Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 12.09.2007
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE nr. 05/2008/A
NV B., met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …, gekend als BTW-plichtige onder het nummer BE ….
eiseres,
vertegenwoordigd door de heer Ch. S., afgevaardigd bestuurder, bijgestaan door mr. H. V., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST, AOIF SECTOR BTW, DIRECTIE BTW HASSELT, in de persoon van de gewestelijk directeur, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST, BTW-CONTROLEKANTOOR TE MAASEIK, in de persoon van de heer VANKERKOM Winand, met kantoor te 3680 Maaseik, Bleumerstraat 72, bus 4.
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. F. R., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 15.09.2005;
- de conclusies en stukken van eiseres;
- de conclusies, aanvullende conclusies en stukken van verweerder.
FEITEN EN VOORGAANDEN
Eiseres is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE … ingevolge de door haar uitgevoerde activiteiten en is onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.
Na voorafgaande verwittiging werd bij eiseres op 20.02.2004 en 27.09.2004 overgegaan tot een controle teneinde de naleving en de toepassing van de BTWwetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten na te gaan met betrekking tot de periode 01.04.2001 tot 31.03.2004.
De controleverrichtingen en hun resultaten werden vastgelegd in een proces-verbaal van 29.11.2005 in toepassing van art. 59, § 1 W.BTW en leidde tot de bevinding dat de BTW geheven van de opgesomde leveringen van goederen en diensten met betrekking tot het centrumgebouw ten onrechte in aftrek werd gebracht aangezien deze goederen en diensten niet gebruikt worden voor het verrichten van handelingen bedoeld in art. 45, § 1, 1° tot 5° W.BTW. De verhuur van het centrumgebouw is namelijk een dienst vrijgesteld van de BTW ingevolge art. 44, § 3, 2° W.BTW. Tevens werd op basis van art. 46, § 1 W.BTW een algemeen verhoudingsgetal bepaald en werd dit betreffende de effectief aftrekbare BTW toegepast op een aantal gemeenschappelijke kosten, zoals de kantoorkosten. Er werd gesteld dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is :
- 200.562,72 euro aan BTW;
- een evenredige geldboete gelijk aan het dubbel van de BTW in toepassing van art. 70, § 1bis en 70, § 2 W.BTW en proportioneel verminderd en afgerond overeenkomstig art. 1 van het KB nr. 41 van 30.01.1987 tot 20.050,00 euro;
- de intresten op grond van art. 91, § 1 W.BTW over de som van 200.560,00 vanaf 21.04.2004
(zie stuk 8, bundel overtuigingsstukken verweerder).
Aangezien een minnelijke afhandeling van het dossier niet mogelijk bleek, werd er op 30.11.2005 een dwangbevel uitgevaardigd gesteund op het proces-verbaal van 29.11.2005. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 02.12.2005 en met een aangetekende brief van 05.12.2005 ter kennis gebracht van eiseres (zie stukken 9 en 10, bundel overtuigingsstukken verweerder).
In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW, alsmede de vervolgingskosten.
Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 15.09.2005 verzoekt eiseres de rechtbank voor recht te verklaren dat de administratie ten onrechte voorhoudt dat het betreffende gebouw geen nieuw gebouw inzake BTW zou zijn en dat de administratie aldus ten onrechte de BTW-aftrek herziet.
BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
De betwisting behelst de vraag of de administratie terecht de aftrek van BTW op basis van art. 45, § 1 W.BTW verwierp van het "centrumgebouw" als gevolg van het niet van toepassing zijn van art. 44, § 3, 2° b) W.BTW.
De administratie is van oordeel dat de onroerende leasing van het centrumgebouw overeenkomstig art. 44, § 3, 2° W.BTW is vrijgesteld van BTW en dat de uitzondering voorzien in art. 44, § 3, 2° b) W.BTW hier niet van toepassing is omdat het geen "nieuw gebouw" betreft.
