Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 08.12.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, 6e bis KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :
Inzake : 2008/AR/2384
J. S., arts, geboren te … op 24 juni 1963, wonende te …, …;
appellant,
tegen een vonnis gewezen door de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt d.d. 19 juni 2008, aldaar gekend onder nr. AR 06/A/2132;
vertegenwoordigd door Mr. K. M. loco Mr. J. J., advocaat, kantoor houdende te …, … (ref. : 1884/JJ/);
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, doch keuze van woonst doende op het kantoor van de federale overheidsdienst Financiën, directie BTW, registratie en domeinen, gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat, kantoor houdende te …, … (ref. : BTW 1127);
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het voor eensluidend afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen op 19 juni 2008, betekend op 12 augustus 2008 bij exploot van gerechtsdeurwaarder D. V., met standplaats te Hasselt, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 september 2008.
Gehoord partijen in hun middelen en conclusies.
1. Feiten, retroacten, eis en verweer
1.1. De heer J. S., appellant, werd bij arrest uitgesproken door de zevende kamer van het Hof van beroep te Antwerpen op 12 september 2002 schuldig verklaard aan o.a. de tenlasteleggingen A/2bis en B/2bis, hetzij :
"te … op 13 oktober 1993 :
Bij inbreuk op de artikelen 73 en 73bis, alinea 1, van het Wetboek van de Belasting over de toegevoegde waarde, met het oogmerk om een van de in artikel 73 bedoelde misdrijven te plegen, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften, valsheid te hebben gepleegd, namelijk door op het formulier “aangifte van BTW', voorgeschreven door art. 64, § 4 van het BTW-wetboek, valse cijfer-gegevens te hebben aangebracht i.v.m. de verbouwingen aan zijn woning teneinde met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden, meer in het bijzonder het opzet in strijd met art.·45 en 64 van het BTW-wetboek middels voornoemde factuur de bouwwaarde van de woning te motiveren, om alzo verschuldigde BTW te ontduiken;"
En,
"en met hetzelfde bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden gebruik gemaakt te hebben van de valse akte of van het vals stuk wetende dat het vervalst was, te weten :
[...]
Te …
van 13 oktober 1993 tot 3 oktober 1995 :
In casu het sub A/2bis vermelde valse stuk;".
Dit arrest hervormde aldus het vonnis op tegenspraak gewezen door de vijftiende kamer van de correctionele rechtbank te Hasselt op 9 juni 1999, waarbij appellant uit hoofde van de voormelde feiten werd vrijgesproken en de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om uitspraak te doen over de burgerlijke vordering van de FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, directie BTW, geïntimeerde. Het arrest stelde voorts vast dat geïntimeerde geen hoger beroep aantekende tegen de afwijzing door de eerste rechter van haar vordering ten overstaan van appellant zodat het Hof niet gevat is van deze vordering aangezien het bestreden vonnis wat dat betreft in kracht van gewijsde is gegaan.
1.2. Bij dagvaarding betekend op 11 augustus 2006 vordert geïntimeerde de veroordeling van appellant om te betalen de som van … EUR, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 20 januari 1992, de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding.
De vordering betreft de vergoeding van de door geïntimeerde geleden schade ingevolge de frauduleuze handelingen van appellant, zijnde 17 % op de valse facturen ten bedrage van … EUR (… BEF).
1.3. Het bestreden vonnis stelt vooreerst vast dat er in het vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt van 9 juni 1999 nog geen uitspraak werd gedaan omtrent de vordering van geïntimeerde, zodat het principe “non bis in idem" niet van toepassing is. De eerste rechter oordeelt verder dat de vordering geen BTW-schuld betreft, doch wel een vergoeding van schade op grond van artikel 1382 B.W., te weten schade die de schatkist heeft geleden ten gevolge van het bedrieglijk onttrekken door appellant van de haar wettelijk toekomende inkomsten. Het voorwerp van de vordering is bijgevolg geen belastingheffing of -inning, zodat de verjaringstermijn van artikel 81 van het BTW-wetboek niet van toepassing is. Artikel 26 V.T.Sv. is evenmin van toepassing, gezien dit artikel bij wet van 10 juni 1998, in werking getreden op 27 juli 1998, werd gewijzigd. Ten gronde, beslist de eerste rechter dat de door geïntimeerde geleden schade bestaat uit het ontberen van de BTW door het aanwenden van een valse factuur waardoor appellant de inning van de verschuldigde BTW ontliep. Er ligt geen bewijs voor dat appellant de BTW heeft afgedragen. De late indiening van de door artikel 64, § 4 van het BTW-wetboek voorgeschreven aangifte, houdt geen bewijs in dat de BTW op de valse factuur reeds werd afgedragen. Geïntimeerde mag de hoegrootheid van zijn schade bepalen aan de hand van de begrotingsparameters, zoals de ontdoken belastingen, fiscale boeten, interesten en kosten. Gezien de misdrijven volgens het arrest op 13 oktober 1993 werden gepleegd lopen de interesten slechts vanaf die datum. De vordering wordt derhalve ontvankelijk en deels gegrond verklaard en appellant wordt dienvolgens veroordeeld om aan geïntimeerde te betalen de som van … EUR, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 13 oktober 1993, de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding.
