Procesverloop
2 stappen · 1 jaar 9 maanden- Bestreden beslissingHof van beroep te Gent16.02.2010
- Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België24.11.2011
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 24.11.2011 (F.10.0110.N)
Tarief - Landbouwdiensten - Tarief van 6% - Diensten bestaande uit verschillende handelingen - Kwalificatie - Bepaling van de hoofdverrichting - Art. 9 Mestdecreet
Wettelijke bepalingen
W.BTW, Artt. 37 en 51, § 1, 1°
Samenvatting
Artikel 9, § 1, derde en vierde lid, van het Mestdecreet sluit niet uit dat een transactie, bestaande uit verschillende handelingen, vanuit BTW-oogpunt als één overeenkomst kan worden beschouwd, waarbij het uitspreiden van de mest de hoofdverrichting is.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 24.11.2011
(F.10.0110.N)
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging van de e.a. inspecteur van het btw-ontvangkantoor te Roeselare, met kantoor te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30, eiser, vertegenwoordigd door mr. A.D.B. , advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te … , waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
L.V.P. nv, met zetel te … , verweerster, vertegenwoordigd door mr. P.V.O., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te … , waar de verweerster woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 16 februari 2010.
Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 6 juni 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. Met de redenen die het vermeldt, beantwoordt het arrest het verweer van de eiser.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Tweede onderdeel
2. Het onderdeel gaat uit van de verkeerde veronderstelling dat artikel 9, § 1, derde en vierde lid, Mestdecreet uitsluit dat een transactie, bestaande uit verschillende handelingen, vanuit btw-oogpunt als één overeenkomst kan worden beschouwd, waarbij het uitspreiden van de mest de hoofdverrichting is.
Het onderdeel faalt naar recht.
Derde onderdeel
3. Ingevolge de niet-bestreden vaststellingen van het arrest zorgt de verweerster op eigen initiatief voor de uitspreiding van de mest of doet zij hiertoe beroep op een door haar gekozen zelfstandig aannemer.
Het onderdeel dat ervan uitgaat dat niet vaststaat of de mest zal worden uitgespreid, omdat een derde voor een andere bestemming zou kunnen opteren, mist feitelijke grondslag.
Vierde onderdeel
4. Het onderdeel dat aanvoert dat de appelrechters niet wettig hebben kunnen oordelen dat in de dienstverlening van de verweerster het uitspreiden van mest op landbouwgronden de hoofdverrichting was, vergt een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.
Het onderdeel is niet ontvankelijk.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 384,15 euro en voor de verweerster op 187,98 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit …
Ondertekeningen
__________
Conclusie van de heer advocaat-generaal D. Thijs:
1. Verweerster in cassatie is een vennootschap die ingeschreven is als BTW-belastingplichtige voor de activiteit van diensten verwant met de landbouw, het ophalen, verwerken, stockeren, vervoeren en uitspreiden van mest, en die regelmatig mest ophaalt bij landbouwers en veeteeltbedrijven in West-Vlaanderen.
Bij een controle in oktober 2004 over de periode van 1.7.2001 tot 30.6.2003 stelde de BTW-controleur vast dat verweerster het BTW-tarief van 6% dat geldt voor landbouwdiensten, ook had aangerekend voor het ophalen, vervoer en opslag van mest. Volgens de administratie kan het louter weghalen van mest niet als een landbouwdienst worden aangemerkt. Dit zou enkel kunnen als het weghalen gepaard gaat met het uitspreiden van de mest op landbouwgronden. Indien dat niet het geval is, geldt volgens de administratie het BTW-tarief van 21%.
Op de verkoopfacturen die verweerster richtte aan de landbouwers bij wie zij de mest ophaalde, werden slechts zeer summiere vermeldingen aangebracht, waarbij de nadruk wordt gelegd op het uitspreiden of het injecteren van de mest. De verleende dienst wordt op de factuur als een landbouwdienst onderworpen aan het BTW-tarief van 6% behandeld.
Op 24 november 2005 vaardigde eiser een dwangbevel uit voor de te weinig betaalde BTW en toebehoren.
Het verzet van verweerster tegen dit dwangbevel werd ongegrond verklaard bij vonnis van 25 februari 2008 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.
