Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 2 februari 2005

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-rechtbank-hasselt-2005-02-d5b5

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
2 februari 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

165 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 02.02.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE A.R. nr. 98/0412/A

N.V. F. A., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder nummer …, geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE ….

Eiseres, vertegenwoordigd door Mr. H. V., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Hasselt, wiens burelen gevestigd zijn te Hasselt, Voorstraat 43.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

Verweerder, vertegenwoordigd door Mr. R., advocaat te …, ….

EN INZAKE :

F. N.V. … te …, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt …, BTW nummer BE ….

Eiseres, vertegenwoordigd door Mr. V., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE DER DIRECTE BELASTINGEN, in de persoon van de gewestelijk directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder, vertegenwoordigd door Mr. R., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

Inzake AR 03/235/A

- het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie op 03.02.2003, met aangehecht een afschrift van de directorale beslissing van 24.01.2003;

- de besluiten, tweede aanvullende besluiten en stukken van verweerder;

- de conclusies en stukken van eiseres.

Inzake AR 98/412/A :

- het exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … van 17.02.1998 waarbij verzet werd aangetekend tegen het dwangbevel uitgevaardigd door e.a. inspecteur J. R. op 29.01.1998, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. C., gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 04.02.1998;

- de conclusies, aanvullende conclusies neergelegd ter griffie op 10.06.2003, de aanvullende besluiten neergelegd ter griffie op 22.06.2004 en stukken van verweerder;

- de conclusies neergelegd ter griffie op 28.02.2002, de conclusies neergelegd ter griffie op 12.02.2004 en stukken van eiseres.

Feiten en voorgaanden :

Inzake AR 03/235/A

De betwisting inzake directe belastingen heeft betrekking op twee aanslagen in de vennootschapsbelasting gevestigd in hoofde van eiseres voor de gemeente …, te weten :

- een aanslag voor het aanslagjaar 1994, kohierartikel 858021 voor een te betalen bedrag van … BEF (€ …);

- een aanslag voor het aanslagjaar 1995, kohierartikel 758122 voor een te betalen bedrag van … BEF (€ …).

Eiseres diende op 29.11.1994 een tijdige aangifte in de vennootschapsbelasting in voor het aanslagjaar 1994 (stukken 161 t.e.m. 167 van het administratief dossier). Op 21.12.1995 diende zij tijdig haar aangifte voor het aanslagjaar 1995 in (zie stukken 286 t.e.m. 292 van het administratief dossier).

- Wat betreft het aanslagjaar 1994 :

Voor het aanslagjaar 1994 werden er twee afzonderlijke berichten van wijziging verstuurd aan eiseres.

Bij bericht van wijziging van 26.11.1996 voor aanslagjaar 1994 (stukken 255 t.e.m. 257 van het administratief dossier) werd aan eiseres het voornemen meegedeeld om voor het aanslagjaar 1994 het belastbaar inkomen vast te stellen op … BEF (€ …) onder meer doordat er enerzijds een onderschatting van het actief t.b.v. … BEF (€ …) werd vastgesteld en anderzijds er voor een bedrag van … BEF (€ …) bijkomend diende gefactureerd te worden.

Bij aangetekende brief van 29.09.1997 werd aan eiseres meegedeeld dat in toepassing van art. 333, 3° lid WIB 92 de onderzoekstermijn werd uitgebreid tot aanslagjaar 1994, boekjaar 01.01.1993 tot 30.06.1994 om redenen dat in het boekjaar 1995/1995 werd vastgesteld dat niet alle verkopen werden opgenomen in de boekhouding en dat er een vermoeden bestond dat dit evenmin gebeurde in het boekjaar 1993/1994 (zie stuk 259 van het administratief dossier).

Bij bericht van wijziging van 27.01.1998 voor aanslagjaar 1994 (stukken 260 t.e.m. 264 van het administratief dossier) werd aan eiseres meegedeeld dat uit nazicht van 2 listings die in beslag waren genomen door de gerechtelijke instanties in het kader van een strafonderzoek, bleek dat niet alle geleverde goederen en/of prestaties werden gefactureerd en in de boekhouding werden opgenomen. Vervolgens werd het voornemen meegedeeld om deze zwarte inkomsten die door eiseres niet in de aangifte werden vermeld, in totaal voor een bedrag van … BEF (€ …), als meerwinst in de verworpen uitgaven op te nemen. Tevens werd een belastingverhoging van 50 % aangekondigd.