1.4. Tegen dit vonnis stelde appellant hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 september 2008.
1.5. In dit verzoekschrift en in syntheseconclusie neergelegd op 12 maart 2009 stelt appellant dat de factuur enkel werd opgesteld met het oog inkomstenbelastingen te ontlopen en dat de BTW op het factuurbedrag werd afgedragen. Volgens appellant zou verder de normale bouwwaarde van de woning moeten worden onderzocht om te weten wat hij had moeten aangeven. Appellant voert verder aan dat de vordering een belastingheffing betreft, die op grond van artikel 81 van het BTW-wetboek verjaard is. De vordering zou zo ook op grond van artikel 26 V.T.Sv. verjaard zijn. In ondergeschikte orde, werpt appellant nog op dat geïntimeerde geen schadevergoeding meer mag vorderen gezien hij zich heeft neergelegd bij de vrijspraak van appellant en de afwijzing van zijn vordering. Meer ondergeschikt, betwist appellant het bestaan van schade en de hoegrootheid hiervan. Tenslotte, voert appellant aan dat geïntimeerde tekort is gekomen aan zijn schadebeperkingsplicht, nu geïntimeerde zes jaar, na zich bij de uitspraak van de correctionele rechtbank te hebben neergelegd, heeft gewacht alvorens tot dagvaarding over te gaan. Voor deze termijn mogen er dan ook geen interesten worden toegekend. Appellant besluit derhalve tot de ongegrondheid van de oorspronkelijke vordering.
1.6. In zijn synthesebesluiten neergelegd op 27 maart 2009 beaamt geïntimeerde de redengeving van het bestreden vonnis en wijst hij erop dat hij na de veroordeling van appellant bij arrest van 12 september 2002 de vordering op 11 augustus 2006 heeft ingesteld. Geïntimeerde besluit derhalve tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
2. Beoordeling
Wanneer de belasting ontdoken wordt door het plegen van het misdrijf zelf, zoals in casu ten gevolge van een overtreding van de artikelen 45, 73, 73bis W.BTW, kan de door het misdrijf ontdoken belasting terzelfder tijd schade uitmaken, zodat deze kan worden ingevorderd door het instellen van een burgerlijke vordering, hetzij voor de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, hetzij afzonderlijk voor de burgerlijke rechter. De omstandigheid dat artikel 85 W.BTW aan de Minister van Financiën bevoegdheid verleent om de verschuldigde belastingen, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren, bij wijze van dwangbevel in te vorderen, doet daaraan geen afbreuk (art. 3 en 4 V.T. Sv.) (Cass. (2e k.) AR P.98.0836.N, 15 februari 2000, AFT 2000 (weergave D. JAECQUES), 434, Arr.Cass. 2000, 123, Bull. 2000, 421, Pas. 2000, I, 123, FJF 2000, 275, RW 2000-01, 1132).
Het recht op schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad ontstaat vanaf het bestaan van schade die uit een fout volgt en de verjaringstermijn begint te lopen vanaf de dag waarop het recht om de rechtsvordering tegen de aansprakelijke in te stellen ontstaat (vgl. Cass. (1e k.) AR C.03.0545.N, 11 februari 2005, Arr. Cass. 2005, 356, Pas. 2005, 350, RW 2007-08 (samenvatting), 231, noot). In casu werd de fout gekwalificeerd als de vervalsing van een factuur, in de tijd gesitueerd op 13 oktober 1993, zodat de rechtsvordering in betaling van schadevergoeding op die dag is ontstaan.
