Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 23.05.2006
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent – 5e kamer
Nr. 2004/AR/1279
- in de zaak van :
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging van de Administratie van de Invordering, sector BTW, in de persoon van de E.a. Inspecteur-Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, met kantoren te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1, 1e verdieping,
appellant,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. S. L., advocaat te …, …
tegen :
C. A., leraar, en zijn echtgenote, H. M., samenwonende te …, …,
geïntimeerden,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C. A., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 13 mei 2004 werd door de appellant tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 9 februari 2004 waarbij het verzet van de geïntimeerden tegen het dwangbevel, uitgevaardigd door E. D. D., eerstaanwezend inspecteur van het ontvangkantoor te Oostende op 5 maart 2003, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10 maart 2003, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10 maart 2003 door D. W., eerstaanwezend inspecteur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge en betekend op 2 april 2003 bij gerechtsdeurwaarders exploot, werd ingewilligd.
Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis te doen vernietigen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerden af te wijzen als niet gegrond, dit alles met veroordeling van de geïntimeerden in de kosten van de beide aanleggen.
Op hun beurt vorderen de geïntimeerden de bevestiging van het bestreden vonnis en derhalve het dwangbevel nietig te verklaren, minstens de boete te verminderen tot één tiende en te zeggen voor recht dat de geïntimeerden geen BTW meer verschuldigd zijn en het toepasselijke BTW-tarief de 6 % regeling betreft. Tevens wordt gevorderd een deskundige te benoemen met als opdracht het onroerend goed gelegen te …, …, gekend ten kadaster onder Sectie A nr. 801, zesde afdeling, te beschrijven, na te gaan welke werken er aan voormeld onroerend goed werden uitgevoerd op basis van de door de gemeente … op 23.10.2000 afgeleverde bouwvergunning, na te gaan of deze werken al dan niet de oprichting van een nieuwbouw betroffen, dan wel renovatie-, omvormings-, instandhoudings-, uitbreidings-, rehabilitatiewerken aan een bestaand. gebouw. Tenslotte vorderen de geïntimeerden de appellant te veroordelen in de kosten van de beide aanleggen.
Feitelijke gegevens
Op 23 oktober 2000 verleent de gemeente … een bouwvergunning aan P. R. en C. C. voor het verbouwen en uitbreiden van een ééngezinswoning in de …., te …. Op 26 januari 2001 wordt deze eigendom verkocht aan de geïntimeerden.
Met het oog op de vaststelling van het juiste tarief vond op 8 maart 2001 een BTW-controle plaats. De controlerende ambtenaar verklaart "vastgesteld te hebben dat de woning gelegen te … herbouwd wordt. De woning heeft een volledig nieuwe voorgevel en achteraan werd het woongedeelte uitgebreid. Enkel de beide gemeenschappelijke zijmuren van deze rijwoning zijn gebleven (...)".
Nadat de geïntimeerden een bouwaangifte hadden ingediend liet de administratie van de appellant weten dat de uitgevoerde werken hadden bijgedragen tot de oprichting van een nieuw gebouw dat diende onderworpen te worden aan het BTW-tarief van 21 %, dat een regularisatieopgave zou worden opgesteld teneinde de tekort gekweten BTW in te vorderen.
De eerste geïntimeerde liet weten daar niet mee akkoord te kunnen gaan daar de oppervlakte verminderd werd met ongeveer 20 % ten opzichte van de bestaande oppervlakte zodat hij voldeed aan de criteria om van een verminderd BTW-tarief te genieten.
Op 9 juli 2002 werd aan de geïntimeerden een regularisatieopgave overgemaakt. Daarin werd gesteld dat uit de vaststelling van 8 maart 2001 is gebleken dat de werken van die aard zijn dat zij overwegend betrekking hebben op en bijdragen tot de oprichting van een nieuw gebouw, zodat niet voldaan is aan de voorwaarden om het verlaagd tarief toe te passen zoals voorzien in het K. B. 20 van het BTW-Wetboek. In de correctieopgave werd een te betalen bedrag vooropgesteld van … EUR en een boete van … EUR.
De eerste geïntimeerde liet opnieuw weten niet akkoord te kunnen gaan in volgende bewoordingen : "(...) Uw aangehaalde vaststelling en proces-verbaal van 8 maart 2001 is ons totaal onbekend en werd ons noch toen, noch tot op heden aan ons medegedeeld. Wijzelf hebben het grootste gedeelte van de goedgekeurde afbraakwerken uitgevoerd en kunnen hiervoor alle bewijsstukken voorleggen (afbraakkosten, containervervoer, stutwerken, enz). Bovendien werden de grondwerken en de plaatsing van regenwaterput en afvalwaterput uitgevoerd, wat de afbraak en nadien herstel van de achtermuur en poort noodzakelijk maakte. De verbouwing werd volledig uitgevoerd zoals opgegeven bij het goedgekeurde verbouwingsplan, wat o.m. inhield dat de realisering van deze vorm van verbouwing zeker nooit door ons zou zijn beslist, indien een totale nieuwbouw zou zijn vooropgesteld. We hebben deze verbouwing aangegaan omdat zij als bouwwerk de voorwaarde inhield van het verlaagde tarief aan 6 % (...)".
