Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 18.02.2002
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent – 11e Kamer
Nr. 1996/AR/1522
In de zaak van :
P. L. S. B. S. NV, met zetel te … (…), …, ingeschreven in het handelsregister te …, onder het nummer …
appellante,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. V. B. J. loco T. R., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Hoofdcontroleur van het 3e BTW-controlekatoor te Gent, wiens kantoren gevestigd zijn te 9000 Gent Ramen 1,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. D. C., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
Bij verzoekschrift neergelegd op 29 juni 1998 werd door de appellante tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken op 28 januari 1998 door de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent waarbij de vordering van de appellante tot teruggave van het door haar betaald bedrag van € … (… BEF), te vermeerderen met de moratoire intresten die verschuldigd zijn bij toepassing van art. 91, § 3 W.BTW vanaf de datum van dagvaarding van de geïntimeerde met ingebrekestelling op 3 mei 1996 wat het bedrag van € … (… BEF) betreft en vanaf de latere betalingsdata, zijnde 6 mei 1996 op een bedrag van € … (… BEF), op 5 juni 1996 op een bedrag van € … (… BEF) en 7 juli 1996 op een bedrag van € … (… BEF) slechts ten dele werd ingewilligd.
Dienaangaande besliste de rechtbank “Ontvangt het verzet en verklaart het in de hierna bepaalde mate gegrond :
Bepaalt de fiscale geldboete door de eiseres op verzet verschuldigd op € … (… BEF) en de administratieve geldboete op € … (… BEF), onverminderd de nalatigheidsinterest bij toepassing van artikel 91, § 1, Wetb. BTW.
Gelet op de door de eiseres op verzet gedane betalingen, veroordeelt de verweerder op verzet om aan de eiseres op verzet al de bedragen terug te betalen die door deze laatste boven die € … (… BEF) (vermeerderd met de nalatigheid) betaald werd, te vermeerderen met de verwijlinterest vanaf de dagvaarding van 3 mei 1996 (van € … (… BEF) en op de dag der betaling van het saldo)”.
Het hoger beroep van de appellante strekt er toe het bestreden vonnis te doen vernietigen en strekt er toe zoals nader gespecificeerd in conclusies :
- in hoofdorde : te doen zeggen voor recht. dat de appellante het bewijs heeft geleverd van de echtheid van de door de BVBA D. tijdens de jaren 1991 en 1992 gefactureerde diensten, zodat de BTW op deze facturen op grond van artikel 45, § 1 W.BTW in aftrek mocht worden gebracht en derhalve de Belgische Staat te veroordelen tot teruggave van het totaal door de appellante betaald bedrag van € … (… BEF), te vermeerderen met moratoire intresten die verschuldigd zijn bij toepassing van artikel 91, § 4 W.BTW, vanaf datum van dagvaarding met ingebrekestelling op 3 mei 1996 (voor het bedrag van € … (… BEF) en vanaf de latere betalingsdata (6 mei 1996 : € … - … BEF; 5 juni 1996 : € … - … BEF en 7 juli 1996 : € … of … BEF), meer de gerechtelijke intresten;
- in bij komende orde :
in eerste bijkomende orde :
te zeggen voor recht dat bij toepassing van art. 1, lid 1, 2° van het KB. nr. 41 van 30.01.1987 slechts een fiscale boete van 10 % van de in aftrek gebrachte BTW kan worden weerhouden te weten € …;
in tweede bijkomende orde :
de administratieve geldboete, gelet op de toepassing van art. 6 EVRM kwijt te schelden, minstens te verminderen en derhalve de Belgische Staat te veroordelen tot teruggave van de door appellante ten titel van geldboete betaalde sommen, verhoogd met moratoire intresten (op grond van art. 91, § 4 W.BTW) vanaf datum van dagvaarding met ingebrekestelling van 3 mei 1996 (voor het op dat ogenblik betaald bedrag van € … of … BEF en de latere betalingsdata, en gerechtelijke intresten.
Dit met veroordeling van de Belgische Staat in de kosten van de beide aanleggen.
