Tekst van de beslissing
ARREST C 99/2
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 23.02.1999
Strafvordering - Advies - Administratie - Nieuw feit
Het verzoek om advies van de bevoegde gewestelijke directeur in geval de procureur des Konings vervolgingen wil instellen wegens fiscale misdrijven moet voldoende aangeven waarop het betrekking heeft en mag hierbij verwijzen naar het feitenmateriaal van het dossier.
De vraag van de procureur des Konings om advies van de bevoegde gewestelijke directeur wanneer hij vervolgingen wil instellen voor fiscale misdrijven en dat advies kunnen betrekking hebben, o.m. op een bepaald feit, alsmede op andere niet precieze maar gelijkaardige feiten waarvan het bepaalde feit het bestaan doet vermoeden; wanneer in het kader van het naar aanleiding van die vraag en het advies ingesteld gerechtelijk onderzoek gelijkaardige feiten aan het licht komen, moet de procureur des Konings niet opnieuw een advies vragen.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 15 mei 1997 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;
Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 619, § 1, 620 en 634 van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij de wet van 8 april 1964 en bij de wet van 9 januari 1991,
doordat het bestreden arrest eiser veroordeelt tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met uitstel van tenuitvoerlegging voor een gedeelte van 6 maanden gedurende een termijn van 3 jaar en tot een geldboete van 100.000 frank of een vervangende gevangenisstraf van twee maanden, onder meer op grond van de overweging dat "er geen aanleiding is om aan de beklaagde het voordeel van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te verlenen nu het niet om een eenmalig feit gaat en nu de beklaagde, blijkens zijn verklaring aan de onderzoeksrechter reeds eerder veroordeeld werd wegens valsheid in geschriften",
terwijl krachtens artikel 619, § 1, van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij de wet van 9 januari 1991, veroordelingen tot correctionele hoofdgevangenisstraffen van ten hoogste zes maanden en tot correctionele geldstraffen van ten hoogste 500 frank, worden uitgewist na verloop van drie jaar vanaf de dag van de rechterlijke eindbeslissing waarbij ze zijn uitgesproken; overeenkomstig de artikelen 620 en 634 van dat wetboek, uitwissing van veroordelingen de gevolgen heeft van herstel in eer en rechten, en aldus verhindert dat de uitgewiste veroordeling een beletsel vormt voor een veroordeling met uitstel of voor de toekenning van een opschorting van de uitspraak van de veroordeling, en tevens verhindert dat die beslissing in de uittreksels uit het strafregister wordt vermeld; de appèlrechters, bij de bepaling van de strafmaat en meer bepaald bij de beoordeling van de vraag of er aanleiding toe bestond om eiser het voordeel van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling toe te staan, rekening hebben gehouden met eisers gerechtelijk verleden, ofschoon het uittreksel uit het strafregister slechts melding maakt van een veroordeling, uitgesproken door de Correctionele Rechtbank te Tongeren op 16 mei 1991, tot een correctionele hoofdgevangenisstraf van 1 maand en een geldboete van 50 frank; deze laatste veroordeling voldoet aan de bij artikel 619 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde voorwaarden en dus krachtens die bepaling uitgewist was, waardoor zij noch in de uittreksels uit het strafregister mocht worden vermeld, noch een beletsel kon vormen voor een veroordeling met uitstel of voor de toekenning van een opschorting van de uitspraak van de veroordeling; het bestreden arrest aldus schending inhoudt van de artikelen 619, 620 en 634 van het Wetboek van Strafvordering
Overwegende dat het middel ervan uitgaat dat de veroordeling van eiser, door de Correctionele Rechtbank te Tongeren op 16 mei 1991, hoofdens valsheid in geschrifte en gebruik van vals stuk tot een hoofdgevangenisstraf van één maand met uitstel gedurende drie jaar en tot een geldboete van vijftig frank, ingevolge artikel 619, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, uitgewist is na verloop van drie jaar vanaf de dag van de rechterlijke eindbeslissing;
Overwegende dat luidens artikel 619, tweede lid, Wetboek van Strafvordering er geen uitwissing is bij veroordelingen die vervallenverklaringen of ontzettingen inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken;
Overwegende dat bijvoorbeeld de te dezen toepasselijke artikelen 5, l', en 6, l', van de Wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen als uitoefeningsvoorwaarden voor de in die artikelen bepaalde functies en artikel 3, § 1, l', van de Wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective als voorwaarde voor het verlenen van een vestigingsvergunning stellen dat men onder meer niet veroordeeld is geweest tot een gevangenisstraf wegens valsheid in geschrifte;