Tevens benadrukt de eerste geïntimeerde dat hij te goeder trouw heeft gehandeld en vroeg hij een duplicaat van het opgemaakte P.V., hetgeen door de administratie bij brief van 6 augustus 2002 werd overgemaakt. De fiscus wees er nog op dat de gemeente … sprak van heroprichting met uitbreiding van een rijwoning en dat ook de aantekeningen in het kadaster betrekking hebben op het herbouwen.
Nadien volgt nog een briefwisseling tussen de partijen waarin iedere partij op zijn standpunt blijft. Volgens de administratie betreft het geen verbouwing doch wel een heroprichting van een gebouw met uitbreiding. Volgens de geïntimeerden betreft het "verbouwings- en uitbreidingswerkzaamheden aan een bestaand vergund woongebouw". De bouwaanvraag had volgens hen betrekking op de afbraak van aanhorigheden, binnenverbouwingen, uitbreiding van de woning met dakkapellen en met een gelijkvloerse uitbouw van de leefruimte achteraan.
Gezien geen akkoord kon worden bereikt werd op 11 oktober 2002 een proces-verbaal opgesteld. Wegens niet betaling volgde een dwangbevel, waartegen door de geïntimeerden verzet werd aangetekend.
De eerste rechter willigde de vordering van de geïntimeerden in en stelde dat het ging om omvormingswerken en niet over de bouw van een nieuwe woning.
Door de appellant werd hoger beroep ingesteld. Volgens de appellant werd het oorspronkelijk pand volledig afgebroken en steunen de bouwwerken niet op de wezenlijke elementen van de structuur van het oude gebouw. Op grond van de kwalificatie van de bouwwerken door de gemeente …, de administratie van het kadaster, ja zelfs van de geïntimeerden en rekening houdend met de vaststellingen ter plaatse en de bouwplannen is de appellant van oordeel dat de eerste rechter een verkeerde inschatting heeft gemaakt.
Beoordeling
1. Voorafgaandelijk voerden de geïntimeerden aan dat nergens wordt aangegeven op welke wijze de "Federale Overheidsdienst Financiën" in de rechten trad van het Ministerie van Financiën ofschoon er geen overdracht van schuldvordering werd betekend.
Volgens artikel 1 van het K.B. van 17 februari 2002 werd de federale overheidsdienst financiën opgericht onder het gezag van de Minister tot wiens bevoegdheid financiën behoren. Luidens art. 2, § 1 heeft de FOD Financiën tot opdracht de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van het beleid inzake belastingen (...) en inzake vorderingen van verschillende overheden. Art. 2, § 3 bepaalt dat de FOD Financiën de diensten van het Ministerie van Financiën overneemt. Derhalve werd het dwangbevel regelmatig uitgevaardigd door de Federale Overheidsdienst Financiën.
2. In een tweede voorafgaand middel wierpen de geïntimeerden op dat het dwangbevel niet mocht worden geviseerd door iemand anders dan de gewestelijke directeur. Naar luid van artikel 85, § 1 BTW-Wet nochtans mag het dwangbevel door een door de gewestelijke directeur aangewezen ambtenaar geviseerd en uitvoerbaar worden verklaard, hetgeen te dezen gebeurde op 14 oktober 2002. Het BTW-wetboek omschrijft verder niet hoe die delegatie moet worden verleend. Er zijn geen redenen om aan de echtheid van deze delegatie te twijfelen.
3. Alwaar werken in onroerende staat overeenkomstig art. 1, 3° van het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, zoals dat besluit toen van toepassing was, onderworpen waren aan het BTW-tarief van 20,5 % kunnen onder bepaalde voorwaarden dergelijke werken genieten van het verlaagd tarief van 6 %. Volgens rubriek XXXI van tabel A van voormeld K.B. gaat het om werken die de "omvorming, renovatie, de rehabilitatie, de verbetering, de herstelling of het onderhoud van een bestaande privé-woning, ouder dan 20 jaar, tot voorwerp hebben".
De betwisting betreft het antwoord op de vraag of de door de geïntimeerden uitgevoerde werken aan hun woning in de … te … moeten worden beschouwd als een "omvorming, verbouwing" dan wel als een nieuwbouw. Inzonderheid moet worden nagegaan of deze werkzaamheden de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging geheel of ten dele tot voorwerp hebben.
De wetgever heeft voormelde handelingen niet nader gedefinieerd. Wel werd in een aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 het verlaagd tarief van 6 % in de onroerende sector toegelicht.
Onder "omvorming" wordt aldaar verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van de bestaande vertrekken of "wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en inzonderheid op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw". Als nieuwbouw wordt aangemerkt "het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in het geval van behoud der funderingen en kaders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur".
