (stuk 1 verweerder).
Het betreft aan de ene kant 11 uitgaande facturen van eiseres in de periode 31 maart tot en met 29 april 1998 aan in Groot-Brittannië geadresseerde afnemers, waarvoor de facturatie telkens vrijstelling om reden van intracommunautaire leveringen meldde.
Het betreft aan de andere kant 1 uitgaande factuur van eiseres van 16 maart 1998 aan een in Frankrijk geadresseerde afnemer, waarvoor de factuur vrijstelling om dezelfde reden meldde.
Uit de vaststellingen van de verbalisanten blijkt dat de gefactureerde goederen niet door eiseres intracommunautair zijn geleverd, omdat de levering door eiseres plaatshad in de magazijnen van NV PWT, gevestigd B. te …, zulks in alle gevallen, wat meebrengt dat Belgische BTW verschuldigd is krachtens de gewone regel van artikel 2 Wetboek BTW.
De BTW-ontvanger heeft met het vemelde proces-verbaal als bijlage, op 21 juni 2000 een dwangbevel opgemaakt, dat op 26 juni 2000 uitvoerbaar werd verklaard, en dat met exploot van gerechtsdeurwaarder op 30 juni 2000 werd betekend aan eiseres, gepaard met bevel tot betalen (stukken 2 en 3 verweerder).
Op 7 juli 2000 werd dit gevolgd door uitvoerend beslag (stuk 4 verweerder), en eiseres heeft in betwisting van de fiscale vordering laten dagvaarden met exploot van 8 augustus 2000 ter inleiding op 6 september 2000.
Onderzoek en beoordeling
Er loopt geen betwisting ter zake de toelaatbaarheid van de gestelde vordering in rechte, hoewel aan het inleidend exploot geen afschrift van het bestreden dwangbevel is gehecht.
De rechtbank onderkent geen ambtshalve aan te voeren oorzaak tot ontoelaatbaarheid.
Ten gronde wordt er door partijen uitgebreid gediscuteerd over de vraag of de facturatie naar bepaaldelijk Groot-Brittannië onderdeel vormt van wat verweerder carrouselfraude noemt.
Evenwel loopt de betwisting in rechte rond de vraag of eiseres het bewijs heeft geleverd of levert dat zij heeft gefactureerd met intracommunautaire leveringen ten grondslag of niet, en zulks met betrekking tot de facturatie naar zowel Groot-Brittannië als Frankrijk.
De bewijsinvulling komt ten laste van eiseres als belanghebbende, en wordt geregeld in art. 39bis Wetboek BTW en KB nr. 52 inzake BTW.
Wat betreft Groot-Brittannië blijkt uit telkens vergelijking tussen het vervoerdocument en de facturatie, de door eiseres gefactureerde firma niet overeen te stemmen met de bestemmeling van het vervoer naar opgave van het vervoerdocument.
Eiseres meldt zelf dat de gefactureerde Britse firma CCE de goederen heeft doorverkocht aan een eveneens Britse firma S. G..
Dat zulks met toepassing van Britse BTW is geschied, beïnvloedt geenszins de vordering van de Belgische BTW-belastingdienst.
Eiseres stelt daarover trouwens zeer voorzichtig dat 'voormelde partijen', aldus de twee Britse firma's, deze levering 'beschouwden (...) als een binnenlandse (Britse) levering' (onderaan op blz.14 van haar conclusie).
Op telkens het vervoerdocument staat uitdrukkelijk vermeld dat de goederen niet vrijgegeven mogen (mochten) worden voordat bepaaldelijk S. G. daarover akkoord had gegeven.
Zulks houdt in dat deze S. G. reeds van voor aanvang van het vervoer de gerechtigde was op de goederen, en dat zij de goederen reeds in … ter beschikking kreeg, aldus in België.
Het is niet de Britse firma S. G. die te dezen in België vrijstelling nastreeft wegens intracommunautaire levering, maar wel eiseres die echter geen intracommunautaire levering verrichtte, maar in België zonder vervoer leverde aan CCE, die dan doorverkocht aan S..
Het gegeven dat eiseres desondanks telkens onder opgave van intracommunautaire levering factureerde zonder aanrekening van Belgische BTW aan haar koper CCE, is dan ook in strijd met bovenstaande gegevens.
Wat betreft Frankrijk beschikt eiseres enkel over een melding van in ontvangst neming te …, op de leveringsnota aangebracht door de Franse afnemer (stuk 0.2. van eiseres), wat uiteraard niet aantoont dat de goederen na die in ontvangst neming zijn vervoerd buiten België (art. 1 van KB nr. 52).
Eiseres heeft zich op die wijze de invulling van de desbetreffende bewijslast bemoeilijkt, waarvoor zij evenwel dan ook zelf de gevolgen draagt.
Het proces-verbaal heeft de gevorderde boete wel degelijk gemotiveerd, maar de vraag blijft of de feiten wel aanleiding waren tot toepassing van een boete gelijk aan tweemaal de rechten.
In uitvoering van de wet is er een modulatie uitgewerkt door de Koning in KB nr. 41 inzake BTW.
Verweerder put zich in conclusies uit in argumenten om aan te tonen dat eiseres zou hebben deelgenomen aan frauduleuze praktijken ter ontduiking van BTW, wat evenwel niet blijkt uit de feiten, ook al komt de handelwijze van eiseres voor als onnadenkend en tem zeerste onvoorzichtig.
De rechtbank heeft volle rechtsmacht ter beoordeling van de toegepaste boete, zonder echter te mogen oordelen op basis van loutere billijkheidsoverwegingen.
Effectieve frauduleuze bedoelingen of handelingen in hoofde va eiseres; of enige vorm van frauduleuze samenwerking tussen eiseres en derden, zijn niet gebleken uit de vaststellingen van de BTW-verbalisanten, bij lezing van hun proces-verbaal.
Tabel G, Afdeling I VII van de Bijlage bij KB nr. 41 bepaalt een boete gelijk aan 10 % van de rechten in voorliggend geval.
De boete moet dan ook worden herleid tot die hoogte.
Eiseres heeft verkozen de vordering in te leiden met exploot, waar de wet een verzoekschrift op tegenspraak bepaalt als normale wijze van inleiding.
Zulks brengt mee dat eiseres zelf de explootkosten van dagvaarding moet dragen.
Eiseres motiveert niet waarom er zou moeten worden overgegaan tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis in deze vordering die oorzaak van eisbaarheid vindt voor 1 januari 1999.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering toelaatbaar en ten dele gegrond,
Bevestigt de fiscale vordering die is uitgedrukt in het dwangbevel van 21 juni 2000, maar verklaart de daarin gevorderde boete onwettig in de mate dat ze meer bedraagt dan een bedrag gelijk aan 10 % van de gevorderde rechten, en verbiedt er in die mate de uitvoering van,
Veroordeel! elke partij tot helft van de kosten, deze aan beide zijden begroot, en in hun geheel door de rechtbank vereffend op 136.27 EUR betekening dwangbevel, 260,58 EUR uitvoerend beslag en 171,05 EUR geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding in hoofde van verweerder, en op 171,05 EUR geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding in hoofde van eiseres,
Stelt vast dat de oorzaak van de vordering is gelegen voor 1 januari 1999, en zegt voor recht dat er geen reden voorligt tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis.
N. D. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.