Dat voornoemde veroordeling niet is uitgewist;
Dat het middel feitelijke grondslag mist;
Over het tweede middel, gesteld als volgt : schending van artikel 149 van de Grondwet,
doordat het bestreden arrest eiser veroordeelt wegens meerdaadse samenloop tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met uitstel van tenuitvoerlegging voor een gedeelte van zes maanden gedurende een termijn van drie jaar en tot een geldboete van 100.000 frank of een vervangende gevangenisstraf van twee maanden,
terwijl overeenkomstig artikel 60 van het Strafwetboek, bij (meerdaadse) samenloop van verscheidene wanbedrijven, de verschillende straffen samen worden opgelegd, zonder dat zij het dubbel van het maximum van de zwaarste straf te boven mogen gaan; het dispositief en de motieven van het bestreden arrest aldus door tegenstrijdigheid zijn aangetast; het tegenstrijdig is, enerzijds, te oordelen dat de feiten, zo bewezen, de uiting zijn van eenzelfde schuldig opzet (arrest, blz. 13, eerste alinea) en, anderzijds, eiser te veroordelen tot één straf wegens meerdaadse samenloop (arrest, blz. 18, dispositief), zodat het bestreden arrest, dat door tegenstrijdigheid is aangetast, niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet)
Overwegende dat de aangevoerde tegenstrijdigheid enkel zou voortvloeien uit het feit dat sommige gronden van het arrest de veroordeling van eiser tot een zwaardere straf verantwoord zouden hebben;
Dat een dergelijke tegenstrijdigheid de wettelijkheid van de uitgesproken veroordeling niet heeft kunnen aantasten ten nadele van eiser;
Dat het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is;
Over het derde middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 350 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en 74 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, beide artikelen zoals van kracht vóór de wet van 28 december 1992,
doordat het bestreden arrest eiser veroordeelt uit hoofde van de hem ten laste gelegde betichtingen, en hierbij eisers verweer houdende dat de strafvordering onontvankelijk is, verwerpt; het bestreden arrest besluit tot de rechtsgeldigheid van de vragen tot advies van het openbaar ministerie aan de Gewestelijke directeurs van Directe Belastingen en van BTW te Hasselt, alsook van de daarop volgende adviezen, op grond van de motieven "- dat het verzoek aanduidt in toepassing van welke artikelen het gebeurt; - dat de wil om vervolging in te stellen kenbaar wordt gemaakt; - dat de personen aan wie de feiten ten laste worden gelegd worden aangeduid; - dat het feitenmateriaal waarover de procureur des Konings beschikt ter inzage wordt gesteld; - dat uit het feitenmateriaal blijkt over welke fiscale inbreuken het gaat, zoals hoger aangetoond; dat L. N. dan ook niet kan gevolgd worden in zijn bewering wanneer hij meent te moeten stellen dat de gewestelijke directeurs niet zouden geweten hebben waarover zij advies moesten geven, nu zij zoals de wet het voorziet het feitenmateriaal ter beschikking kregen en dit feitenmateriaal vermelden (nog wel 6 maal) als fiscale inbreuken : 'BTW-fraude (w. 3/7/69) verschil werkelijke betaalde BTW en door te storten BTW; - overtredingen wetboek op inkomstenbelastingen; - vennootschapsbelastingen (KB 26/02/64) daar de facturen lagere inkomsten aangeven dan de werkelijkheid'; dat uit de 'adviezen' van 13 januari 1992 (BTW) en 31 januari 1992 (WIB) van de respectieve gewestelijke directeurs (stukken 9 en 10) ook blijkt dat zij perfect begrepen hebben over welke feiten - en derhalve over welke misdrijven het advies werd gevraagd",
terwijl, overeenkomstig de artikelen 350 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en 74 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, zoals van kracht vóór de wet van 28 december 1992, de procureur des Konings, tenzij hij met de feiten bekend was geraakt ingevolge een klacht die was ingediend of een aangifte die was gedaan door ambtenaren van de belastingbesturen van het ministerie van Financiën die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn, indien hij een vervolging wilde instellen wegens feiten die naar luid van deze wetboeken of van de ten uitvoer ervan genomen besluiten strafbaar zijn, het advies moest vragen van de bevoegde gewestelijk directeur der Directe Belastingen of van de bevoegde gewestelijke directeur van de Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen; de procureur des Konings bij zijn verzoek om advies het feitenmateriaal voegde waarover hij beschikt; het verzoek tot advies van het openbaar ministerie, dat gold op straffe van onontvankelijkheid van de ingestelde strafvordering, aldus noodzakelijk betrekking moest hebben op welbepaalde feiten, teneinde het openbaar ministerie toe te laten de opportuniteit te beoordelen van de vervolging van deze betreffende feiten; het aldus een substantiële geldigheidsvereiste was dat in de vraag tot advies werd aangeduid welke de feiten zijn waarop het verzoek