Namens eiseres werd het bericht van wijziging van 27.01.1998, beantwoord met een niet-akkoord (zie stukken 266 t.e.m. 271 van het administratief dossier).

Bij brief van 23.02.1998 deelde de administratie aan eiseres mee dat wat betreft het aanslagjaar 1994 de belastbare basis behouden blijft zoals bepaald in het bericht van wijziging van 27.01.1998 vermits er geen argumenten werden aangevoerd of bescheiden werden voorgelegd die van die aard zijn om het voorheen ingenomen standpunt te wijzigen (zie stuk 274 van het administratief dossier).

Op 06.04.1998 werd de aanslag voor het aanslagjaar 1994 gevestigd overeenkomstig het bericht van wijziging van 27.01.1998 (zie stuk 285 van het administratief dossier).

Bij brief van 06.05.1998, ontvangen bij de administratie op 08.05.1998, werd er namens eiseres bezwaar aangetekend (stukken 2 en 3 van het administratief dossier).

- Wat betreft het aanslagjaar 1995 :

Voor het aanslagjaar 1995 werd aan eiseres meegedeeld met bericht van wijziging van 25.11.1997 (stukken 384 t.e.m. 392 van het administratief dossier) dat uit nazicht van 3 listings die in beslag waren genomen door de gerechtelijke instanties in het kader van een strafonderzoek bleek dat niet alle geleverde goederen en/of prestaties werden gefactureerd en in de boekhouding werden opgenomen. Vervolgens werd het voornemen meegedeeld om deze zwarte inkomsten die door eiseres niet in de aangifte werden vermeld, in totaal voor een bedrag van … BEF (€ …), als meerwinst in de verworpen uitgaven op te nemen. Tevens werd een belastingverhoging van 50 % aangekondigd.

Het bericht van wijziging van 25.11.1997 voor het aanslagjaar 1995 werd beantwoord met een gemotiveerd niet-akkoord bij afzonderlijke brieven van 09.12.1997. Namens eiseres werd gesteld dat de lijsten waarop gesteund werden niet correct zijn en dat er geen conclusies uit getrokken kunnen worden. Tevens werden er lijsten bijgevoegd waarvoor de facturatie wel overeenstemde met de bestelbons, niettegenstaande uit de lijsten van het gerechtelijk dossier ten onrechte zou blijken dat het om "zwarte" leveringen zou gaan (zie stukken 433 t.e.m. 443 van het administratief dossier).

Bij aangetekende brief van 16.12.1997 stelde de administratie dat de door eiseres voorgelegd lijst vergeleken werd met de lijsten die bij het bericht van wijziging van 25.AA.1997 waren gevoegd en dat hieruit was komen vast te staan dat enerzijds bepaalde bedragen dubbel werden opgenomen op de lijst van de administratie en anderzijds dat bepaalde bedragen gefactureerd werden. Door de administratie werden verbeterende lijsten meegedeeld aan eiseres. Tevens werd de in het bericht van wijziging vooropgestelde meerwinst verminderd tot … BEF (€ …) (zie stukken 460 t.e.m. 465 van het administratief dossier).

Vervolgens werd de aanslag voor het aanslagjaar 1995 ingekohierd.

Bij brief van 23.01.1998 met bijlagen werd er namens eiseres bezwaar aangetekend tegen de aanslag voor het aanslagjaar 1995 ( stukken 5 t.e.m.135 van het administratief dossier).

Bij directorale beslissing van 24.01.2003 werden de bezwaarschriften gericht tegen de aanslagen in de vennootschapsbelastingen voor de aanslagjaren 1994 en 1995 ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en werd er aan eiseres een ontheffing verleend van € ….

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 03.02.2003, stelde eiseres fiscaal verhaal in.

Eiseres vordert :

“- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren,·

- de aanslag gevestigd op naam van appelanten voor de gemeente …, met betrekking tot :

- aanslagjaar 1994, inkomsten 1993, vennootschapsbelasting, artikel 858021, voor een te betalen bedrag van € … (… BEF) en

- aanslagjaar 1995, inkomsten 1994, vennootschapsbelasting, artikel 758122, voor een te betalen bedrag van € … (… BEF) nietig te verklaren;

- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van deze aanslag werden geïnd;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding".