Da geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis daar waar het vaststelt dat appellante een bedrag van € … of … BEF verschuldigd is als BTW wegens het ten onrechte in aftrek brengen van de BTW welke vermeld was op de door de appellante ontvangen facturen van de BVBA D. en het vonnis te vernietigen daar waar het stelt dat de appellante zowel een fiscale geldboete verschuldigd is van € … of … BEF als een administratieve geldboete van € … of … BEF en derhalve de door de appellante verschuldigde geldboete vast te stellen op € …, hetzij tweemaal het bedrag van de verschuldigde belasting of 2 x € … of … BEF wegens het ten onrechte in aftrek brengen van de BTW vermeld op de door de appellante van de BVBA D. ontvangen fictieve facturen.
Dienvolgens vordert de geïntimeerde de appellante in al haar andere eisen af te wijzen en inzonderheid in haar eis tot terugbetaling van de som van € … of … BEF, bedrag dat de appellante reeds heeft betaald tot aanzuivering van de door de geïntimeerde geëiste bedragen, dit alles met veroordeling van de appellante in de kosten van de beide aanleggen.
Ook dit incidenteel beroep van de geïntimeerde is tijdig en regelmatig.
Feitelijke gegevens :
De appellante de NV PLS-B. S. is wegens haar geregelde activiteit van handel in sanitaire-, sport en cosmetische apparatuur geregistreerd als BTWbelastingplichtige en is in die hoedanigheid onderworpen aan de BTW-Wetgeving.
Tijdens een BTW-controle op 21 februari 1995 die betrekking had op de periode van 1 januari 1991 tot en met 31 december 1993 werd vastgesteld dat de appellante in haar boekhouding aankoopfacturen had opgenomen van de BVBA D.. Volgens de verificateur bij de BTW waren de door de BVBA D. uitgereikte facturen fictief wegens het feit dat de gefactureerde diensten niet werkelijk werden gepresteerd zodat de appellante ten onrechte de BTW op deze facturen in aftrek had gebracht.
Eén en ander werd vastgelegd in een P.V. opgemaakt op 9 februari 1996 waaruit volgens de verbalisant moest blijken dat :
- de appellante niet objectief kon aantonen dat de door de BVBA D. gefactureerde prestaties “werkelijk werden verricht”;
- dat. een groot aantal klanten van de BVBA D. hadden toegegeven dat zij van de BVBA D. fictieve facturen hadden ontvangen in de jaren 1991, 1992 en 1993.
Uit voormeld proces-verbaal blijkt dat de appellante € … of … BEF verschuldigd was aan BTWrechten, € … of … BEF aan boeten meer intresten, hetzij in het totaal € … of … BEF.
Niettegenstaande de appellante met de inhoud van het P. V. niet akkoord ging heeft zij de gevorderde BTW betaald op basis van een afbetalingsplan, waarna zij bij dagvaarding de volgens haar onverschuldigde BTW terug vorderde.
Wat de verschuldigde BTW-rechten betreft wees de eerste rechter de vordering af om reden dat de appellante niet op afdoende wijze het bewijs zou hebben geleverd dat de facturen beantwoordden aan effectieve diensten. Wat de opgelegde geldboete betreft oordeelde de eerste rechter dat slechts een boete kon worden opgelegd van 10 % bij toepassing van art. 70, § 1 en art. 84, lid 3 W.BTW en art. 1, lid 1, 2° van het KB nr. 41 van 30 januari 1987, doch besliste niettemin de administratieve geldboete t.b.v. € … of … BEF te handhaven.
In rechte : nopens de (fictieve) facturen.
In haar beroepsakte stelt de appellante dat de geïntimeerde niet betwist dat de betwiste facturen van de BVBA D. regelmatig zijn naar de vorm en opgesteld zijn overeenkomstig art. 2 van het KB nr. 1 van 23 juli 1969. Deze regelmatige factuur creëert volgens haar een weerlegbaar vermoeden dat de in rekening gebrachte BTW in aftrek kan worden gebracht, derwijze dat bij een regelmatige factuur de bewijslast op de administratie rust dat de factuur fictief is.
De appellante verwijst daartoe naar een uitspraak van het Hof van Justitie van 5 december 1996 waarbij werd gesteld dat het bewijs van de uitoefening van het recht tot aftrek, of nog het bewijs dat de handeling werkelijk heeft plaats gevonden dient te gebeuren door overlegging van de originele facturen ofwel bij gebreke aan originele facturen door andere middelen.
