Tarief van de belasting, bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 5 april 2005

Zoeken

Tarief van de belasting, bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-belasting-bewijs-controlemaatregel-rechtbank-brugge-2005-04-05-534c

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
5 april 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

97 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 05.04.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND

Rep. nr. 2005/4810

in de zaak van : AR nr. 03/1322/A

de BVBA D. G. P., met vennootschapszetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Brugge, afdeling Oostende, onder nr. …, BTW nummer BE …,

eiseres,

vertegenwoordigd door meesters Ph. B. en M. L., advocaten te …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Gewestelijk Directeur BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het ontvangkantoor van de BTW te Oostende, gevestigd te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat nr. 1,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester L. D. S., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 8 maart 2005, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. de geding inleidende dagvaarding van 24 april 2003 met verzet tegen het dwangbevel dat op 7 december 2001 is uitgevaardigd;

2. de conclusie voor verweerder van 15 mei 2003;

3. de conclusie voor eiseres van 3 juli 2003;

4. de conclusie voor verweerder van 28 augustus 2003;

5. de conclusie voor eiseres van 9 april 2004;

6. de conclusie voor verweerder van 6 juli 2004;

7. de conclusie voor eiseres van 3 november 2004 en

8. de conclusie voor verweerder van 6 december 2004.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres is de exploitant van een restaurant dat gelegen is in een residentiële wijk van Bredene.

Tijdens een AOIF-controle waarin de boekjaren 1997, 1998 en 1999 werden onderzocht, heeft de controleambtenaar van de BTW-administratie vastgesteld dat eiseres voor elk van die jaren inschrijvingen gedaan had in ham dagontvangstenboek voor het verstrekken van maaltijden aan het tarief van 6 %, voorbehouden voor traiteurdienst.

Daarnaast is ook gebleken dat met betrekking tot het boekjaar 1999 voor de BTW een lagere omzet was aangegeven dan voor de directe belastingen, namelijk voor een verschil van 500.000 frank (12.394,68 euro).

Eiseres had voor elk van de betrokken boekjaren overigens spontaan een omzetverhoging doorgevoerd; daarbij merkte zij wel telkens een deel aan als omzet uit traiteurdienst.

Naast andere betwistingen heeft de controleambtenaar geoordeeld dat eiseres niet bewees dat zij in de betrokken jaren omzet gerealiseerd had uit hoofde van traiteurdienst, behoudens voor een bedrag van 55.540 frank (1.376,80 euro) inclusief BTW in het jaar 1999.

Na een correctieopgave, bleek nog enkel over de traiteurdienst betwisting over te blijven, zodat de controleambtenaar op 3 december 2001 een proces-verbaal opmaakte waarin hij de volgende bedragen verschuldigd verklaarde :

- 8.498,68 euro BTW;

- 842,84 euro verminderde proportionele boete (10 %) en

- de wettelijke interest op de verschuldigde belasting vanaf 21 januari 2000.

Bij gebrek aan betaling van die bedragen door eiseres werd voor diezelfde, bedragen, meer de interest op de boeten en vervolgingskosten op 7 december 2001 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 11 december 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd.

Met een aangetekende brief van 13 december 2001 werd het dwangbevel aan eiseres betekend.

Met een dagvaarding van 24 april 2003 stelde eiseres haar huidige vordering in.

2. De vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank het verzet zou ontvankelijk en gegrond verklaren en het bestreden dwangbevel zou vernietigen.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BESPREKING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

2.1. Stelling van eiseres

Eiseres stelt dat haar ingeschreven omzetten uit traiteurdienst wel degelijk aan de werkelijkheid beantwoorden. Zij beroept zich daartoe op de advertenties die ze voorlegt en uit de verklaringen van enkele klanten. Met betrekking tot de verklaring van de zaakvoerder van de NV T., laat eiseres in het bijzonder gelden dat deze ook verklaart dat er diners bij hem thuis werden gehouden.

Dat er in de betreffende jaren geen speciaal verpakkingsmateriaal werd gekocht, is volgens eiseres geen argument omdat ze de traiteurdienst in het begin met haar gewoon servies zou bediend hebben. Ook het feit dat ze geen speciaal uitgerust voertuig had, vindt eiseres niet pertinent en ze wijst erop dat verweerder voor 1999 wel bepaalde prestaties als traiteurdienst aanvaardde, terwijl er toen ook geen dergelijk voertuig ter beschikking was.

Aldus moet volgens eiseres ook worden aangenomen dat de omzetverhogingen (zowel de vrijwillig opgegeven ais de door de administratie vastgestelde) verhoudingsgewijs een gelijk aandeel traiteurdienst bevatten zoals de ingeschreven omzetten.

Ook stelt eiseres dat de omzetverhogingen aangegeven zijn vanuit die veronderstelling dat er een gedeelte aan 6 % werd verkocht. Door die omzetverhogingen volledig aan 21 % te onderwerpen, creëert verweerder volgens eiseres ten onrechte een toestand alsof haar bruto-ontvangsten hoger waren dan de werkelijke ontvangsten.