Inzake AR 98/412/A

Eiseres is ingevolge de door haar uitgeoefende beroepsactiviteit van het vervaardigen van, het bewerken en verwerken van en de handel in alle mogelijke metaalproducten, het gieten of het smeden van alle ferro en non­ferro metalen, glas- en kunststofverwerking alsmede handel en het plaatsen ervan geregistreerd als BTW-belastingplichtige met BTW-nummer … en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Op 26.01.1998 werd door de heer Y. L. R., e.a. verificateur verbonden aan de administratie van de BTW, registratie en domeinen en ter beschikking gesteld van de administratie van de bijzondere belastingsinspectie, 3e inspectie te Hasselt, een proces-verbaal opgesteld lastens huidige eiseres waarbij werd vastgesteld dat niet alle geleverde goederen of gepresteerde diensten werden gefactureerd en in de boekhouding werden opgenomen. Het totaal bedrag van de niet-facturaties waarvoor geen factuur kon worden voorgelegd bedroeg volgens de controleambtenaar … BEF (€ …), te verdelen als volgt volgens de data van ordernummers op de drie lijsten die door de gerechtelijke instanties werden in beslag genomen bij eiseres en volgens de data van de opgemaakte facturen wanneer gedeeltelijk werd gefactureerd :

- jaar 1992 : … BEF (€ …);

- jaar 1993 : … BEF (€ …);

- jaar 1994 : … BEF (€ …).

Het totaal bedrag van de erop van toepassing zijnde BTW voor de jaren waarvoor de verjaring ingevolge art. 81 W.BTW nog niet was ingetreden bedraagt :

- jaar 1993 : … BEF (€ …);

- jaar 1994 : … BEF (€ …).

De heer Y. L. R. deed deze vaststellingen op basis van :

- de inzage van het BTW-dossier van eiseres;

- de inzage van het gerechtsdossier met nr. 78/381/94, waarvoor er door de Procureur-Generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen op 26.04.1995 toelating werd verleend tot het nemen van inzage en afschrift van dit strafdossier aan de door de gewestelijk directeur aangeduide ambtenaren;

- de controle van de boekhouding van eiseres voor de periode van 01.01.1992 tot en met 30.06.1995.

Deze vaststellingen resulteerden in een BTW-navordering als volgt begroot :

- BTW : … BEF (€ …)

- geldboete overeenkomstig art. 70, § 1 en 70, § 2 W.BTW gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belastingen en afgerond overeenkomstig art. 4, § 1 van het KB nr. 41 van 30.01.1987 : … BEF (€ …)

- wettelijke intresten overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW berekend aan 0,8 % per maand vanaf 21.07.1995 over de som van … (€ …)

Op 29.01.1998 werd tegen eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 26.01.1998. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 04.02.1998, en met een bevel tot betaling op 11.02.1998 bij exploot van D. V., gerechtsdeurwaarder te Hasselt, aan eiseres betekend.

In dit dwangbevel werden de hierboven vermelde bedragen gevorderd van eiseres alsook de moratoire intresten over de verschuldigde geldboete vanaf de kennisgeving van het dwangbevel en de vervolgingskosten.

Eiseres ging bij deze rechtbank in verzet tegen dit dwangbevel middels exploot van L. R., gerechtsdeurwaarder te Beringen van 17.02.1998.

Samenvoeging

De rechtbank stelt vast dat de zaken ingeschreven onder het AR nr. 98/412/A en AR nr. 03/235/A bij haar aanhangig zijn en dat de in deze zaken omschreven vorderingen onderling zo nauw verbonden zijn dat het ter wille van een goede rechtsbedeling wenselijk is deze vorderingen samen te behandelen en te berechten. Derhalve voegt de rechtbank de beide zaken met AR.nr. 98/412/A en AR.nr. 03/235/A samen.

Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de samengevoegde vorderingen in de zaken met AR.nr. 98/412/A en AR. nr. 03/235/A wordt niet betwist en de rechtbank bemerkt geen reden om de ontvankelijkheid van de vorderingen ambtshalve in vraag te stellen, zodat zij de vorderingen als ontvankelijk aanneemt.