De vordering in schadevergoeding betreft geen belastingvordering en valt bijgevolg niet onder de toepassing van artikel 81 van het BTW-wetboek.
Artikel 26 V.T.Sv., zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 10 juni 1998 (B.S., 17juli 1998) bepaalt :
"De burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere·wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade. Zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering."
Zoals reeds hierboven aangenomen is de rechtsvordering vóór de inwerkintreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring ontstaan, zodat de nieuwe verjaringstermijn van artikel 2262bis B.W. in casu, bij toepassing van artikel 10 van de wet van 10 juni 1998, is beginnen te lopen vanaf de inwerkingtreding van deze wet, hetzij 10 dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad van 17 juli 1998, d.i. 27 juli 1998.
Artikel 2262bis, § 1, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt :
"Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.
In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon."
De vordering werd door geïntimeerde ingesteld bij dagvaardingsexploot betekend op 11 augustus 2006.
Volgende mogelijkheden inzake verjaring van de vordering doen zich derhalve mogelijks voor :
1. de vordering betreft een persoonlijke rechtsvordering : toepassing van de tienjarige verjaringstermijn, zodat de vordering op 27 juli 2008 zou verjaren;
2. de verjaring van de strafvordering is, overeenkomstig de vaststellingen van het arrest van de zevende kamer van het Hof van beroep te Antwerpen van 12 september 2002, gestuit op 8 juli 1999 door het kantschrift waarmee de zaak naar de griffie van het Hof werd verzonden : de strafvordering zou alsdan verjaard zijn op 8 juli 2004 en zou de burgerlijke rechtsvordering niet eerder kunnen verjaard zijn;
3. de vordering betreft een rechtsvordering tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, die door verloop van vijf jaar verjaart vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade : geïntimeerde heeft zich burgerlijke partij gesteld voor de correctionele rechtbank te Hasselt en zou desgevallend moeten geacht worden reeds of ten laatste op dat ogenblik kennis te hebben gehad van zijn schade, zodat ook meer dan vijf jaar verlopen zouden kunnen zijn op het ogenblik van het instellen van de vordering.
Door het Hof dient te worden vastgesteld dat geen van de partijen standpunt heeft ingenomen omtrent de gevolgen van de toepassing van de bepalingen van de artikelen 26 V.T.Sv., resp. 2262bis, § 1, B.W., zoals gewijzigd bij wet van 10 juni 1998. Het behoort dan ook de heropening van de debatten te bevelen teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over de verschillende mogelijke toepassingen van de bepalingen van de artikelen 26 V.T.Sv., resp. 2262bis, § 1, B.W., zoals gewijzigd bij wet van 10 juni 1998.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en alvorens nader ten gronde recht te doe, beveelt de heropening van de debatten op de terechtzitting van 3 november 2009 om 15.30 uur (voorziene pleitduur : 40') teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen omtrent de gevolgen van de toepassing van de bepalingen van de artikelen 26 V.T.Sv, resp. 2262bis, § 1, B.W., zoals gewijzigd bij wet van 10 juni 1998, op dit geschil en hierover de concluderen.
Bepaalt de termijnen voor de neerlegging en overlegging van conclusies als volgt :
- voor appellant uiterlijk op 31 augustus 2009;
- voor geïntimeerde uiterlijk op 30 september 2009.
Houdt de beslissing omtrent de kosten aan.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van ZESTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN, waar aanwezig waren :
S. B., alleenzetelend raadsheer
G. V., griffier.
G. V. S. B.
Zitting van : 8 december 2009
EINDARREST
Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, ZESDE BIS KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :
S J., arts, geboren op 24 juni 1963 te …, en wonende te …, …
appellant,
tegen het vonnis gewezen door de 10e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt de dato 19 juni 2009, gekend onder het nummer AR 06/A/2132
in persoon verschenen en bijgestaan door Meester S. D. loco Meester J. J., advocaat te …, … (ref.: …)
tegen :
De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, doch keuze van woonst doende op het kantoor van de federale overheidsdienst Financiën, directie BTW, registratie en domeinen, gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester v. L. d. J. A., advocaat te …, … (ref.: …)
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het voor eensluidend afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen op 19 juni 2008 door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, betekend op 12 augustus 2008 bij exploot van gerechtsdeurwaarder D. V., met standplaats te Hasselt, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 september 2008;
Gelet op het tussenarrest uitgesproken door dit Hof op 16 juni 2009;
Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;
1 Retroacten
1.1. In het tussenarrest van 16 juni 2009 heeft het Hof het voorwerp van de vordering, de procedurele antecedenten en de feitelijke gegevens ter zake reeds uiteengezet. Het Hof verwijst hiernaar. Deze uiteenzetting dient hier voor zoveel als nodig als hernomen te worden beschouwd.