Subsidiair voert eiseres aan dat minstens het BTW-supplement (het tariefverschil van 15 %) toegepast wordt op de netto-omzetten in plaats van de bruto­omzetten vermits in de bruto-omzetten (de kasontvangsten) ook de kostprijs van de grondstoffen, leveringen enz. vervat zitten waarvoor eiseres de BTW zou mogen aftrekken.

2.2. Stelling van verweerder

Verweerder beroept zich op de bijzondere bewijswaarde van zijn proces-verbaal wat de gedane vaststelling betreft. Daarnaast benadrukt hij dat eiseres aan haar bewijslast niet kan voldoen door zich enkel en alleen op haar eigen dagontvangstenboek te beroepen waarin bepaalde ontvangsten ingeschreven staan onder de noemer 'afhaaldienst'. Volgens verweerder moet de boekhouding, om voldoende bewijskrachtig te zijn, aangevuld worden met verantwoordingsstukken zodat er een geheel is van coherente en precieze gegevens die de echtheid en de juistheid bevestigen van de aangegeven inkomsten.

Overigens is volgens verweerder de boekhouding van eiseres met betrekking tot de inschrijvingen van ontvangsten uit traiteurdienst op zich al niet bewijskrachtig. In dat opzicht benadrukt verweerder dat eiseres in haar dagontvangstenboek een aantal belangrijke ontvangsten onder de noemer afhaaldienst inschreef waarvan hij het bewijs levert dat deze beantwoorden aan gewone leveringen in het restaurant van eiseres zodat er ten onrechte gebruik gemaakt werd van het tarief van 6 % in plaats van dat van 21 %. Daartoe beroept verweerder zich niet alleen op verklaringen van de klanten die deze prestaties ontvingen, maar ook het feit dat eiseres voor die prestaties een ontvangsbewijs uitreikte zoals voorzien in artikel 22, § 1, 2 van KB nr. 1 van 29 december 1992. Dergelijke ontvangstbewijzen, zo stelt verweerder, zijn enkel verschuldigd voor het verschaffen van maaltijden en dranken bij maaltijden die in de horecazaak zelf worden verbruikt.

Een tweede aanwijzing voor de onregelmatigheid van de boekhouding van eiseres, is volgens verweerder dat in de betrokken jaren telkens door eiseres zelf spontaan een omzetverhoging werd erkend (600.000 frank aan 14.873,61 euro in 1997, 670.005 frank of 16.608,99 euro in 1998 en 269.250 frank of 6.674,53 euro in 1999), terwijl eiseres voor 1999 ook nog eens ten aanzien van de directe belastingen voor een bedrag van 500.000 frank (12.394,68 euro) meer omzet aangaf dan voor de BTW.

Aangaande het bewijs dat door eiseres wordt aangevoerd om aan te tonen dat er wel degelijk in de betrokken jaren een traiteurdienst zou hebben bestaan, stelt verweerder dat hij niet ontkent dat er in 1999 een (beperkte) omzet uit “afhaaldienst” werd gehaald, maar dat er niet meer dan dat bewezen is.

Verweerder benadrukt dat het restaurant van eiseres in een residentiële wijk gelegen is waar de toeristen normaal gezien niet langs komen, dat er in de betrokken jaren geen afzonderlijke prijslijst voor traiteurdienst was, geen speciaal verpakkingsmateriaal en geen aangepast voertuig.

Doordat de advertenties die eiseres voorlegt, slechts één datum bevatten en dan nog deze van 7 december 2000, levert eiseres volgens verweerder geen afdoende bewijs.

Met cijfers uit de boekhouding van eiseres toont verweerder aan dat het aandeel van de traiteurdienst in de jaren na de betwiste periode alleen maar gedaald is.

Verweerder betwist ook subsidiair dat er op de omzetverhoging reden zou zijn om een aandeel voor traiteurdienst in aanmerking te nemen.

Volgens verweerder gaat de vraag van eiseres om de BTW toe te passen op de netto-omzet volledig in tegen de BTW-wetgeving; hij wijst in het bijzonder op de artikelen 26 en 64, § 3 W.BTW. Verweerder vermoedt dat eiseres in feite bedoelt dat zij, om een hogere omzet te kunnen verwezenlijken, ook meer aankopen heeft moeten doen dan aangegeven en dat eiseres in wezen dus een recht op bijkomende aftrek van voorbelasting wenst te bekomen. Dat is volgens verweerder niet mogelijk zonder de nodige facturen voor die bijkomende aankopen voor te leggen, en zou hoe dan ook veronderstellen dat eiseres bewijst dat aan de omzetverhoging een grotere aankoop van grondstoffen enz. beantwoordt.