Op 15 februari 2009 legde verweerster een verzoekschrift tot hoger beroep neer ter griffie van het hof van beroep te Gent.
Het bestreden arrest van 16 februari 2010 verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt het bestreden vonnis en het dwangbevel van 24 november 2005.
(...)
4. In het tweede onderdeel voert eiser aan dat het arrest, door de bepalingen van het Mestdecreet buiten beschouwing te laten, niet wettig beslist dat de transactie vanuit BTW-oogpunt als een overeenkomst moet beschouwd worden, waarbij het uitspreiden van de mest de hoofdverrichting is (voorziening, blad 12, nr. 8).
5. Artikel 9, §1, derde lid van het Mestdecreet betreft evenwel geen fiscaalrechtelijk voorschrift is, doch legt slechts een milieurechtelijke (bewijs)verplichting betreft op aan de landbouwer-producent van mest, die moet kunnen bewijzen wat er met zijn bedrijfsmatige mestoverschotten voor een bepaald jaar is gebeurd: zijn deze naar een gebruiker afgevoerd, geëxporteerd, verhandeld met of overgedragen aan een exploitant van een verzamelpunt, een bewerkingseenheid of een verwerkingseenheid, of in zijn eigen bedrijf opgeslagen?
Of de landbouwer-producent nu al dan niet in staat is aan deze bewijslast te voldoen, is niet van belang om de diensten van verweerster te kwalificeren in het licht van de BTW-wetgeving.
Met name dienden de rechters te dezen, conform de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (arrest, folio 508, derde al.), na te gaan of de door verweerster verstrekte diensten van ophalen, vervoeren en opslaan van mest enerzijds en het uitspreiden ervan anderzijds, te beschouwen zijn als twee zelfstandige dienstverrichtingen, dan wel als diensten waarbij het uitspreiden van de mest de hoofddienst is, zodat de andere bijkomend is (en dus onderworpen is aan het op de hoofddienst toepasselijke BTW-tarief).
Het kwalificeren van die diensten als dusdanig hangt dan ook niet af van het antwoord op de vraag of de ontvanger van de diensten al dan niet conform artikel 9, §1, derde lid van het Mestdecreet kan bewijzen wat er met zijn mestoverschotten is gebeurd.
Stellen dat de aard van de door verweerster verstrekte diensten - zelfstandig of niet, bijkomend of principaal - zou wijzigen al naargelang de ontvanger van de dienst van het ophalen, vervoeren en opslaan van mest al dan niet kan aantonen wat met zijn mestoverschotten is gebeurd, kan immers niet aanvaard worden.
Het bestreden arrest opteerde dan ook terecht voor de strikt juridische benadering, waarbij het de oplossing van het geschil niet liet afhangen van de vraag of de landbouwer-producent aan zijn milieurechtelijke bewijsverplichtingen voldoet, doch op grond van de kenmerken van de verleende diensten en de facturatie ervan besloot dat bij de dienstverlening van verweerster het uitspreiden van de mest de hoofdverrichting is, en een gedeelte van de opgehaalde mest slechts wordt gestockeerd in een silo omdat de transactie niet op één dag kan worden uitgevoerd (afstand tussen de hoeve, tijdsgebrek) (arrest, folio 509, derde al.).
Eiser verwijst in dit kader naar de rechtspraak van het Hof van Justitie volgens dewelke de rechter, bij het nagaan of de diensten zelfstandig zijn of niet en welke dienst in voorkomend geval bijkomend is, 'met alle omstandigheden' rekening moet houden, en dus ook met artikel 9, §1, derde lid van het Mestdecreet.
Een dergelijke redenering kan niet bijgetreden worden, daar de rechter geen rekening dient te houden met alle mogelijke elementen die een procespartij opwerpt (uiteraard onder het voorbehoud dat diens regelmatig aangevoerde middelen een antwoord vereisen), doch slechts met die elementen die de rechter pertinent acht ter beoordeling van het geschil, in casu de vraag of de door verweerster verstrekte diensten zelfstandig van aard zijn, dan wel de ene bijkomend aan de andere.
Het tweede onderdeel komt mij bijgevolg ongegrond voor.
(...)
Besluit: VERWERPING.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.