Teruggaaf van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 24 maart 2010

Zoeken

Teruggaaf van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-rechtbank-hasselt-2010-03-24-4b36

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
24 maart 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

60 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 24.03.2010

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER C, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE A.R. nr. 07/1812/A :

N. S., werknemer, wonende te …, ….

Eiser, vertegenwoordigd door mr. L. P. loco mr. T. X., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-controlekantoor te Tongeren, Verbindingsstraat 26.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

Verweerder, vertegenwoordigd door mr. D. D. loco mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- op de dagvaarding betekend door gerechtsdeurwaarder E. S. te … op 20.07.2000;

- het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Tongeren dd. 29.09.2000;

- de conclusies, de aanvullende, de syntheseconclusies en stukken van eiser;

- de conclusies, de besluiten na vonnis, de synthesebesluiten en stukken van verweerder.


I. DE FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiser werd als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het BTW-nummer … vanaf 01.10.1993.

Hij verrichtte dienstprestaties onderworpen aan de BTW voor de vennootschap C. D. S..

Eiser factureerde zijn vaste maandelijkse prestaties.

De sociale inspectie voerde een controle uit op de zetel van het Belgisch filiaal van de vennootschap C. D. S. en was van mening dat eiser een schijnzelfstandige was en met terugwerkende kracht diende onderworpen te worden aan de sociale zekerheid voor werknemers.

Op 20.09.1999 diende eiser een aangifte van stopzetting van activiteit in waarin hij verklaarde zijn activiteiten te hebben stopgezet op 30.09.1998.

Bij schrijven van 22.03.2000 diende de raadsman van eiser een aanvraag tot teruggave van de door hem betaalde BTW in omdat hij onder het gezag en het toezicht handelde van de vennootschap C. D. S. en geen BTW­belastingplichtige zou zijn geweest.

Bij schrijven van 19.04.2000 liet de administratie aan eiser weten dat er aan het verzoek tot teruggaaf geen gunstig gevolg werd gegeven.

Middels gerechtsdeurwaarderexploot dd. 20.07.2000 dagvaardde eiser verweerder om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren teneinde verweerder te horen veroordelen tot teruggave van alle BTW ten onrechte gestort door eiser, hetzij een bedrag van … BEF, te vermeerderen met de moratoire intresten van de datum van betaling en de gerechtelijke intresten. Tevens vorderde eiser verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding en het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van kantonnement.

De rechtbank van eerste aanleg te Tongeren verwees de zaak bij vonnis van 29.09.2000 naar deze rechtbank.

Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Luik van 24.06.2005 werd beslist dat eiser in ondergeschikt verband werkte ten opzichte van de vennootschap C. D. S..

Bij conclusies neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 27.02.2009 herleidde eiser zijn eis.

Eiser vordert verweerder te veroordelen tot teruggave van alle BTW ten onrechte gestort door eiser, hetzij een bedrag van … BEF (of … euro), te vermeerderen met de moratorium intresten berekend aan het tarief van 0,8 % per maand vanaf de betaling (gemiddelde datum = 20 juli 1996) tot aan de effectieve terugbetaling. Tevens vordert eiser verweerder te veroordelen tot de kosten begroot op … euro.

Il. IN RECHTE

1. De ontvankelijkheid

Verweerder werpt geen middelen van niet-ontvankelijkheid op en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Gegrondheid

Eiser vordert teruggave van de BTW en steunt zijn vordering op artikel 77 § 1, 1° W.BTW. Eiser stelt dat hij geen hoedanigheid van BTW-belastingplichtige heeft en dus aan de voorwaarde van art. 4 W.BTW niet is voldaan zodat de vordering tot teruggave gegrond is. Verder houdt eiser voor dat verweerder zich niet op artikel 51 § 1, 3° W.BTW kan steunen om de teruggave van belasting te weigeren en verwijst naar het arrest "Genius Holding" van 13.12.1989 van het Hof van Justitie. Eiser stelt dat hij niet moet voldoen aan de formaliteiten zoals voorzien in artikel 4 §1 van het KB nr. 4 van 29.12.1969 vermits hij geen belastingplichtige is.

Verweerder stelt niet te betwisten dat eiser zich in de omstandigheden van artikel 77 § 1, 1° W.BTW bevond doch is van mening dat eiser de BTW die hij heeft aangerekend op zij facturen verschuldigd is overeenkomstig art. 51 § 1, 3° W.BTW, zelfs nu de arbeidsrechtbank heeft geoordeeld dat de diensten van eiser werden verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst. Bovendien stelt verweerder dat eiser de formaliteiten om teruggaaf te bekomen op grond van artikel 77 § 1, 1° niet heeft vervuld zoals bepaald in artikel 80 W.BTW en artikel 4 KB nr. 4 getroffen ter uitvoering van artikel 80 W.BTW.

Een teruggaaf van BTW kan slechts worden verleend in de gevallen waarin het W.BTW voorziet (art. 75 W.BTW). Art. 77 § 1 W.BTW kent onder meer een recht op teruggaaf van de BTW die werd geheven wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is.