1.2. In het tussenarrest heeft het Hof reeds geoordeeld dat het recht op schadevergoeding op de dag van de vervalsing van de factuur, d.i. op 13 oktober 1993, is ontstaan. en dat de vordering geen belastingvordering betreft, die onder toepassing van artikel 81 W.BTW zou vallen. In het tussenarrest wordt verder beslist dat de vordering op grond van onrechtmatige daad onderworpen is aan de bepalingen van artikel 26. V.T.Sv., resp. artikel 2262bis, § 1, B.W., zoals gewijzigd bij wet van 10 juni 1998. De heropening van de debatten wordt dienvolgens bevolen teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen omtrent de gevolgen van de toepassing van de artikelen 26 V.T.Sv., resp. 2262bis, § 1, B.W., zoals gewijzigd bij wet van 10 juni 1998, op dit geschil en hierover te concluderen.
1.3. In zijn syntheseconclusie, neergelegd op 27 augustus 2009, stelt appellant dat geïntimeerde op 3 oktober 1995 een klacht met burgerlijke partijstelling deponeerde, zodat hij minstens sedert deze datum kennis heeft van zijn schade en de identiteit van de schadeverwekker (in casu appellant) en de verjaring aldus overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, tweede lid, B.W. in principe ingetreden is op 3 oktober 2001. Doordat artikel 26 V.T.Sv. echter bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering niet kan verjaren vóór de strafvordering, dient in casu de verjaringstermijn voor de stafvordering onderzocht te worden. De verjaringstermijn van de strafvordering kwam te vervallen op 8 juli 2004. De burgerlijke vordering kwam dan ook minstens op 8 juli 2004 te vervallen gezien geïntimeerde kennis had van de gevorderde schade en de identiteit van de schadeverwekker. Voor het overige herneemt appellant de argumentatie ontwikkeld in zijn syntheseconclusie neergelegd op 12 maart 2009. Appellant besluit derhalve tot de niet-ontvankelijkheid minstens ongegrondheid van de oorspronkelijke vordering.
1.4. In zijn synthesebesluiten na tussenarrest, neergelegd op 30 september 2009, stelt geïntimeerde dat de twee cumulatief te vervullen voorwaarden van artikel 2262bis B.W. pas op datum van het arrest van het Hof van beroep van 12 september 2002, waarbij appellant schuldig werd bevonden aan de hem ten laste gelegde feiten, zijn vervuld en dat geïntimeerde pas vanaf dan een vordering tegen een welbepaalde persoon kon instellen. Ten gronde, herneemt geïntimeerde de argumentatie reeds ontwikkeld in de synthesebesluiten neergelegd op 27 maart 2009. Geïntimeerde besluit derhalve tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
2. Beoordeling
2.1. Artikel 26 V.T.Sv., zoals vervangen bij artikel 2 van de Wet van 10 juni 1998 (B.S., 17 juli 1998) bepaalt :
"De burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade. Zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering."
De rechtsvordering is vóór de inwerkingtreding van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring ontstaan, zodat de nieuwe verjaringstermijn van artikel 2262bis B.W. in casu, bij toepassing van artikel 10 van de Wet van 10 juni 1998, is beginnen te lopen vanaf de inwerkingtreding van deze Wet, hetzij 10 dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad van 17 juli 1998, d.i. 27 juli 1998.
Artikel 2262bis, § 1, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt :
"Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar. In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon."
Voormelde bepalingen hebben tot doel het slachtoffer ertoe te verplichten te goeder trouw en dadelijk te handelen. De titularis van de vordering kan met andere woorden niet in alle omstandigheden volhouden dat hij niet op de hoogte was, teneinde aan de werking van de verjaringstermijn van 5 jaar te ontsnappen. De feitenrechter beoordeelt die voorwaarden (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1087/7, Verslag namens de Commissie voor de Justitie, p. 9).