Volgens de appellante maakt de eerste rechter ten onrechte geen onderscheid tussen een regelmatige en een onregelmatige factuur. Bovendien werden door de afgevaardigde beheerder van de appellante documenten overgelegd waaruit moet blijken dat de gefactureerde prestaties effectief plaats vonden.
Volgens de appellante wordt het fictief karakter van de betwiste facturen evenmin aangetoond door te steunen op de verklaringen van bestuurders en/of zaakvoerders van verschillende vennootschappen in Brussel aan wie de BVBA D. eveneens diensten zou hebben gefactureerd. Immers de bewijswaarde van een proces-verbaal inzake BTW (art. 59, § 1, lid 2 W.BTW) is beperkt tot de werkelijke vaststellingen van de verbalisanten en strekt zich niet uit tot de gevolgtrekkingen die de administratie daaruit heeft afgeleid.
De geïntimeerde daarentegen stelt dat voor het uitoefenen van de aftrek van voorbelasting zoals geregeld door artikel 45, § 1 W.BTW dat zowel de herkomst (en dus ook het werkelijk bestaan) van de levering of de dienst, als het gebruik dat ervan zal worden gemaakt door de belastingplichtige moet worden aangetoond. Het louter bezit van een factuur waarop BTW in rekening werd gebracht volstaat niet om een recht op aftrek te verkrijgen, ook niet indien die factuur alle wettelijke vermeldingen bevat die voorgeschreven zijn volgens de BTW-Wetgeving.
De geïntimeerde houdt staande dat het feit dat het gaat om fictieve aankoopfacturen ondersteund wordt door een aantal objectieve vaststellingen door de controleagent in de boekhouding en op grond van vaststellingen gedaan bij de beweerde “leverancierdienstverrichter” de BVBA D. en bij andere "afnemers" van fictieve facturen van de BVBA D..
De vraag die thans aan het Hof wordt onderworpen is te weten of een naar de vorm regelmatige factuur op zich een voldoende bewijs vormt dat de wettelijke voorwaarden voor het bestaan van het recht op aftrek vervuld zijn.
Voor de periode waarin de overtredingen werden vastgesteld was art. 45, § 1 W.BTW van toepassing en luidde als volgt :
"Op de belasting die hij verschuldigd is ter zake van de door hem verrichte leveringen en diensten mag de belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten en van de door hem ingevoerde goederen voor zover hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :
1° handelingen onderworpen aan de belasting;
2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 43;
3° handelingen in het buitenland waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;
4° (.... niet terzake)”.
Uit de lezing van de tekst volgt dat de bewijslast van het bestaan van een recht op aftrek berust bij de belastingplichtige. Het is de appellante die moet aantonen dat de BTW-aftrek betrekking heeft op goederen en diensten die werkelijk werden ontvangen en die gebruikt worden voor haar belaste activiteit. Het is derhalve de appellante die moet bewijzen dat zij in de wettelijke omstandigheden verkeert om dit recht op aftrek te mogen uitoefenen. Een naar de vorm regelmatige factuur is slechts een bewijselement zodat het louter bezit van een factuur waarop BTW in rekening werd gebracht niet volstaat voor de uitoefening van het recht op aftrek.
De verwijzing door de appellante naar het arrest van het Hof van Justitie van 5 december 1996 (Reisdorf) is niet relevant daar dit niet zozeer betrekking heeft op de uitoefening van het recht op aftrek dan wel op het bewijs ervan. Dit arrest heeft enkel gesteld dat wanneer een belastingplichtige het origineel van zijn factuur verliest deze met andere middelen mag bewijzen dat de handeling waarop het verzoek tot aftrek betrekking heeft werkelijk heeft plaats gevonden.
Ten onrechte leidt de appellante daaruit af dat het bezit van een originele factuur de belastingplichtige vrijstelt de realiteit van de gefactureerde diensten of leveringen aan te tonen.
In dit verband kan nog nuttig verwezen worden naar een ander arrest van het Hof van Justitie van 13 december 1989 (Genius Holding) waarbij gesteld werd dat de uitoefening van het recht tot aftrek zich niet uitstrekt tot de belasting die uitsluitend verschuldigd is op grond van de vermelding ervan op de factuur.
