Teruggaaf van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 5 maart 2008

Zoeken

Teruggaaf van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-rechtbank-hasselt-2008-03-05-1b5c

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
5 maart 2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

101 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 05.03.2008

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER D, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE AR nr. 03/285/A

S. NV, met BTW-nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder nummer …, met zetel te …, ….

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. L. S., advocaat te …, ….

tegen :

1. FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Invordering- Sector BTW, in de persoon van de Eerstaanwezend inspecteur, optredend als ontvanger van het Eerste ontvangkantoor te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4.

2. Mrs. J. S. Senior & J. S. Junior, advocaten te …, …, qq. Curatoren van het faillissement NV A. E. J. V., met zetel te …, …, HR Tongeren nr. …, ondernemingsnummer voor het plaatsen van elektriciteit en aanverwanten, leggen van kabels en diverse leidingen en fabricatie en groothandel van verkeersborden en verkeerssignalisatie, BTW …, in die hoedanigheid aangesteld door vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren d.d. 08.03.1999.

verweerders,

eerste verweerder vertegenwoordigd door mr. R. F., advocaat te …, …, tweede verweerders vertegenwoordigd door mr. S. J. Junior - in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV A. E. J. V. - met kantoor te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het geregistreerd exploot van dagvaarding, op 24.01.2003 betekend door gerechtsdeurwaarder P. W., met kantoor te …, …;

- de besluiten, de samenvattende besluiten, de aanvullende nota en de stukken van eiser;

- de conclusies, de syntheseconclusies, de tweede syntheseconclusies en de stukken van eerste verweerder;

- de besluiten, tweede aanvullende besluiten, de synthesebesluiten en de stukken van tweede verweerders.


Eiseres heeft middels exploot van dagvaarding betwisting ingeleid op een door de Ontvanger van het Eerste Ontvangkantoor der BTW Hasselt uitgevaardigd dwangbevel.

Eerste verweerder wordt in rechte aangesproken in ongegrond verklaring van de in vermeld dwangbevel uitgedrukte fiscale vordering.

Hoewel verweerder in de dagvaarding enkel wordt bestempeld als Federale Overheidsdienst Financiën, trekt hij niet in twijfel dat het gaat om de Belgische Staat, vertegenwoordigd door deze FOD (zie art. 705 Gerechtelijk Wetboek).

Eerste verweerder maakt er evenmin een punt van dat, in strijd met art. 1385decies derde lid Gerechtelijk Wetboek, aan de dagvaarding, als geding inleidende akte, geen afschrift van het dwangbevel is gehecht.

Tweede verweerders, curatoren van het faillissement van NV A. E. J. V., worden in rechte aangesproken tot vrijwaring van eiseres zo alsnog haar betwisting van het dwangbevel ongegrond zou worden verklaard.

Deze vordering in vrijwaring wordt door eiseres gesteund op artikel 1382 Burg. Wetb. (randnr. 50 in syntheseconclusie van 16 november 2007).

Tweede verweerders hebben een tegenvordering gesteld wegens het verder zetten van huidige procedure na het definitief geworden zijn van een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 januari 2005.

Vooreerst hebben zij evenwel onbevoegdheid opgeworpen van deze rechtbank, onder stelling dat de rechtbank van koophandel te Tongeren, als faillissementsrechter, bevoegd zou zijn om te oordelen over de aansprakelijkheidsvordering tegen hen als curatoren.

Zij werpen daarbij alvast niet op dat deze laatste bij uitsluiting bevoegd zou zijn.

Voorts hangt huidige vordering in vrijwaring samen met de hoofdvordering waarvoor terecht is gedagvaard voor deze rechtbank, zulks wegens haar fiscale bevoegdheid.

Er ligt te dezen dan ook geen reden voor tot verzending.

Bevoegde ambtenaren hebben in december 2000 en maart 2001 BTW-controle uitgeoefend bij eiseres die groothandelaar is.

De controle sloeg op de periode van 1 januari 1997 tot 31 maart 2000.

Vooreerst werd navordering geformuleerd op handelingen waarvan niet bewezen bleek dat het effectief om intracommunautaire handelingen ging.

Voorts bleek dat eiseres in de aangifte van december 1999 via Vak 62 teruggave had gevraagd van BTW, maar dat ze (via Vak 61) geen BTW had aangegeven op door de curatoren, deels in december 1999 deels in november 2000, gedane uitkeringen.

Deze uitkeringen werden door de vaststellers als inclusief BTW bestempeld.

De navordering behelst rechten, plus een krachtens KB 41 tot 10 % herleide boete, plus intrest vanaf 21 april 2000.

Briefwisseling die na de controle is gevoerd tussen eiseres en de controledienst, wordt alvast niet voorgelegd door partijen.

Het eerste overtuigingsstuk dat wordt voorgelegd, is een proces-verbaal van 22 april 2002.

Er zou op 29 april 2000 een betalingsverzoek zijn verstuurd door het ontvangkantoor.

Op 25 juni 2000 heeft de Ontvanger dwangbevel uitgevaardigd (RCIV …).