Beoordeling

1. Aangaande de betwisting inzake de directe belastingen :

1.1. Wat betreft het aanslagjaar 1994 : schending van art. 333, 3° lid WIB 92 :

Eiseres werpt op dat de administratie der directe belastingen art. 333, 3° lid WIB 92 niet naleeft aangezien in de aangetekende brief van 29.09.1997 geen precieze aanwijzing van fiscale fraude in hoofde van eiseres tijdens het aanslagjaar 1994 wordt opgegeven.

Art. 333, 3° lid WIB 92 bepaalt dat de administratie gedurende een aanvullende termijn van twee jaar onderzoekingen mag doen op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen van inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.

Het schrijven moet derhalve eiseres op nauwkeurige wijze in kennis stellen van de aanwijzingen die er bestaan dat eiseres de belastingen die zij verschuldigd is, zou ontduiken.

Bij aangetekende brief van 29.09.1997 stelde de administratie :

"(…) Ik heb de eer U mee te delen dat ik bij toepassing van art. 333, 3° lid WIB 92 de onderzoekstermijn uitbreid tot aanslagjaar 1994, boekjaar 1/1193 tot 30/6/94.

De reden hiervan is gelegen in de vaststelling dat in het boekjaar 1994/1995 niet alle verkopen werden opgenomen in de boekhouding en het vermoeden bestaat dat dit evenmin gebeurde in het boekjaar 1993/1994. (...)"

(stuk 259 van het administratief dossier).

Uit de brief blijkt dat de door de belastingadministratie gehanteerde aanwijzingen inzake fraude door de administratie zelf worden gesitueerd in het boekjaar 1994/1995, aanslagjaar 1995, en niet in de aanslagjaren daaraan voorafgaand.

Ter uitbreiding - in de zin van art. 333, 3° lid WIB 92 - van de aanslagtermijnen naar het aanslagjaar 1994, kan de belastingadministratie evenwel geen in aanslagjaar 1995 gesitueerde en aan dat specifieke jaar verbonden aanwijzingen van fraude zonder meer extrapoleren naar voorheen.

Nu uit geen gegeven blijkt dat er aanwijzingen van rechtstreekse fraude bestond in het aanslagjaar 1994, geschiedde de uitbreiding van onderzoekstermijn onterecht en gebeurden alle daarna gestelde daden van onderzoek met betrekking tot het aanslagjaar 1994 onwettig.

Art. 346, 3° lid WIB 92 bepaalt dat de uit het voorgaande voortgevloeide aanslag nietig is zodat de aanslag voor het aanslagjaar 1994, kohierartikel 858021 voor een te betalen bedrag van … BEF (€ …) nietig dient te worden verklaard.

1.2. Wat betreft het aanslagjaar 1995 :

1. De betwiste aanslag voor het aanslagjaar 1995 werd gevestigd bij toepassing van art. 346 WIB 92. De belastbare grondslag werd vastgesteld krachtens art. 340 WIB 92, hetzij op grond van feitelijke vermoedens.

2. In huidig dossier voert verweerder aan dat hij het bewijs van het belastbaar inkomen levert aan de hand van feitelijke vermoedens en dat eiseres bijgevolg het tegenbewijs moet leveren.

De belastingadministratie kan het inkomen van de belastingplichtige bewijzen aan de hand van feitelijke vermoedens op voorwaarde dat deze uitgaan van bekende en vaststaande gegevens. De feitelijke vermoedens moeten ernstig, nauwkeurig en met elkaar overeenstemmend zijn om bewijskracht te hebben.

De rechtbank dient na te gaan in hoeverre het bewijs van de meerwinst van eiseres aan deze voorwaarden voldoet.

De administratie beroept zich vooreerst op de vaststellingen die zij heeft gedaan naar aanleiding van de inzage van het strafdossier en meer bepaald uit de inzage van de door de gerechtelijke politie in beslag genomen lijsten :

- "werken in uitvoer: afdeling aluminium" (stukken 558 t.e.m. 584 van het administratief dossier);

- "werken in uitvoer PVC" (stukken 585 t.e.m. 622 van het administratief dossier);

- "werken in uitvoer afdeling aluminium" (stukken 623 t.e.m. 639 van het administratief dossier),

en de verklaringen die zijn opgenomen in het gerechtelijk onderzoek en waarvan een afschrift is gevoegd in het administratief dossier (stukken 499 t.e.m. 553 van het administratief dossier).

