Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 20.12.2000
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op twintig december tweeduizend in openbare zitting van de tweede F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
P. W., enig rechter,
G. G., griffier.
In zake : AR nr. 95/99276/A
S. NV, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te …, …,
eisende partij,
verschijnende bij Meester B. C. loco Meester V. D., advocaat, kantoorhoudende te …, ..,
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het eerste Ontvangkantoor van de BTW van Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4;
verwerende partij,
verschijnende bij Meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder M. V. in vervanging van gerechtsdeurwaarder J. D. B. te … op 20 januari 1995;
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 22 november 2000.
De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/80/94, uitgevaardigd op 21 december 1994 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27 december 1994 van nul en generlei waarde te horen verklaren, dienvolgens eiseres te horen ontslaan van alle in dit dwangbevel van haar gevorderde sommen en verweerder te horen veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en toegerekend werden op sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans vernietiging wordt gevorderd, en dit met vermeerdering met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 van het Wetboek van BTW en met de kosten van het geding.
Relevante feiten
Ingevolge een onderzoek van de BBI, waarvan de bevindingen werden opgenomen in haar proces-verbaal van 12 augustus 1994, werd vastgesteld dat eiseres in de periode 1991-1993 25 dure voertuigen heeft aangekocht van de hierna vermelde leveranciers, namelijk SC M.T.P., P. F., D. C., SC P. U., SA AB M., P. C. E., Garage de L'O., A. P., Garage A. en D. I. waarvan :
- eiseres de identiteit van de leverancier niet kan aantonen,
- eiseres niet kan aantonen dat zij de prijs en de BTW aan de leverancier heeft betaald,
- eiseres de levering niet kan aantonen,
- de aankoopfacturen niet conform zijn met de wettelijke voorschriften,
- de leveranciers van 3 voertuigen ontkennen deze voertuigen aan eiseres te hebben geleverd.
Volgens de BBI heeft eiseres voor deze 25 voertuigen aldus ten onrechte haar recht op aftrek uitgeoefend voor een totaal bedrag van 8.389.950 BEF.
Bij gebreke aan betaling van de verschuldigde BTW ten bedrage van 8.389.950 BEF en van de opgelopen geldboete ten bedrage van 16.779.900 BEF werd op 21 december 1994 een dwangbevel uitgevaardigd lastens eiseres.
Beoordeling
Betreffende de toelating van de Procureur-generaal tot inzage van het strafdossier
In het proces-verbaal van 12 augustus 1994 van de BBI wordt verwezen naar een verhoor van F. P. door de rijkswacht van … en naar een verhoor van M. V. door de rijkswacht van ….
Op 26 mei 1992 heeft de Procureur-generaal te Luik toelating verleend tot inzage en fotokopie name va het strafdossier lastens D. J.-M., P. F. en anderen aan de BBI te Namen.
Op 3 december 1992 heeft de Procureur-generaal te … toelating verleend tot inzage en fotokopie name van het strafdossier lastens V. M. aan de BBI te Namen.
Bijgevolg-heeft de BBI rechtmatig inzage genomen van deze strafdossiers zodat artikel 93quaterdecies, § 1, 3° lid van het Wetboek van BTW dan ook niet werd geschonden en de BTW navordering dan ook niet dient vernietigd te worden.
Betreffende het verzoek van eiseres om verweerder, op grond van artikel 877 Ger. W., te bevelen de stukken van deze strafdossiers voor te leggen die betrekking hebben op deze zaak
Verweerder is, conform artikel 93bis van het Wetboek van BTW, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis heeft gekregen, zodat verweerder deze stukken dan ook niet mag mededelen aan eiseres.
Conform artikel 59, § 1 van het Wetboek van BTW leveren de vaststellingen van de ambtenaren in de processen-verbaal het bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.
Er is geen enkele reden om te twijfelen dat de vermeldingen in de processen-verbaal omtrent de strafdossiers gesteund zijn op eigen waarnemingen van de ambtenaren van de BBI en door hen zelf materieel werden vastgesteld zodat deze vaststellingen dan ook het bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen.