Dit werd op 3 juli 2002 uitvoerbaar verklaard, en het werd middels exploot van 30 juli 2002 betekend aan eiseres, met bevel tot betalen.

Briefwisseling die is gevolgd tussen eiseres en de belastingdienst ligt hier evenmin voor.

Uiteindelijk is de hogerop reeds vermelde dagvaarding van 24 januari 2003 uitgebracht.

I. De hoofdvordering tegen de Belgische Staat

A. Eerste verweerder houdt in het geding niet langer staande dat het niet zou hebben gegaan om intracommunautaire leveringen, dit blijkbaar ingevolge arrest van het Hof van Beroep van 27 maart 2003.

Punt I van de in het dwangbevel uitgeoefende fiscale vordering blijkt van daaruit onwettig.

B. Met betrekking tot punt 11van de in het dwangbevel uitgedrukte fiscale vordering

Eiseres had goederen geleverd aan NV A. E. V..

Deze laatste ging op 8 maart 1999 failliet, waarop eiseres, via haar raadsman, aanspraak formuleerde op uitoefening van eigendomsvoorbehoud.

De curatoren (tweede verweerders) deden daarop een voorstel dat eiseres zich zou beroepen op het voorrecht van de niet betaalde verkoper, om overdracht van het handelsfonds van de gefailleerde niet in de weg te staan.

Eiseres deed daarop aangifte van schuldvordering in het faillissement, met alsdan beroep op het vermelde voorrecht, door de curatoren gesterkt in de zekerheid dat dit voorrecht effectief uitwerking zou krijgen, wat later effectief het geval is gebleken.

De curatoren hebben begin december 1999 10 miljoen BEF (= 247.893,52 EUR) uitgekeerd, en in november 2000 nog 3.285.349 BEF (= 81.441,67 EUR).

Eiseres heeft ingevolge haar facturatie bij de levering van de goederen, een schuldvordering geboekt op haar klant NV A. E. V..

Zij heeft toen de, vanuit levering en facturatie, aan de Staat verschuldigde BTW voldaan via haar aangifte.

Eiseres heeft de, ingevolge het faillissement door haar als verloren beschouwde, BTW terug gevraagd in de aangifte 'van de maand' (sic proces-verbaal) december 1999 (toepassing van art. 77, § 1, 7° Wetboek BTW in haar ogen).

In rechte blijkt eiseres evenwel aanspraak op teruggave te hebben geformuleerd nog voordat haar 'schuldvordering van de prijs' definitief verloren bleek.

Immers zijn aan eiseres effectief nog de hoger vermelde uitkeringen geschied.

De uitkeringen zijn aan eiseres uitbetaald op haar vordering als niet betaalde verkoper, en ze bevatten BTW in voldoening op deze als dusdanig gekwalificeerde vordering.

In die mate was aldus voorbarig en daarom ten onrechte teruggave gevraagd van BTW.

Dit werd vastgesteld in het proces-verbaal.

Recht op teruggaaf ingevolge het verloren gaan van de schuldvordering van de prijs houdt een tegemoetkoming in van de Staat op het gefinancierd worden aan de Staat van BTW die aan de medecontractant is aangerekend maar die, naderhand, op definitieve wijze niet recupereerbaar blijkt van deze medecontractant, te dezen de gefailleerde.

Het recht op teruggave doorbreekt in die zin de neutraliteit van de BTW, zulks in het voordeel van te dezen eiseres die evenwel dat recht heeft uitgeoefend voordat het definitief vaststond.

Ter herstel van deze neutraliteit bestaat precies de verplichting voor eiseres om als leverancier een verbeterend stuk uit te reiken aan de gefailleerde (art. 79, eerste lid Wetboek BTW), wat zij overigens deed, zulks met echter het onjuiste uitgangspunt dat het recht op teruggaaf definitief verworven was op het ogenblik waarop zij het uitoefende in haar periodieke aangifte.

Te dezen blijkt de BTW ten dele wel te zijn gerecupereerd via de hoger vermelde uitkeringen, en de neutraliteit blijkt alzo in die mate te zijn hersteld, wat meebracht dat eiseres ze onterecht had doorbroken door voorbarig te verzoeken om teruggaaf.

Eiseres stelt onjuist dat op het ogenblik van de teruggaaf aan haar, aan de Staat een even hoog bedrag verschuldigd werd door de gefailleerde, en dat in hoofde van deze alsdan opnieuw een recht op aftrek van BTW ontstond (randnr. 30 in syntheseconclusie van 16 november 2007).

Immers stelt zij op die wijze een dubbel recht op aftrek in hoofde van de medecontractant, een eerste bij het ontstaan van de schuld en een tweede bij de voldoening ervan door betaling.

Enkel hebben de uitkeringen aangetoond dat eiseres voorbarig was geweest in haar toepassing van art. 77, § 1, 7° Wetboek BTW, en ze hebben enkel en alleen dit gevolg in rechte.

De fiscale vordering is op dit punt bijgevolg terecht, en de betwisting volkomen zonder grond.

Punt II van het dwangbevel dient dan ook onverminderd te worden bijgetreden.