De rechtbank dient derhalve na te gaan of het hier een "nieuw gebouw" betreft.
Uit het proces-verbaal van 29.11.2005 blijken de volgende vaststellingen :
"(...) Bij bezoek ter plaatse met inzage van de plannen getekend door Ingenieur architect J. V. waarop naast ontwerp vermeld staat: verbouwen van restaurant/taverne + bouwen van sanitaire blok + aanleg terrassen, en met uitleg over de uitgevoerde werken door de eerder genoemde mevrouw C., heb ik vastgesteld dat :
1° het toiletgebouw een nieuw opgericht gebouw is welke afgezonderd staat van het centrumgebouw en welke een eigen functie heeft. Het kan namelijk gebruikt worden door de bezoekers van de speeltuin, het minigolfterrein en de gocartpiste.
2° het centrumgebouw een reeds voor het contract van een onroerende financieringshuur bestaand gebouw betreft welke werd verbouwd en vergroot door de aanleg van bij het gebouw aansluitende terrassen, een kleine uitbouw in de voorgevel, een uitbouw bestaande uit een pergola in de achtergevel, door vergroting van de afhaal/keuken/selfservice. Het reeds bestaande door het betreffend gebouw waarmede het één geheel mee uitmaakt, omsloten binnen terras werd overkapt. Verder werden er interieurwerken uitgevoerd zoals het uitbreken en vervangen van vloeren en plafonds, het uitbreken van enkele binnenmuurtjes en een stuk buitenmuur om doorgang van het restaurant en feestzaal, het dicht metsen van deuropeningen. Ook werden er enkele nieuwe ramen en deuren gestoken en de elektriciteitsinstallatie aangepast.
Het binnen terras heeft een oppervlakte van 214,40 m2. Het gebouw werd zonder rekening te houden met dit binnen terras en de aanpalende terrassen vergroot met 89,24 m2. Voor de uitvoering van de werken bedroeg de oppervlakte van het gebouw zonder rekening te houden met het binnen terras 680,87 m2"
(zie stuk 8, bundel overtuigingsstukken verweerder).
Volgens de eigen administratieve commentaren dient het begrip gebouw in een ruime betekenis te worden opgevat. In de geest van de tekst van art. 44, § 3, 1 ° W.BTW dient niet alleen een pas opgericht gebouw als een nieuw gebouw te worden aangemerkt, doch ook een reeds vroeger opgericht gebouw dat op zodanige wijze werd verbouwd dat het hierdoor de kenmerken verkrijgt van een nieuw gebouw.
De rechtbank stelt vast dat uit de eigen vaststellingen van de administratie in haar proces-verbaal van 29.11.2005 blijkt dat het centrumgebouw ingrijpende wijzigingen heeft ondergaan waardoor de aard van het gebouw werd gewijzigd. Zo werd een open binnen terras volledig overkapt, werd de structuur van het gebouw gewijzigd door ruimtes te vergroten (muren werden uitgebroken), plafonds en vloeren werden vervangen, de keuken werd vergroot, er werden diverse uitbouwen aangebracht aan voor- en achtergevel, ...
De plannen en het bestek van ingenieur-architect tonen aan dat de wijzigingen dermate ingrijpend zijn dat het centrumgebouw als een nieuw gebouw kan worden beschouwd. De overlegde foto's van de verbouwingswerken staven dit eens te meer.
De vordering van eiseres is dan ook gegrond.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond.
Zegt voor recht dat de bedragen vermeld in het dwangbevel van 30.11.2005 uitgevaardigd door de waarnemend e.a. inspecteur van het Tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt ten titel van BTW, geldboeten, intresten verschuldigd zijn.
Veroordeelt verweerder tot de kosten, begroot in hoofde van eiseres rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 12 september 2007 alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., rechter, waarnemend voorzitter,
De heer D. J., rechter,
De heer J. S., plaatsvervangend rechter,
De heer L. P., e.a. adjunct-griffier.
L. P. J. S. D. J. M. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.