Bovendien had eiseres zelf toelating tot inzage en kopie name van deze strafdossiers kunnen vragen aan de Heer Procureur-generaal, hetgeen haar met een gemotiveerd verzoek mogelijks zou verleend zijn, doch zij legt niet het minste bewijs voor dat zij hiertoe enige poging heeft ondernomen.
Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat het niet opportuun is om, met toepassing van artikel 877 Ger.W., verweerder te bevelen de stukken van deze strafdossiers voor te leggen.
Betreffende de onrechtmatige bijstand van douane-ambtenaren
Conform artikel 93quaterdecies, § 2 van het Wetboek van BTW kunnen alle inlichtingen, stukken, processen-verbaal of akten ontdekt of bekomen in het uitoefenen van zijn functie, door een ambtenaar van een fiscaal rijksbestuur, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der hierboven aangeduide diensten (zie § 1) door de Staat ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde sommen.
Elke ambtenaar van een fiscale administratie, die tot een controle overgaat van de fiscale wetgeving waarvoor hij bevoegd is, is ertoe gerechtigd de hem verleende macht tot navordering aan te wenden om inlichtingen in te zamelen in verband met andere belastingen, zonder dat daarbij onderscheid moet gemaakt worden naargelang de controlerende ambtenaar handelt uit eigen initiatief, ingevolge onderrichtingen van zijn eigen administratie, of om te voldoen aan de aanvraag van een partner-administratie (Memorie van Toelichting bij de wet van 20 augustus 1947).
Bijgevolg konden de douane-ambtenaren dan ook voldoen aan de aanvraag van een BBI-ambtenaar, belast met een BTW onderzoek, en hebben zij dan ook rechtsgeldig bijstand verleend zodat het dwangbevel dan ook niet dient vernietigd te worden.
Betreffende het recht op aftrek van de BTW op inkomende facturen
Conform artikel 45, § 1 van het Wetboek van BTW, waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgelegd, mag de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten bestemt voor zijn economische activiteit.
Opdat een belastingplichtige de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten zou mogen aftrekken, moet :
- conform artikel 2 van het KB nummer 3 van 10 december 1969 het recht op aftrek van die belasting ontstaan zijn en ontstaat dit recht op aftrek op de datum waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens de artikelen 17 en 22 van het Wetboek van BTW,
- conform artikel 3, § 1 van het KB nummer 3 van 10 december 1969 de belastingplichtige in het bezit zijn van een door zijn leverancier of dienstverrichter uitgereikte regelmatige factuur waarop hem inzonderheid de opeisbare belasting afzonderlijk wordt in rekening gebracht.
1) Ontstaan van het recht op aftrek
Conform artikel 17, § 1, eerste lid van het Wetboek van BTW vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop de levering van het goed plaatsvindt; de belasting wordt echter ook opeisbaar telkens wanneer zich, vóór de levering, één van de volgende feiten voordoet :
- de facturering van de prijs of een deel ervan,
- het ontvangen van de prijs of een deel ervan,
- het vervallen van de prijs of een deel ervan
en is in die drie gevallen de BTW slechts verschuldigd over het gefactureerde, betaalde of vervallen bedrag. Bij de latere levering wordt de belasting opeisbaar over het saldo.
Het is bewezen dat de hierboven vermelde leveranciers eiseres hebben gefactureerd in verband met de 25 voertuigen zodat de belasting dan ook opeisbaar was en bijgevolg voor eiseres in beginsel het recht op aftrek is ontstaan.
Uit het loutere feit dat deze leveranciers hun fiscale verplichtingen niet hebben nageleefd en aldus de BTW niet hebben afgedragen, kan geenszins worden afgeleid dat eiseres geen recht op aftrek heeft.
Anderzijds volstaat het louter bestaan van regelmatige facturen op zichzelf geenszins om het recht op aftrek te doen ontstaan.
Indien immers blijkt dat eiseres wist dat de facturen fictief waren, had zij geen recht op aftrek.