II. De vordering in vrijwaring tegen de curatoren

A. Het Hof van Beroep heeft in zijn eindarrest van 27 januari 2005 (2004/AR/419, stuk 1 van de curatoren) tussen eiseres en curatoren uitspraak gedaan en het heeft daarbij geoordeeld dat het voorrecht van eiseres louter slaat op de netto opbrengst van de verkoop door de curatoren aan een derde.

Dit arrest verkreeg kracht van gewijsde op zijn uitspraakdatum, is betekend en werd definitief bij (onbetwist) gebrek aan aanwending van cassatievordering of van enig ander rechtsmiddel.

Dit arrest heeft gezag van gewijsde tussen de curatoren en eiseres wat betreft het voor het Hof gevorderde.

Eiseres stelt in huidig geding een rechtsvordering tot vergoeding van BTW.

De vordering is evenwel niet dezelfde, daar voor het Hof van de curatoren enkel doorbetaling werd gevorderd van de BTW op de via tussenkomst der curatoren gerealiseerde doorverkoop.

Te dezen vordert eiseres van de curatoren wel de BTW die van haar wordt nagevorderd door de belastingdienst ingevolge de uitvoering van de hoger vermelde uitkeringen, waaruit bleek dat haar schuldvordering op de prijs slechts ten dele verloren was gegaan, zulks ongeacht het feit dat die uitkeringen enkel mogelijk zijn gemaakt door realisatie van de doorverkoop.

Het arrest heeft op dat punt geen gezag van gewijsde, nu de gevorderde zaak niet dezelfde is.

B. Te dezen is het de vraag of de curatoren aansprakelijk zijn voor het door eiseres ten onrechte voorbarig gevraagd zijn van teruggaaf.

Eiseres zelf heeft voorbarig teruggaaf gevraagd van de BTW, op een ogenblik waarop verlies van de schuldvordering op de prijs van haar leveringen nog niet definitief vaststond.

Daarop heeft de belastingdienst correctie aangebracht middels punt II van het dwangbevel.

Eiseres verwijt bij dit alles aan de curatoren niet als fout dat dezen op 15 december 1999 een fiscaal attest hebben uitgeschreven, of de wijze waarop dit is gesteld.

De vraag of de curatoren bij uitkering al of niet het tweede lid van art.79 Wetboek BTW in toepassing hebben gebracht, heeft geen invloed op en zelfs geen uitstaans met de door haar ten onrechte teruggevraagde BTW, kan aldus haar vordering ten laste van de curatoren niet onderbouwen.

III. De tegenvordering door de curatoren op de vordering in vrijwaring

Deze is ongegrond, nu zij zich daartoe te dezen niet kunnen beroepen op de inhoud van het hoger vermelde arrest van 25 januari 2005 dat een andere rechtsvordering beoordeelde.

IV. De kosten van het geding inleidende exploot dienen bij helften te worden toegewezen aan de hoofdvordering, respectievelijk aan de vordering in vrijwaring.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak en na beraadslaging,

Verklaart zich bevoegd kennis te nemen van het geheel der samenhangende vorderingen,

Verklaart alle vorderingen toelaatbaar,

Verklaart de vordering van eiseres tegen de Belgische Staat als volgt gegrond,

Verklaart het dwangbevel van de Ontvanger van de BTW Hasselt Eerste Kantoor van 25 juni 2002 (ref. …), uitvoerbaar verklaard op 3 juli 2002 en betekend op 30 juli 2002, onwettig in zoverre het BTW, boete, intrest en kosten vordert ter zake de intracommunautaire leveringen, en verbiedt er in die mate de uitvoering van,

Veroordeelt eiseres en de Belgische Staat elk tot de helft van de kosten der hoofdvordering, deze aan de zijde van eiseres vereffend op, in hun geheel, de vermelde helft van 182,80 Euro kosten dagvaardingsexploot, en aan de zijde van verweerder op nihil, en compenseert verder de rechtsplegingvergoedingen,

Wijst eiseres op hoofdvordering af van het meer dan wel anders gevorderde,

Verklaart zowel de vordering in vrijwaring als de daarop gestelde tegenvordering ongegrond, veroordeelt eiseres en verweerders in vrijwaring elk tot de helft van de opgetelde vorderingen in vrijwaring en de tegenvordering, deze aan de zijde van eiseres in vrijwaring vereffend op, in hun geheel, de vermelde helft van 182,80 Euro kosten dagvaardingsexploot, en aan de zijde van eisers op tegenvordering op nihil, en compenseert verder de rechtsplegingvergoedingen.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van de elfde kamer D, op het gerechtshof te Hasselt op 05.03.2008, alwaar aanwezig waren :

De Heer L. B., rechter, waarnemend voorzitter,

De Heer T. B., plaatsvervangend rechter,

De heer F. B., gerechtelijk stagiair, zetelend als vervangend rechter (art. 259octies, § 6 in fine van het Ger. W.),

De Heer L. P., e.a. adjunct-griffier.

L. P. F. B. T. B. L. B.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 772 voorkomens
WBTW art. 792 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8