Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 14.03.2008
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK - twaalfde kamer
Rol nr. : 06/2008/A
Inzake :
C. BVBA, met ondernemingsnummer …, met zetel te …, ….
eiseres,
ter zitting vertegenwoordigd door meester H. V., advocaat te …, ….
tegen :
1. DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van het hoofd van het BTW-controlekantoor te Sint-Truiden 2, met kantoor te 3800 Sint-Truiden, Abdijstraat 6 bus 13.
2. DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12.
verweersters,
ter zitting vertegenwoordigd door meester M. C. loco meester E. D. N., advocaat te …, ….
I. Procedure
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
De rechtbank nam onder meer kennis van :
- het verzoekschrift op tegenspraak op 26 september 2006 ter griffie neergelegd;
- de neergelegde conclusies en stukken;
- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.
De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zittingen van 4 januari en 8 februari 2008.
II. De feiten
Eiseres is BTW-plichtige.
Op 8 juni 2006 begaf de heer I. D., fiscaal deskundige bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit en verbonden aan het Controlecentrum van Tienen zich naar de maatschappelijke zetel van eiseres om er een controle betreffende de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde aan te vangen en uit te voeren.
Hij verzocht eiseres hem inzage te verlenen van de volledige boekhouding en al de boeken, stukken en bescheiden waarvan het houden, opmaken, ontvangen, uitreiken, bewaren en voorleggen is voorgeschreven door de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en die betrekking hebben op de beroepswerkzaamheden door de belastingplichtige uitgeoefend tijdens de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004.
Aan de hand van de hem op die controledatum voorgelegde bescheiden werd eiseres in overtreding bevonden omdat vijf facturen in de jaren 2000, 2001 en 2002 telkens met als leverancier VZW S. D., voor een bedrag aan aftrekbare BTW van … euro niet aan de wettelijke voorwaarden voldeden om de aftrek uit te oefenen.
Er werd een boete opgelegd van … euro. Eiseres ondertekende de correctieopgave voor akkoord. Het bedrag van … euro werd op 4 juli 2006 door eiseres betaald.
Dit onderzoek was een gevolg van een strafrechtelijke procedure. Bij vonnis d.d. 3 oktober 2006 van de correctionele rechtbank te Leuven werd J.-P. C., als bestuurder van eiseres, veroordeeld om, met het bedrieglijk inzicht onrechtmatig BTW in mindering te brengen van de aangiften van eiseres, facturen op naam van de VZW S. D. te hebben laten opstellen, dewelke facturen vals waren, daar het gefactureerde bedrag veel hoger was dan het werkelijk verschuldigde en betaalde bedrag en om deze facturen in de boekhouding van eiseres te hebben opgenomen en betaald te hebben, en de op de facturen betaalde BTW in mindering gebracht te hebben van de aangiften van eiseres, terwijl het gefactureerde en betaalde bedrag voor een groot deel terugbetaald werd door de VZW aan de heer C., zonder dat de hiervoor noodzakelijke boekingen en creditnota’s werden opgesteld.
Bij schrijven d.d. 29 maart 2006 van de procureur-generaal bij het Hof van beroep te Brussel ontving de administratie machtiging tot het nemen van inzage en afschrift van dit strafdossier.
III. De vorderingen
Eiseres vordert "de terugbetaling te bevelen van het bedrag van … euro, verhoogd met de wettelijke intresten vanaf onderhavig verzoekschrift".
IV. Beoordeling
1. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist.
2. De BTW-wetgeving voorziet niet expliciet in het bestaan van onderzoekstermijnen. De bevoegdheid tot het uitvoeren van een onderzoek wordt aan de administratie gegeven met het doel de vestiging en invordering van de belasting. Indien de belasting verjaard is, is er geen reden om nog een onderzoek in te stellen en beschikt de administratie niet (meer) over de noodzakelijke bevoegdheid om een onderzoek in te stellen.
De bevoegdheid om een onderzoek uit te voeren, dient beoordeeld te worden in functie van de door de wet bepaalde verjaringstermijnen.
Dit werd trouwens bevestigd in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de beslechting van fiscale geschillen, waar te lezen staat :
"Bovenstaande benadering noopt bijgevolg tot de conclusie dat de opeisbaarheid van de belasting en de opeisbaarheid van de betaling ervan, meebrengen dat de vordering van de BTW uitsluitend afhankelijk kan gesteld worden van verjaring van deze vordering. Die omstandigheid vormt de grondslag van het feit dat de controlefase en de fase van de oorspronkelijke invordering van de belasting, één geheel vormen. Die twee fasen volgen dus niet op elkaar maar zijn met elkaar versmolten." (Parl. St. Kamer, 49-1341/1, 14).
3. De wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen heeft een oorspronkelijk verjaringstermijn van drie jaar ingevoerd (artikel 81bis, § 1, eerste lid, BTW-Wetboek).