2.3.Beoordeling

2.3.1. Traiteurdienst

De rechtbank treedt de stelling bij van verweerder dat de bewijslast in verband met het bestaan en werkelijk exploiteren van een traiteurdienst en van de omvang van de omzet ervan, bij eiseres ligt. Tevens is het correct dat het (onbetwistbaar) bewijs dat belangrijke inschrijvingen onder de noemer “afhaaldienst” uiteindelijk toch op verbruik in het restaurant zelf betrekking hebben en de omzetverhogingen, tot de conclusie leiden dat de boekhouding van eiseres op dat punt de nodige regelmatigheid mist om als bewijs te kunnen dienen.

Van dan af is het de vraag of eiseres op een deugdelijke manier aantoont dat haar inschrijvingen in haar dagontvangstenboek dan toch met de werkelijkheid overeenstemmen. Afgezien van de vraag of de ingeschreven omzetten dan al volledig bewezen worden, blijkt dat het zelfs nog bijzonder twijfelachtig is of eiseres daadwerkelijk in 1997 en 1998 en vóór het einde van 1999 een traiteurdienst had. Eiseres legt immers wel tal van kopies van drukwerk (deels blijkbaar ook ontwerp van drukwerk) voor, maar zoals verweerder laat opmerken, zijn die documenten ofwel niet gedateerd zo niet van latere datum dan uit de betreffende periode. Waar bovendien gebleken is dat een belangrijk aandeel van de ingeschreven omzetten onder 'afhaaldienst' in wezen in het restaurant zelf gerealiseerd werd, heeft eiseres zelf minstens de schijn gewekt dat haar inschrijvingen dus fictief zijn.

Zelfs al is het misschien mogelijk om een traiteurdienst te hebben en met succes te exploiteren wanneer men in een residentiële wijk gelegen is, zonder speciaal verpakkingsmateriaal aan te kopen, zonder een afzonderlijke prijslijst en zonder speciaal uitgerust voertuig, dan nog beantwoordt eiseres daarmee niet aan het specifieke bewijslast. De afwezigheid van deze typische kenmerken zijn en blijven tegenindicaties die eiseres moet weerleggen.

Dat bewijs wordt evenwel niet op een deugdelijke manier geleverd.

De enige aanwijzing die eiseres aanbrengt, is de passage uit het schriftelijk antwoord van de heer H., bestuurder van de NV T., dat hij diners bij hem thuis gaf. In dat verband laat verweerder evenwel met reden gelden dat deze verklaring niet te rijmen valt met het feit dat er ook voor die prestaties ontvangstbewijzen zoals voorzien in artikel 22, § 1, 2 van KB nr. 1 van 29 december 1992, werden uitgereikt. Dergelijke ontvangstbewijzen zijn inderdaad enkel verschuldigd voor het verschaffen van maaltijden en dranken bij maaltijden die in de horecazaak zelf worden verbruikt. Het zou wel verwonderlijk zijn dat alleen aan de heer H. (per vergissing) dergelijke ontvangstbewijzen zouden zijn uitgereikt voor traiteurdienst, terwijl dat overigens zuivere privé­aankopen waren.

In die omstandigheden heeft verweerder terecht aangenomen dat er geen andere leveringen als traiteurdienst werden verstrekt dan deze waarvan het rechtstreeks bewijs geleverd werd (namelijk aan de V. eind 1999).

2.3.2.Totale ontvangsten na toepassing van 21%-tarief op volledige omzetverhogingen

Deze stelling van eiseres gaat uit van de veronderstelling dat er in haar omzet (zowel de ingeschreven omzet, de spontaan aangegeven omzetverhoging als de uit de vergelijking met de directe belastingen gebleken omzetverhoging) een (vast of gemiddeld) aandeel was dat uit traiteurdienst afkomstig was.

Gelet op het feit dat die veronderstelling niet bewezen is, kan aan dat argument van eiseres geen gevolg gegeven worden.

2.3.3.Hogere kostprijs voor het realiseren van hoger omzet

Terecht laat verweerder gelden dat eiseres nalaat te bewijzen dat zij meer aankopen en kosten zou hebben gehad in de betrokken jaren dan uit haar boekhouding blijkt, om te kunnen een hogere omzet realiseren dan deze die ze in haar boekhouding had ingeschreven.

Overigens : de argumentatie van eiseres als zou het BTW-tarief slechts mogen toegepast worden op de bruto-omzet verminderd met de aftrekbare kosten, komt inderdaad neer op een aanspraak door eiseres op aftrek van voorbelasting in de zin van artikel 45 W.BTW. Dat zou veronderstellen dat er (bijkomende) regelmatige aankoopfacturen zijn, waaruit blijkt dat eiseres BTW heeft betaald. Daarvan wordt geen bewijs voorgelegd.

2.3.4.Conclusie

De conclusie is dat de vordering van eiseres ongegrond is.

3. De gerechtskosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.

4. Uitvoerbaarheid bij voorraad

Nu de vordering van eiseres niet kan ingewilligd worden, heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor haar geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond.

Beschikkend gedeelte

IV.UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding 349,53 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging af als ongegrond.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op vijf april tweeduizend en vijf.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 1 art. 222 voorkomens