2) Regelmatige facturen
Conform artikel 3 van het KB nummer 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW moet eiseres, om haar recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit zijn van een factuur opgemaakt :
- overeenkomstig artikel 2 van het KB nummer 1 van 23 juli 1969 voor de facturen van 1991 en 1992,
- overeenkomstig artikel 5 van het KB nummer 1 van 29 december 1992 voor de facturen van 1993.
Bijgevolg moet eiseres in bezit zijn van regelmatige facturen en kunnen facturen waarop de verplichte vermeldingen ontbreken geen aanleiding geven tot recht op aftrek tenzij blijkt dat die vermeldingen geen nut hadden voor de inning van de BTW en voor de controle erop door de administratie (Cass. 19 september 1996, R.W., 1996-97, 1306.)
Wat naar de vorm onregelmatige facturen betreft, is de aftrek echter wel mogelijk wanneer er geen enkele twijfel over bestaat dat de verrichting werkelijk heeft plaats gevonden.
3) Rechtsgronden tot weigering van het recht op aftrek
Uit het proces-verbaal van 12 augustus 1994 van de BBI blijkt dat het recht op aftrek in eerste instantie werd geweigerd omdat de levering van de 25 voertuigen aan eiseres niet kon aangetoond worden en verder omdat bepaalde aankoopfacturen niet conform zijn met de wettelijke voorschriften.
Zoals hierboven vermeld is de aftrek van onregelmatige facturen toch mogelijk wanneer er geen enkele twijfel over bestaat dat de verrichting werkelijk heeft plaats gevonden. waaruit duidelijk blijkt dat volgens de BBI de verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
Er kan dan ook niet de minste betwisting over bestaan dat de BBI het recht op aftrek heeft geweigerd omdat de levering van de 25 voertuigen niet werd aangetoond en het proces-verbaal is hieromtrent zeer duidelijk en voldoende gemotiveerd zodat er dan ook geen enkele reden is om het dwangbevel annex proces-verbaal nietig te verklaren wegens schending van de wet Cerexhe.
4) Vaststellingen omtrent de leveringen en de facturen van de 25 voertuigen
De rechtbank is van oordeel dat het geheel van de hierna vermelde vaststaande, gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende gegevens, die op zichzelf en afzonderlijk onvoldoende zekerheid bieden, elkaar aanvullen en een rechtsgeldig vermoeden uitmaken en voldoende zekerheid bieden dat de facturen in verband met deze 25 voertuigen fictief zijn en dat eiseres het fictief karakter van deze facturen kende, namelijk :
- eiseres omtrent deze leveranciers niet de minste, precieze inlichtingen kan geven,
- eiseres de leveringen van deze voertuigen niet kan aantonen,
- eiseres de betaling van de prijs en de BTW aan deze leveranciers niet kan aantonen,
- de voertuigen met volgnummer 15, 16 en 17 op de overzichtslijst (zie proces-verbaal van 12 augustus 1994, blz. 13) werden door de bestuurder van eiseres, handelend als tussenpersoon voor de SA D. T., verkocht met vrijstelling van BTW aan de SC S. en door eiseres, diezelfde dag of de dag daarop, terug aangekocht via een factuur op naam van de SC P. U. aan een merkelijk lagere prijs, hetgeen duidelijk wijst op een constructie om BTW te ontduiken; hieruit blijkt duidelijk dat deze facturen aan eiseres fictief zijn, dat zij ten onrechte haar recht op aftrek heeft uitgeoefend en dat zij te kwader trouw is,
- het voertuig met volgnummer 21 op voornoemde overzichtslijst, gefactureerd op 30 september 1992 door P. C. E., onmogelijk aan eiseres kon geleverd worden, nu het bewezen is dat dit voertuig sedert 6 mei 1992 ingeschreven stond op naam van de NV I., dat op 8 maart 1993 deze inschrijving niet was doorgehaald, dat het voertuig zich op 12 maart 1993 bij de NV I. bevond en dat de afgevaardigde bestuurder op 12 maart 1993 verklaarde dat het voertuig sedert 17 april 1992 geleased werd en sedertdien onafgebroken onder zijn toezicht was geweest; ook hieruit blijkt duidelijk dat de factuur aan eiseres fictief is, dat zij ten onrechte haar recht op aftrek heeft uitgeoefend en dat zij te kwader trouw is,