2.2. De vordering werd door geïntimeerde ingesteld bij dagvaardingsexploot betekend op 11 augustus 2006.
De vordering betreft geen persoonlijke rechtsvordering, doch wel een rechtsvordering tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, die door verloop van vijf jaar verjaart vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade en van de ·identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.
Uit de authentieke vermeldingen van het arrest van de zevende kamer van het Hof van beroep te Antwerpen van 12 september 2002 dient het Hof vast te stellen dat geïntimeerde op 3 oktober 1995 klacht met burgerlijke partijstelling heeft neergelegd in handen van onderzoeksrechter T. H. te Hasselt.
De burgerlijke partijstelling is de rechtshandeling waardoor een door een misdrijf benadeelde persoon voor de strafrechtsmachten een vordering instelt tot vergoeding van dit nadeel (R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu Uitgevers,1994, nr. 65, p. 51).
Wanneer de strafvordering nog niet bestaat, heeft de burgerlijke partijstelling voor gevolg dat de strafvordering ipso facto wordt ingesteld, en dat de strafrechtsmachten dus uitspraak moeten doen, niet alleen over de burgerlijke vordering, doch ook over deze strafvordering (Cass., 10 februari 1913, Pas., 1913, I, 103, conclusie Procureur-generaal TERLINDEN).
Derhalve dient te worden besloten dat moet worden aangenomen dat geïntimeerde op de dag van de neerlegging van zijn klacht met burgerlijke partijstelling kennis had van zijn schade.
Uit de ten laste van appellant weerhouden feiten, te weten de vervalsing van een BTW-aangifte en het gebruik ervan, dient ook te worden afgeleid dat geïntimeerde op datum van de neerlegging van de klacht met burgerlijke partijstelling de identiteit van de dader van deze valsheid kende, minstens niet onwetend hiervan kon zijn. De vrijspraak van appellant door de correctionele rechtbank doet aan de kennis van de identiteit van de dader van de schade verwekkende handeling op datum van de neerlegging van de klacht met burgerlijke partijstelling geen afbreuk.
2.3. De burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter is een wijze waarop de burgerlijke rechtsvordering in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijke Wetboek wordt ingeleid. Wanneer het slachtoffer, voor de strafrechter, zijn vordering vóór de verjaring van de strafvordering instelt, houdt de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering op te lopen tot de beëindiging van het geding (Cass. (2e k.) AR P.07.1523.F, 12 maart 2008, Pas. 2008, 667, RGAR 2008, nr. 14415, VAV 2009, 76, noot F. FERON).
Door het Hof dient te worden vastgesteld dat appellant zich burgerlijke partij heeft gesteld voor de onderzoeksrechter op 3 oktober 1995 en dat het geding te zijn aanzien beëindigd werd met het in kracht van gewijsde treden van het vonnis van de vijftiende kamer van de correctionele rechtbank te Hasselt uitgesproken op 9 juni 1999, waarbij appellant werd vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten en waartegen geïntimeerde geen hoger beroep heeft ingesteld.
Een nieuwe termijn van vijf jaar is alsdan beginnen lopen. Geïntimeerde heeft deze termijn alsook deze voorzien in artikel 26 V.T.Sv., die tot gevolg heeft dat de burgerlijke rechtsvordering niet eerder dan op 8 juli 2004 kon verjaren, laten verlopen en zijn burgerlijke rechtsvordering in vergoeding van zijn schade pas ingesteld bij dagvaarding betekend op 11 augustus 2006 (hetzij ook bijna vier jaar na het arrest van de zevende kamer van het Hof van beroep te Antwerpen van 12 september 2002).
De vordering is dan ook ongegrond wegens verjaring.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;
Het tussenarrest van 16 juni 2009 verder uitwerkend,
Verklaart het hoger beroep gegrond;
Doet dienvolgens het bestreden vonnis teniet, en opnieuw recht doende;
Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond;
Wijst geïntimeerde ervan af en veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot aan de zijde van appellant op … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 8 december 2009, waar aanwezig waren :
S. B., alleenzetelend Raadsheer
R. V. G., Griffier.
R. V. G. S. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.