Voldoening van de belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 12 oktober 2004

Zoeken

Voldoening van de belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-rechtbank-brugge-2004-10-12-32d1

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
12 oktober 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

61 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 12.10.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND·:

in de zaak van : AR nr. 03/1743/A

mevrouw S. Y., zonder beroep, wonende te …, …,

eiseres,

vertegenwoordigd door meester Jan De Groote, advocaat te Knokke-Heist. tegen:

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, in de persoon van de heer Minister van Financiën, op vervolging van de Administratie van de Invordering, Sector BTW, in de persoon van de Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat nr. 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester L. D. S., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 14 september 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. het gedinginleidend verzoekschrift van 8 juni 2003 met verzet tegen het dwangbevel dat op 25 april 2003 is uitgevaardigd;

2. de conclusie voor verweerder van 7 oktober 2003;

3. de conclusie voor eiseres van 23 december 2003 en

4. de conclusie voor verweerder van 27 januari 2004.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres richtte vanaf 1 april 1990 met de heer P. C. de "feitelijke vereniging C. P. en S. Y." op bij niet-gedateerde onderhandse akte. Die vereniging exploiteerde de handelszaak "T. F." in … en was voor de BTW geregistreerd onder nummer BE ….

Bij vonnis van 13 december 2001 werd die feitelijke vereniging ontbonden verklaard, te volgen door een vereffening en verdeling met aanstelling van notaris P. S. als boedelnotaris.

Wegens niet-naleving van de BTW-verplichtingen werden voor de periode van 1998 tot en met het derde kwartaal van 2002 diverse dwangbevelen uitgevaardigd ten nadele van de feitelijke vereniging C. P. en S. Y..

Wegens niet indienen van de BTW-aangiften voor het tweede en derde kwartaal 2002 werd op 25 april 2003 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 28 april 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd. In dat dwangbevel werd een boete verschuldigd verklaard van (2 x 500,00 euro =) 1.000,00 euro. Op 6 mei 2003 werd dat dwangbevel aan de feitelijke vereniging en aan de heer C. en eiseres per gerechtsdeurwaardersexploot betekend.

Met een verzoekschrift van 5 juni 2003 stelde eiseres haar huidige vordering in.

2. De vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank het vernoemde dwangbevel van 25 april 2003 zou nietig verklaren en dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BEOORDELING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

2.1. Stelling van eiseres

Eiseres stelt dat zij sedert 25 oktober 2001 geen enkel uitstaans meer heeft met de exploitatie van de handelszaak van de "feitelijke vereniging C. P. en S. Y.". Zij voert aan dat die feitelijke vereniging bij vonnis van 13 december 2001 bij vonnis ontbonden verklaard werd en dat de verschuldigde sommen betrekking hebben op later, namelijk het derde kwartaal van 2002 en dit omdat P. C. zijn verbintenissen niet nakwam.

Eiseres stelt dat verweerder van die ontbinding kennis had nu haar advocaat op 27 februari 2002 een brief faxte aan het BTW-ontvangkantoor te Brugge waarmee een kopie van het vonnis van ontbinding werd overgemaakt met de melding dat de installatievergadering bij de boedelnotaris enkele dagen later zou plaats vinden.

Eiseres voegt er nog aan toe dat ze op 27 november 2002 haar aanvraag tot doorhaling van haar inschrijving in het handelsregister deed met vermelding van de beëindiging van handelswerkzaamheid op 30 juni 2002.

2.2. Stelling van verweerder

Verweerder stelt dat eiseres inderdaad niet gehouden is tot betaling van BTW-schulden van de feitelijke vereniging ontstaan na 13 december 2001. Hij wijst er wel op dat eiseres nochtans geen schade geleden heeft omdat er geen (gedwongen) betalingen zijn verricht door eiseres.

Verweerder roept in dat eiseres als meest gerede partij er alle belang bij had om de ontbinding van de feitelijke vereniging ook tegenover de BTW-controle kenbaar te maken overeenkomstig artikel 3 van KB nr. 10. Doordat de BTW­controle niet was ingelicht over de ontbinding, bleef zij - zonder enige argwaan - op naam van de feitelijke vereniging bijzondere rekeningen opstellen, telkens gevolgd door een dwangbevel.

2.3. Beoordeling

De ontbinding van een feitelijke vereniging brengt niet automatisch mee dat de hoedanigheid van BTW-plichtige verdwijnt. De vereniging blijft bestaan voor de duur en het doel van haar vereffening. Tijdens de vereffening kan er nog zowel opeisbare als aftrekbare BTW ontstaan. Deze moet het voorwerp uitmaken van een aangifte en valt dus onder de aangifteplicht van de 'feitelijke vereniging in vereffening', waarvoor de vereffenaars van een feitelijke vereniging naar handelsrecht hoofdelijk (art. 1863 B.W.) aansprakelijk zijn.

Terecht laat verweerder gelden dat, zolang niet voldaan is aan de meldingsplicht van wijzigingen van de rechtsvorm of van de stopzetting ten aanzien van het controlekantoor van de belastingen (artn. 2 en 3 KB nr. 10 van 29 december 1992), de controle (en taxatie-) de 'feitelijke vereniging C. P. en S. Y.' als belastingplichtige mocht blijven beschouwen.

De melding van het vonnis van ontbinding aan het ontvangkantoor van de BTW was geen melding van stopzetting of van wijziging van de exploitatiewijze die de belastingplicht van de betreffende feitelijke vereniging beïnvloedde.

Vermits eiseres hoofdelijk gehouden is, ook na ontbinding, tijdens de vereffening, gaat zij er ten onrechte van uit dat zij met de feitelijke vereniging 'geen uitstaans' meer had.

De vordering is bijgevolg ongegrond.

3. De gerechtskosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding : 174,76 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op twaalf oktober tweeduizend en vier.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 10 art. 31 voorkomen