Het staat niet ter discussie dat eiser geen BTW-belastingplichtige was. Eiser vermeldde BTW op zijn facturen omdat hij meende zelfstandige te zijn terwijl hij ten deze in werkelijkheid in ondergeschikt verband werkte.

Artikel 51 § 1, 3° W.BTW bepaalt dat door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt belasting is verschuldigd. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk.

Artikel 21, lid 1, sub c van de Zesde richtlijn bepaalt dat eenieder die op een factuur of een als zodanig dienstdoend document BTW vermeldt, die belasting verschuldigd is. Meer bepaald is deze persoon de op een factuur vermelde BTW verschuldigd ongeacht of de BTW verschuldigd is op grond van een aan de BTW onderworpen handeling.

In het arrest Genius Holding had het Hof van Justitie het recht op aftrek van de voorbelasting zonder meer geweigerd wanneer de in een factuur vermelde belasting niet gerelateerd was aan een levering van goederen of dienstverrichtingen. In het advies van advocaat-generaal van 12.03.2009 in de zaak C-566/07 wordt uitdrukkelijk gesteld : "Evenwel is het niet altijd zeker dat de belastingadministratie kennis van deze omstandigheid krijgt. Bovendien is het mogelijk dat de aftrek van voorbelasting reeds werd toegestaan vooraleer is gebleken dat de in rekening gebrachte dienst niet of niet voor het vermelde bedrag belastbaar was. Daarom moet de opsteller van de factuur instaan voor voldoening van de vermelde belasting zolang de factuur niet is gecorrigeerd en het gevaar voor verlies van belastinginkomsten niet ongedaan is gemaakt." (zie H.v.J., zaak C-566/07 dd. 18.06.2009 en de conclusie van de advocaat-generaal van 12.03.2009 in voormelde zaak).

Ten deze is de rechtbank van oordeel dat door het uitoefenen van het recht op aftrek door de ontvanger van de factuur er weldegelijk een risico is op verlies van belastinginkomsten.

De Zesde Richtlijn bevat geen uitdrukkelijke bepaling voor het geval dat de BTW bij vergissing op een factuur is vermeld. De maatregelen die de lidstaten nemen ter waarborging van een juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude mogen niet op een zodanige wijze worden aangewend dat zij afbreuk zouden doen aan de neutraliteit van de BTW. Indien bijgevolg de teruggaaf van de BTW onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt als gevolg van de voorwaarden waaronder de verzoeken om teruggaaf van belastingen kunnen worden gedaan dan kunnen deze beginselen vereisen dat de lidstaten de middelen en procedures bieden waarmee de belastingplichtige de ten onrechte gefactureerde belasting kan terugvorderen. Het beginsel van neutraliteit verzet zich er in beginsel niet tegen dat een lidstaat aan een herziening van BTW die in die lidstaat enkel verschuldigd is omdat ze per vergissing op de gestuurde factuur is vermeld, de voorwaarde verbindt dat de belastingplichtige aan de ontvanger van de verrichte diensten een herstelfactuur uitreikt waarop geen BTW wordt vermeld, wanneer deze belastingplichtige niet tijdig het gevaar voor verlies van belastinginkomsten volledig heeft uitgeschakeld (zie H.v.J., zaak C-566/07 dd. 18.06.2009 en de conclusie van de advocaat-generaal van 12.03.2009 in voormelde zaak).

Een teruggaaf is echter slechts geldig verkregen wanneer de formaliteiten van het KB nr. 4 worden nageleefd. Overeenkomstig art. 4 §1 van het KB nr.4 moet er een verbeterend stuk opgesteld worden dat het bedrag opgeeft dat moet worden teruggegeven en aan de medecontractant dient een dubbel van dat stuk gestuurd te worden.

De rechtbank stelt vast dat aan voormelde formaliteiten niet werd voldaan door eiser. Bovendien blijkt niet dat eiser van de belastingadministratie overeenkomstig art. 13 lid 2 KB nr. 4 bevestiging had bekomen dat hij de formaliteiten van artikel 4 niet diende te vervullen. Immers artikel 13 lid 2 KB nr. 4 stelt: "Door of vanwege de Minister van Financiën kunnen, in de door of namens hem te bepalen gevallen, de rechthebbenden echter geheel of gedeeltelijk van dat verval worden ontheven."

De vordering van eiser is dan ook ongegrond.

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.

Partijen hebben terzake standpunt ingenomen.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag zijnde … euro (vordering van … euro tot … euro).


Gelet op de art 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.


Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond;

Veroordeelt eiser tot de kosten.

Vereffent de kosten in hoofde van verweerder op een rechtsplegingvergoeding van … euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer C, op het gerechtshof te Hasselt op 24.03.2010, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw C. P., enige rechter, en

De Heer L. P., griffier.

L.P. C. P.

Aangehaalde teksten

4

Vergelijkbare beslissingen

7