tot adviesverlening betrekking had; de enkele voeging of terbeschikkingstelling van "het feitenmateriaal" terzake niet volstond; dit feitenmateriaal immers slechts dienstig was om aan de bevoegde gewestelijke directeurs toe te laten zich een oordeel te vormen omtrent de door het openbaar ministerie in het verzoek tot adviesverlening zelf aan de orde gestelde feiten; zodat het bestreden arrest niet op grond van de enkele overweging dat uit het ter inzage gestelde feitenmateriaal blijkt over welke fiscale inbreuken het gaat, op wettelijke wijze kon besluiten tot de rechtsgeldigheid van de vraag tot advies van de procureur des Konings (schending van de artikelen 350 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en 74 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, zoals van kracht vóór de wet van 28 december 1992)
Overwegende dat de artikelen 350, § 3, Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964, en 74, § 3, Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, zoals van kracht vóór de wet van 28 december 1992, de procureur des Konings, tenzij hij met de feiten bekend was geraakt ingevolge een klacht die is ingediend of een aangifte die is gedaan door ambtenaren van de belastingbesturen van het ministerie van Financiën die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn, verplichtten, indien hij vervolgingen wilde instellen wegens feiten die naar luid van de vermelde wetboeken of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn, het advies te vragen van de ter zake bevoegde gewestelijke directeur onder voeging bij zijn verzoek om advies van het feitenmateriaal waarover hij beschikt;
Overwegende dat de toen bestaande wettelijke verplichting tot verzoek om advies de bedoeling had de procureur des Konings in staat te stellen om in de gespecialiseerde materies van de fiscaliteit een oordeelkundige vervolgingsbeslissing te nemen; dat het verzoek om advies voldoende moest aangeven waarop het betrekking had en hierbij mocht verwijzen naar het feitenmateriaal van het dossier;
Overwegende dat de appèlrechters op grond van de in het middel aangehaalde consideransen wettig vermogen te oordelen dat de door de procureur des Konings gestelde vraag om advies, voor de respectieve gewestelijke directeurs perfect begrijpelijk was en mitsdien rechtsgeldig;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het vierde middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 350 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en 74 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, zoals van kracht vóór de wet van 28 december 1992, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, en 149 van de Grondwet,
doordat het bestreden arrest eiser veroordeelt uit hoofde van de hem ten laste gelegde betichtingen, en hierbij eisers verweer houdende dat de strafvordering onontvankelijk is, verwerpt; het arrest het verweer van eiser verwerpt volgens welk hij niet kon veroordeeld worden uit hoofde van de feiten die in de loop van het gerechtelijk onderzoek aan het licht kwamen, op grond dat "eerstens dat de feiten die ingevolge het gerechtelijk onderzoek aan het licht kwamen geen 'nieuwe' feiten zijn in de strafrechtelijke betekenis; dat het m.a.w. gaat om feiten die volledig in de saisine van de onderzoeksrechter vallen en dat de regels van de saisine van de onderzoeksrechter ook in fiscale strafzaken onaangeroerd blijven; dat de onderzoeksrechter zich aldus op geen enkel ogenblik tot de procureur des Konings hoefde te wenden om bijkomend gelast te worden"; het bestreden arrest bij de straftoemeting, waar verwezen wordt naar de systematische wijze waarop de fraude bedreven werd en de omstandigheid dat het niet om een éénmalig feit gaat, uitdrukkelijk rekening houdt met de frequentie van de bewezen verklaarde feiten,
terwijl, eerste onderdeel, voorwerp van de ingestelde strafvordering zijn, die materiële feiten die aan de grondslag liggen van de door het openbaar ministerie voorgestelde wettelijke kwalificatie, en die bedoeld zijn -in casu- in de vordering tot gerechtelijk onderzoek van het openbaar ministerie; het bestreden arrest uitdrukkelijk vaststelt dat een aantal lastens eiser bewezen verklaarde feiten slechts aan het licht kwamen ingevolge het gerechtelijk onderzoek; het arrest aldus niet zonder de vordering tot gerechtelijk onderzoek van de procureur des Konings te interpreteren op een wijze die onverenigbaar is met de zin en de bewoordingen ervan, kon beslissen dat deze tijdens het gerechtelijk onderzoek aan het licht gekomen feiten vervat waren in de vordering tot gerechtelijk onderzoek, en aldus in de saisine van de onderzoeksrechter vielen; het arrest aldus evenmin kon oordelen dat deze feiten vervat waren in de aan de instelling van de strafvordering voorafgaande vraag tot advies; het arrest derhalve schending inhoudt van de bewijskracht van de akten houdende, enerzijds, de vordering tot gerechtelijk onderzoek van het openbaar ministerie (stuk 12) en, anderzijds, de vraag tot adviesverlening aan de bevoegde gewestelijke directeurs (stuk 6) (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek);