De lijsten "werken in uitvoer" die in beslag werden genomen door de gerechtelijke politie zouden volgens de administratie aantonen dat er een systeem van "zwarte leveringen en werken" werd opgezet door eiseres. De administratie was van oordeel dat de lijsten een kolom met de zogenaamde "witte" inkomsten en een kolom met de zogenaamde "zwarte" inkomsten bevatten en heeft op basis van die vaststelling de meerwinst berekend. Bij nazicht van de voorgelegde boeken en facturen werd er door de taxatieambtenaren van de BBI de overeenstemming nagegaan tussen de naam van de klant, het ordernummer en de gefactureerde bedragen en de bedragen die op de lijsten voorkomen en hieruit zou blijken dat er enerzijds een aantal bedragen werden gefactureerd en in de boekhouding werden opgenomen doch dat er anderzijds een groot aantal bedragen niet werden gefactureerd of voor een lager bedrag werden gefactureerd.

Verder zou uit de diverse verklaringen en verhoren afgelegd in kader van het gerechtelijk onderzoek van onder meer P. C., K. V., L. D., J. B., M. G., e.a. zijn komen vast te staan dat een belangrijk deel van de werkzaamheden van eiseres "in het zwart" gebeurden.

De administratie stelt vast dat deze vaststellingen en feiten een geheel van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen waaruit besloten dient te worden dat eiseres inkomsten heeft genoten die aan de belastingen werden onttrokken.

Eiseres is van oordeel dat verweerder zijn taxatie niet op een geldig vermoeden heeft gesteund en dat deze taxatie derhalve willekeurig is.

De rechtbank is van oordeel dat de lijsten "werken in uitvoer" die in beslag werden genomen door de gerechtelijke politie in het kader van het strafonderzoek op zich niet volstaan om de "zwarte" leveringen en prestaties te bewijzen.

Ingevolge de opmerkingen namens eiseres geformuleerd op het bericht van wijziging van 25.11.1997 erkende de administratie dat er enerzijds bepaalde bedragen dubbel werden opgenomen op de lijsten en dat er anderzijds bepaalde bedragen wel gefactureerd waren (stukken 460 t.e.m. 465 van het administratief dossier).

Vervolgens heeft de administratie verbeterende lijsten meegedeeld aan eiseres en de in het bericht van wijziging vooropgestelde meerwinst verminderd tot … BEF (€ …).

Ook in de bezwaarprocedure diende de administratie terug te komen op het voorheen ingenomen standpunt en werd er erkend dat bepaalde leveringen en prestaties die als "zwarte leveringen en prestaties" werden beschouwd toch opgenomen waren in de boekhouding en gefactureerd waren.

In de directorale beslissing van 24.01.2003 werd wederom de in het bericht van wijziging weerhouden meerwinst verminderd en werd er een gedeeltelijke ontheffing verleend.

De rechtbank onderschrijft de in besluiten ontwikkelde argumentatie van eiseres dat er verschillende redenen zijn waaruit blijkt dat het vermoeden waarop de administratie zich heeft gesteund om te stellen dat eiseres in het aanslagjaar 1995 inkomsten heeft behaald die zij niet heeft aangegeven, niet gesteund is op zekere en vaststaande gegevens maar op onbetrouwbare en oncontroleerbare lijsten, o.m. :

- de lijsten vermelden in de hoofding dat het "werken in uitvoering" betreft, terwijl de administratie er van uitgaat dat het om geleverde verkopen en prestaties gaat;

- de lijsten bevatten enkel namen en geen adressen; een genoteerde bestelling werd soms op een andere naam gefactureerd;

- de lijsten bevatten bestellingen op naam van vertegenwoordigers: de facturen werden opgesteld op naam van de cliënten;

- de lijsten bevatten bestellingen met een code"6" : dit betreft de niet bevestigde bestellingen;

Uit de stukken van het dossier blijkt verder dat :

- er in sommige gevallen meer gefactureerd is dan vermeld in de lijsten in de kolom die de zogenaamde "witte inkomsten" zou aanduiden en de kolom die de zogenaamde "zwarte inkomsten" zou aanduiden, samen;

- er in een aantal gevallen zowel de bedragen vermeld op de lijsten in de kolom die de zogenaamde "witte" inkomsten zou aanduiden als in de kolom die de zogenaamde "zwarte" inkomsten zou aanduiden, gefactureerd werden;

- soms een totaal afwijkend bedrag werd gefactureerd dan vermeld in de lijsten.