- het voertuig met volgnummer 22 op voornoemde overzichtslijst, gefactureerd op 16 oktober 1992 door Garage de L'O., onmogelijk aan eiseres kon geleverd worden, nu het bewezen is dat de SA A. dit voertuig heeft aangekocht op 21 mei 1992 en heeft verkocht op 3 juni 1992 aan de SA S., die het tot 14 december 1992 in leasing gaf aan de SA A.; ook hieruit blijkt duidelijk dat de factuur aan eiseres fictief is, dat zij ten onrechte haar recht op aftrek heeft uitgeoefend en dat zij te kwader trouw is,
- de uitvoerdocumenten voor een aantal uitvoeren in de boekhouding van eiseres niet overeenstemmen met de documenten op het grenskantoor,
- de leverancier P. verklaarde enkel facturen te hebben verkocht tegen de prijs van 5.000 BEF per stuk,
- de leverancier D. C. verklaarde nooit voertuigen te hebben verkocht en blanco facturen voor voldaan te hebben ondertekend,
- de leverancier SC M.T.P in 1991 geen verhandelingen heeft verricht,
- de leveranciers SC P., SC P. E. en AB M. op de facturen onjuiste gegevens vermelden omtrent hun maatschappelijke zetel of benaming en/of de maatschappelijke zetels fictief waren; de verantwoordelijke van AB M. verklaarde eiseres noch haar bestuurder te kennen en deze facturen dan ook niet te hebben uitgereikt,
- de leveranciers Garage L'O. en Garage A. op hun facturen slechts de firmabenaming vermeldde,
- de leverancier A. P. op haar facturen slechts de firma-benaming vermeldde, terwijl deze verklaarde eiseres noch haar bestuurder te kennen en haar facturen een ander uitzicht hebben dan deze teruggevonden bij eiseres.
Bijgevolg is het bewezen dat de inkomende facturen van eiseres in verband met deze 25 voertuigen fictief zijn en een constructie zijn om BTW te ontduiken; het is evenzeer bewezen dat eiseres het fictief karakter van deze facturen kende zodat zij haar recht op aftrek ten onrechte en te kwader trouw heeft uitgeoefend.
Aangezien het bewezen is dat deze facturen fictief zijn, dient dan ook niet verder te worden nagegaan of zij regelmatig zijn en alle verplichte vermeldingen bevatten.
Betreffende overmacht
Zoals hoger vermeld is de kwade trouw van eiseres bewezen zodat er dan ook geen sprake kan zijn van overmacht.
Betreffende de geldboete
Zoals hoger vermeld is de betrokkenheid van eiseres aan deze BTW-fraude bewezen en het feit dat zij strafrechtelijk niet wordt verontrust, doet hieraan geen afbreuk.
Er is dan ook geen enkele reden om de uitspraak op te schorten tot er op strafrechtelijk vlak nog meer zekerheid zou zijn.
Het proces-verbaal is duidelijk en voldoende gemotiveerd om de hoogst mogelijke geldboete op te leggen zodat er dan ook geen schending is van de wet Cerexhe.
Nu het bewezen is dat eiseres te kwader trouw is en betrokken is in deze BTW-fraude, duidelijk met het oogmerk om belastingen te ontduiken, is een geldboete van 200 % dan ook wettelijk en in verhouding met de concrete gegevens van de zaak.
Aangezien de rechtbank in volledige objectiviteit van oordeel is dat een geldboete van 200 % opportuun is en aansluit bij deze feiten, is het dan ook niet relevant na te gaan of de rechtbank al dan niet de bevoegdheid heeft om deze geldboete kwijt te schelden of te verminderen.
Betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad
Conform artikel 92bis van het wetboek van BTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,
Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden :
- aan de zijde van verweerder begroot op 12.000 BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 6.450 BEF rechtsplegingsvergoeding,
- aan de zijde van eiseres begroot op 3.717 BEF dagvaardingskosten en op 12.000 BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 3.717 BEF dagvaardingskosten en 6.450 BEF rechtsplegingsvergoeding.
G. V. P. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.