en terwijl, tweede onderdeel, de motieven van het bestreden arrest door tegenstrijdigheid zijn aangetast; het tegenstrijdig is, enerzijds, vast te stellen dat bepaalde van de lastens eiser bewezen verklaarde feiten slechts ingevolge het gerechtelijk onderzoek aan het licht kwamen, en, anderzijds, te beslissen dat deze zelfde feiten vervat waren in de vordering tot gerechtelijk onderzoek, en aldus vielen in de saisine van de onderzoeksrechter, en -impliciet dat deze feiten ook vervat waren in de aan de instelling van de strafvordering voorafgaande vraag tot advies; het bestreden arrest aldus niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet);
en terwijl, derde onderdeel, in zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat het bestreden arrest op wettelijke wijze kon beslissen dat de ingevolge het gerechtelijk onderzoek aan het licht gekomen feiten vallen in de saisine van de onderzoeksrechter, uit de artikelen 350 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en 74 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, zoals van kracht vóór de wet van 28 december 1992, volgt dat betreffende deze feiten de procureur des Konings verplicht was om vóór de instelling van de strafvordering het advies van de bevoegde gewestelijke directeur der Directe Belastingen en de bevoegde gewestelijke directeur van de Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te vragen; het bestreden arrest, in de mate het vaststelt dat een aantal lastens eiser bewezen verklaarde feiten slechts aan het licht kwamen ingevolge het gerechtelijk onderzoek, niet op wettelijke wijze kon beslissen dat de betreffende feiten het voorwerp hebben uitgemaakt van een aan de instelling van de strafvordering voorafgaande vraag tot advies; het arrest aldus op onwettige wijze besluit tot de ontvankelijkheid van de strafvordering uit hoofde van de tijdens het gerechtelijk onderzoek aan het licht gekomen feiten (schending van de artikelen 350 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en 74 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, zoals van kracht vóór de wet van 28 december 1992)
Wat het eerste en het tweede onderdeel betreft
Overwegende dat de appèlrechters oordelen : "eerstens dat de feiten die ingevolge het gerechtelijk onderzoek aan het licht kwamen geen 'nieuwe' feiten zijn in de strafrechtelijke betekenis; dat het m.a.w. gaat om feiten die volledig in de saisine van de onderzoeksrechter vallen en dat de regels van de saisine van de onderzoeksrechter ook in fiscale strafzaken onaangeroerd blijven; dat de onderzoeksrechter zich aldus op geen ogenblik tot de procureurs des Konings hoefde te wenden om bijkomend gelast te worden";
Overwegende dat de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek, in voorkomend geval gelezen in context met de erbij gevoegde stukken, bepaalt van welk gepleegd feit of feiten de onderzoeksrechter wordt geadieerd; dat deze vordering kan betrekking hebben onder meer, enerzijds, op een wel bepaald feit, anderzijds, op andere niet precieze maar gelijkaardige feiten waarvan het bepaalde feit het bestaan doet vermoeden; dat in dit geval het de taak is van de onderzoeksrechter de bewijzen van alle feiten in te zamelen;
Overwegende dat de appèlrechters met de vermelde consideransen die niet tegenstrijdig zijn, de bewijskracht van de inleidende vordering van de procureur des Konings niet miskennen;
Wat het derde onderdeel betreft
Overwegende dat de artikelen 350, § 3, Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964, en 74, § 3, Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, zoals van kracht vóór de wet van 28 december 1992, de procureur des Konings, tenzij hij met de feiten bekend was geraakt ingevolge een klacht die is ingediend of een aangifte die is gedaan door ambtenaren van de belastingbesturen van het ministerie van Financiën die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn, verplichtten, indien hij vervolgingen wilde instellen wegens feiten die naar luid van de vermelde wetboeken of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn, het advies te vragen van de ter zake bevoegde gewestelijke directeur onder voeging bij zijn verzoek om advies van het feitenmateriaal waarover hij beschikt;
Overwegende dat de vraag en het advies betrekking kunnen hebben, onder meer, enerzijds, op een bepaald feit, anderzijds, op andere niet precieze maar gelijkaardige feiten waarvan het bepaalde feit het bestaan doet vermoeden; dat in dit geval, wanneer in het kader van het naar aanleiding van deze vraag en advies ingesteld gerechtelijk onderzoek gelijkaardige feiten aan het licht komen, de procureur des Konings niet opnieuw een advies moet vragen;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.