4. Deze termijn wordt verlengd met twee jaar, en gebracht op vijf jaar, als de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 is begaan met het bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden (artikel 81bis, § 1, tweede lid, BTW-Wetboek). In dat geval echter dient de administratie, indien zij voornemens is deze verjaringstermijn toe te passen, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis te geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan (artikel 84ter BTW-Wetboek). Wanneer de administratie in deze verlengde termijn van twee jaar een onderzoek wenst te voeren, is zij voornemens om deze verjaringstermijn van vijf jaar toe te passen, en is zij verplicht voorafgaandelijk, dit wil zeggen vooraleer dit onderzoek aan te vatten, aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis te geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan.
5. Zelfs als men het standpunt volgt dat de voorafgaande kennisgeving geen noodzakelijke voorwaarde is voor het uitoefenen van de fiscale controle (M. MAUS, De Fiscale Controle, Die Keure, 2005, nr. 1066), dan nog dient vastgesteld te worden dat deze kennisgeving in de voorliggende zaak nooit verzonden werd zodat geen toepassing van de vijfjarige verjaringstermijn kan gemaakt worden voor de vestiging van de belasting.
6. De verjaringstermijn wordt echter op zeven jaar gebracht wanneer :
1° een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd medegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere Lid-Staat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, in verband met de belasting waarop die overeenkomst van toepassing is;
2° een rechtsvordering aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn;
3° bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn (artikel 81bis, § 1, derde lid, BTW-Wetboek).
7. Deze aanslagtermijn van zeven jaar is vergelijkbaar met de termijn die, wat de inkomstenbelastingen betreft, voorzien is in artikel 358 WIB 1992. Het was trouwens de bedoeling van de wetswijziging om de verjaringstermijnen inzake BTW af te stemmen op deze die van toepassing zijn voor de directe belastingen.
Deze aanslagtermijn heeft, wat de inkomstenbelastingen betreft, niet tot gevolg dat de onderzoekstermijn waarover de administratie beschikt wordt verlengd.
8. Er is geen reden om er anders over te oordelen voor wat betreft de BTW.
Tijdens de bespreking van het wetsontwerp betreffende de beslechting van fiscale geschillen verklaarde de vertegenwoordiger van de minister trouwens :
"Daarenboven mag men niet vergeten dat de onderzoeksbevoegdheid niet voor zeven jaar geldt doch uitsluitend voor vijf" (Parl. St. Senaat, 1-966/11, 40).
De verjaringstermijn van artikel 81bis, § 1, derde lid, BTW-Wetboek verleent aan de administratie slechts de mogelijkheid om de belasting te vestigen. Het is de administratie als dusdanig dan ook niet toegelaten om gedurende deze uitzonderlijke verjaringstermijn onderzoekshandelingen te stellen (M. MAUS, De Fiscale Controle, Die Keure, 2005, nr. 1067).
9. De correctieopgave is het gevolg van een controle die door de BTW-administratie werd uitgevoerd.
Verweerster schrijft zelf in haar conclusie dat zij geen toepassing kan maken van de vijfjarige verjaringstermijn (zie ook randnummers 4 en 5), maar toepassing maakt van de verjaringstermijn van zeven jaar. Deze verjaringstermijn laat haar niet toe onderzoekingen te doen. De controle die op 8 juni 2006 werd uitgevoerd is nietig, evenals de correctieopgave die er het gevolg van is.
10. Eiseres heeft recht op terugbetaling van het bedrag dat ingevolge de nietige controle en correctieopgave werd betaald.
11. Krachtens artikel 91, § 4 BTW-Wetboek zijn moratoire interesten over in te vorderen of terug te geven sommen die niet in de §§ 1, 2 en 3 zijn bedoeld, verschuldigd tegen de rentevoet in burgerlijke zaken en met inachtneming van de ter zake geldende regelen.
Verwijlintresten zijn verschuldigd krachtens artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek.
Eiseres heeft recht op verwijlintrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf de neerlegging van het verzoekschrift ter griffie.
12. Partijen gaan akkoord om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen op … euro. Geen van de partijen heeft gevraagd dit bedrag te verminderen of te verhogen.
Beschikkend gedeelte
V. Uitspraak
Dit vonnis wordt gewezen op tegenspraak en in eerste aanleg.
De vordering is ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.
De rechtbank veroordeelt verweerster om te betalen … (… euro), te vermeerderen met de verwijlintrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 26 september 2006.
De rechtbank veroordeelt verweerster tot de kosten. Deze kosten moeten voor verweerster niet begroot worden omdat zij ten hare laste blijven en worden voor eiseres begroot op … euro (rechtsplegingsvergoeding).
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 14 maart 2008, waar zetelden :
- de heer L. W., alleenzetelend rechter;
- mevrouw M. R., adjunct-griffier.
M. R. L. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.