Alhoewel de circulaires geen bindend karakter hebben, moet vastgesteld worden dat de administratieve invulling van de begrippen "omvorming, verbouwing" in de circulaire nr. 6 van 22 augustus 1986 veel breder is dan de wettekst zelf zodat aan de begrippen omvorming, verbouwing de gebruikelijke betekenis moet worden gegeven, gezien niet blijkt dat de wetgever van deze gebruikelijke betekenis heeft willen afwijken.
De door het K.B. gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging" onderstellen een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw wordt overgegaan.
4. Volgens de beschrijvende nota bij het indienen van een bouwaanvraag heeft deze betrekking op "verbouwings- en uitbreidingswerkzaamheden aan een bestaand vergund woongebouw" . Het betreft de aanpassing van een woning aan de hedendaagse noden en comforteisen door herinrichting volgens de behoeften van de hedendaagse samenleving.
Uit het proces-verbaal van vaststelling op 8 maart 2001 blijkt dat de woning herbouwd werd. De woning heeft een volledig nieuwe voorgevel en achteraan werd het woongedeelte uitgebreid. Enkel de beide gemeenschappelijke zijmuren van deze rijwoning zijn gebleven.
Wanneer deze vaststellingen gelegd worden naast de lijst van de uit te voeren werkzaamheden (zie de offerte NV W.-K.) , dan overstijgt de omvang van de uitgevoerde werkzaamheden het begrip verbouwing zodat de vermelding "verbouwings- en uitbreidingswerkzaamheden" op zichzelf niet determinerend is.
Op grond van de voorliggende stukken is gebleken dat nagenoeg alle bestaande binnenmuren werden afgebroken (WC, keuken en bergplaats), dat de dakbedekking en de dakconstructie boven de berging en het hoofdgebouw werd weggenomen alsmede de roosteringen en de plankenvloer zodat eigenlijk nog de buitenmuren overbleven (zie de rubriek afbraakwerken in de offerte).
Wat de voorgevelmuur betreft, houdt de appellant staande - daarbij verwijzend naar de vaststellingen van 8 maart 2001 - dat ook deze voorgevelmuur compleet werd vernieuwd. De geïntimeerden daarentegen menen dat de voorgevel werd behouden en dat enkel de voordeur werd opgeschoven.
Een loutere vergelijking van het fotodossier van de geïntimeerden wijst reeds het tegendeel uit (stukken B3 en B5). Zowel de voordeur als de twee vensters werden verplaatst en hebben niet dezelfde breedte. Bovendien worden de vaststellingen de visu van de heer V. niet weerlegd door de geïntimeerden. Het komt niet bewezen voor dat de dragende steunmuren van de voorgevel behouden bleven.
Volgens de geïntimeerden werd de achtergevel gedeeltelijk behouden. Waar vaststaat dat het gelijkvloers werd vergroot met een leefruimte, kan de nieuwe achtergevel zich niet op dezelfde plaats bevinden als de oude. Stuk 17 van de appellant laat daaromtrent geen twijfel bestaan. Dit is duidelijk te zien op het nieuwe grondplan, aangezien de oude muren hierop met stippellijn en gearceerd werden uitgetekend. De oude achtergevel werd nagenoeg volledig afgebroken.
Een visuele voorstelling van de uitgevoerde werken dwingt de overtuiging af dat nagenoeg gans de oude bestaande woning werd afgebroken en compleet werd vernieuwd met inbegrip van daktimmer- en schrijnwerken, ruwbouwwerken, pleisterwerken, chapewerken, voegwerken, betegeling, technische uitrustingen (riolering, sanitair, elektriciteit, centrale verwarming) en keuken.
Deze complete vernieuwing is meer dan een verbouwing en betreft in wezen een nieuwbouw. Dit gaat verder dan het saneren en uitbreiden van een woning. Het opgerichte bouwwerk heeft een eigen identiteit gekregen. Ook in de bouwtoelating is sprake dat het de heroprichting met uitbreiding betreft van een rijwoning . De benoeming van een deskundige komt in de gegeven concrete omstandigheden niet opportuun voor.
Aan voormelde vaststellingen doet geen afbreuk het feit dat de bewoonbare oppervlakte is verminderd van 92,74 m2 tot 72 m2, evenmin als de bewoordingen vermeld op het bouwplan. Het feit dat de vergunning betrekking had op afbraak van aanhorigheden, binnen verbouwingen en uitbreiding van de woning met een gelijkvloerse uitbouw op het gelijkvloers verhindert niet dat de appellant de werken anders kwalificeert en heeft niets van doen met het begaan van een bouwovertreding.
Het hoger beroep van de appellant is derhalve gegrond.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Doet het bestreden vonnis teniet behoudens waar het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart en opnieuw wijzende.
Wijst de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerden af als ongegrond.
Veroordeelt de geïntimeerden in de kosten van de beide aanleggen en begroot deze kosten als volgt :
- aan de zijde van de appellant:
* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR
* uitgavenvergoeding … EUR
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR
- aan de zijde van de geïntimeerde :
* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op DRIEËNTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN ZES.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.