Daaruit volgt dat er geen aftrek bestaat op het louter vermelden op de factuur van de verschuldigde BTW zonder dat daar tegenover een belastbare handeling (levering of dienst) staat.
Uitgaande van voormelde wettelijke bepalingen heeft de geïntimeerde de aftrek op de facturen van de BVBA D. verworpen omdat deze facturen volgens de geïntimeerde fictief waren daarbij verwijzend naar een aantal vaststellingen van de controleagent in de boekhouding en op grond van vaststellingen gedaan bij de beweerde leverancier-dienstverrichter'' de BVBA D. en bij andere afnemers van fictieve facturen van de BVBA D., welke vaststellingen werden vastgelegd in een P.V. van 9 februari 1996.
Overeenkomstig art. 59, § 1 W.BTW heeft een procesverbaal opgesteld door een ambtenaar van het Ministerie van Financiën bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel.
De bewijswaarde geldt alleen voor de werkelijke, effectieve vaststellingen in de strikte zin van het woord en niet voor de gedane deducties uit de gedane vaststellingen.
In het P V. van 9 februari 1996 wordt onder meer vastgesteld :
“Bovendien werd mij door de heer M. L., Inspecteur verbonden aan de BBI Mons 2 op 3 februari 1995 ter kennis gebracht dat bij diverse vennootschappen in Brussel gelijkaardige facturen uitgereikt door de BVBA D. in de boekhouding werden ingeschreven. Door de verantwoordelijken van deze vennootschappen werd toegegeven dat deze facturen vals zijn, aangezien de erop omschreven prestaties geenszins werden verricht.
In casu gaat het met betrekking tot
- het jaar 1991 om 6 van de 12 afnemers van de BVBA D., hetgeen 54 % van haar omzetcijfer vertegenwoordigt;
- het jaar 1992 om 6 van de 11 afnemers van de BVBA D., hetgeen 83 % van haar omzetcijfer vertegenwoordigt;
- het jaar 1993 om 6 van de 8 afnemers van de BVBA D., hetgeen 85 % van haar omzetcijfer vertegenwoordigt”;
Voormelde vaststellingen zijn niet het resultaat van de persoonlijke vaststellingen van de verbalisant zelf. Nog afgezien van het feit dat deze verklaringen niet werden overgelegd werden deze niet afgelegd t.o.v. verbalisant F.. Het P.V. stelt enkel het feit vast dat verbalisant F. van de heer L. vernam dat diverse vennootschappen (welke?) verklaringen hebben afgelegd m.b.t. beweerde fictieve facturen van de BVBA D..
De juistheid van de afgelegde verklaringen komt pas vast te staan indien er andere elementen in het dossier aanwezig zijn op grond waarvan tot de juistheid van de verklaringen van derden moet worden besloten. Dienaangaande worden er geen concrete en controleerbare gegevens overgelegd waaruit met zekerheid kan worden afgeleid dat de door de BVBA D. op naam van de appellante opgestelde facturen fictief zouden zijn.
Deze vaststelling deed de eerste rechter besluiten dat uit de weinige gegevens die de geïntimeerde heeft verstrekt de juiste toedracht van de feiten niet kon worden afgeleid zodat niet met voldoende zekerheid kon besloten worden dat de desbetreffende facturen die zich in de boekhouding van de appellante bevonden vals zijn en dat deze laatste wetens willens heeft meegewerkt aan een circuit van valse facturen.
Desalniettemin oordeelde de eerste rechter dat de betwiste facturen niet beantwoorden aan effectieve leveringen omdat de appellante op vraag van de verbalisant geen contracten, dossiers, verslagen en scripties kon voorleggen ter staving van de prestaties geleverd door de BVBA D..
Daartegenover stelt de appellante dat de door haar overgelegde documenten (kopies van offertes, kopies van publiciteit, brieven van cliënteel, schetsen van stands, kopies van orderbevestiging, kopies van agenda's en prijsopgave van de BVBA D.) de werkelijkheid van de gepresteerde prestaties van de BVBA D. aantonen.
De geïntimeerde daarentegen stelt op haar beurt dat de door de appellante verzamelde bewijsstukken een samenraapsel zijn van fotokopies van in vak-, dag-, week- of maandbladen gepubliceerde advertenties alsmede een aantal stukken die geenszins het bewijs leveren van het bestaan van enige effectief door de BVBA D. voor de appellante uitgevoerde prestaties. Zij voegt eraan toe dat de appellante zichzelf een bewijs heeft verschaft op basis van eenzijdige verklaringen van haar zaakvoerder W. C. die echter op geen enkele concrete manier werd onderbouwd.
De geïntimeerde verwijst dienaangaande herhaaldelijk opnieuw naar het feit dat de BVBA D. als leverancier van fictieve facturen moet worden beschouwd. Zoals reeds gesteld is de beweerde carrousel van valse facturen opgezet door een Franstalige dienstverrichter waarbij als afnemer de BVBA D. wordt genoemd onvoldoende concreet en controleerbaar om te besluiten tot het fictief karakter van deze facturen. De loutere bewering dat een zogenaamde onder aanneemster fictieve facturen heeft opgesteld is op geen enkele manier na te trekken.
Uit de omstandigheid dat een Franstalige dienstverrichter fictieve prestaties zou hebben verricht voor de BVBA D. kan niet worden afgeleid dat ook de prestaties van de BVBA D. fictief zijn. Uit niets blijkt dat de zaakvoerder van de appellante contacten had met voormelde onder aanneemster en niet met de BVBA D..
Het Hof herhaalt dat op basis van de voorhanden zijnde gegevens de juiste toedracht van de feiten niet kan worden afgeleid waardoor zou komen vast te staan dat de appellante heeft meegewerkt aan een circuit van valse facturen.
Voor het overige toont de appellante op voldoende wijze aan dat de prestaties die het voorwerp waren van bovenvermelde facturen wel degelijk beantwoorden aan de werkelijkheid. Overigens wordt niet betwist dat alle facturen werden betaald hetzij via kas, hetzij via overschrijving. Dienaangaande wordt in het P.V. uitdrukkelijk gesteld dat de facturen van de BVBA D. regelmatig waren geboekt in het aankoopjournaal van de appellante en in de verkoopsadministratie van de BVBA D. .
De door haar overgelegde documenten, kopies van offertes, kopies van publiciteit, brieven aan cliënteel, schetsen van stands, kopies van orderbevestiging, kopies van agenda's en prijsopgave van de BVBA D. tonen de werkelijkheid van de gepresteerde prestaties van de BVBA D. aan.
Uit wat voorafgaat volgt dat de geïntimeerde ten onrechte de door de appellante verrichte aftrek van BTW op facturen haar uitgereikt door de BVBA D. gedurende de jaren 1991 en 1992 heeft verworpen.
Nu de BTW-aftrek ten onrechte werd verworpen dient de problematiek van de BTW-boeten niet verder te worden onderzocht, zodat de door de appellante in hoofdorde gestelde vordering dient te worden ingewilligd.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op art. 24 van de Wet var. 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Verklaart het hoger en incidenteel beroep toelaatbaar en erover beslissend;
Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende;
Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellante toelaatbaar en gegrond en veroordeelt de Belgische Staat tot teruggave aan de appellante van het totaal door haar betaald bedrag van € … (… BEF), te vermeerderen met moratoire intresten die verschuldigd zijn bij toepassing van artikel 91, § 4 W.BTW, vanaf datum van dagvaarding met ingebrekestelling op 3 mei 1996 voor het bedrag van € … (… BEF) en vanaf de latere betalingsdata, hetzij vanaf 6 mei 1996 op € … - … BEF, hetzij vanaf 5 juni 1996 op € … - … BEF en hetzij vanaf 7 juli 1996 op € … of … BEF, meer de gerechtelijke intresten.
Veroordeelt de geïntimeerde tevens in de kosten van de beide aanleggen :
- aan de zijde van de appellante begroot op :
* verzetsakte € … (… BEF)
* rechtslegingsvergoeding eerste aanleg € … (… BEF)
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep € … (… BEF)
- aan de zijde van de geïntimeerde begroot op :
* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg € … (… BEF)
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep € … (… BEF)
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op ACHTTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN TWEE.
Aanwezig :
Mevrouw N. v. I., Voorzitter
De heer A. D. M., Raadsheer,
Mevrouw S. D. B., Raadsheer,
De heer M. V., griffier.
M. V. S. D. B. A. D. M. N. v. I.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.