De lijsten dienen dan ook met de nodige omzichtigheid te worden beoordeeld en volstaan op zich dan ook niet om de "zwarte leveringen en prestaties" te bewijzen.

Ook de door de administratie bijgebrachte afschriften van verklaringen afgelegd in het kader van een gerechtelijk onderzoek volstaan op zich niet om het bestaan van "zwarte inkomsten" te bewijzen. Het volledige strafdossier werd niet aan de rechtbank voorgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen hoogstens een aanwijzing zijn dat er "zwarte inkomsten" werden behaald door eiseres, doch deze aanwijzing kan slechts als voldoende bewezen weerhouden worden als ze bevestigd wordt door andere vaststaande gegevens.

Verweerder brengt evenwel geen andere vaststaande gegevens naar voren om de aanwijzingen die hij heeft te bewijzen. De inhoud van de lijsten waarnaar verwezen wordt, kunnen om hoger uiteengezette redenen immers niet beschouwd worden als vaststaande feiten.

Eiseres houdt daarenboven voor dat de verklaringen die werden afgelegd nadien werden ingetrokken.

Bovendien werd bij arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen van 29.03.2000 de strafvordering onontvankelijk verklaard.

Hiermee rekening houdend dienen de voorgelegde verklaringen dan ook met de nodige omzichtigheid te worden beoordeeld door de rechtbank.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de vermoedens waarop de administratie zich gesteund heeft om te stellen dat eiseres in het aanslagjaar 1995 inkomsten heeft behaald die zij niet heeft aangegeven, niet gesteund zijn op zekere en vaststaande gegevens maar op niet nader controleerbare lijsten en verklaringen van werknemers van eiseres.

Gezien de ondeugdelijkheid van de vermoedens, komt de rechtbank tot de vaststelling dat verweerder niet ten genoegen van recht het bewijs levert van belastbare inkomsten in hoofde van eiseres en dat de door verweerder in hoofde van eiseres gevestigde aanslag willekeurig is en om die reden moet worden vernietigd.

De vordering van eiseres is op dit punt gegrond.

2. Aangaande de BTW-betwisting :

Op 26.01.1998 werd door de heer Y. L. R., e.a. verificateur verbonden aan de administratie van de BTW, registratie en domeinen en ter beschikking gesteld van de administratie van de bijzondere belastingsinspectie, 3e inspectie te Hasselt, een proces-verbaal opgesteld lastens huidige eiseres waarbij werd vastgesteld dat niet alle geleverde goederen of gepresteerde diensten werden gefactureerd en in de boekhouding werden opgenomen. Het totaal bedrag van de niet-facturaties waarvoor geen factuur kon worden voorgelegd bedroeg volgens de controleambtenaar … BEF (€ …).

Het totaal bedrag van de erop van toepassing zijn BTW voor de jaren waarvoor de verjaring ingevolge art. 81 W.BTW nog niet was ingetreden bedraagt :

- jaar 1993 : … BEF (€ …);

- jaar 1994 : … BEF(€ …).

De heer Y. L. R. deed deze vaststellingen op basis van :

- de inzage van het BTW-dossier van eiseres;

- de inzage van het gerechtsdossier met nr. 78/381/94, waarvoor er door de Procureur-Generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen op 26.04.1995 toelating werd verleend tot het nemen van inzage en afschrift van dit strafdossier aan de door de gewestelijk directeur aangeduide ambtenaren;

- de controle van de boekhouding van eiseres voor de periode van 01.01.1992 tot en met 30.06.1995.

De bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal geldt enkel voor wat de controle-ambtenaar persoonlijk heeft vastgesteld, de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen zullen evenwel moeten bewezen worden door de administratie d.m.v. de wettelijk toegestane bewijsmiddelen, onder meer door vermoedens.

De rechtbank is van oordeel dat de gegevens op basis waarvan de controleambtenaar zijn vaststellingen deed, niet toelaten om met zekerheid te stellen dat eiseres leveringen en prestaties in het zwart heeft verricht, hetgeen door eiseres tevens ten stelligste wordt betwist.

De rechtbank verwijst dienaangaande naar hetgeen hoger werd uiteengezet.

De rechtbank dient vast te stellen dat verweerder faalt in zijn bewijslast en dat de vordering in verzet van eiseres gegrond is.

De opgelegde boete is eveneens niet verschuldigd, gelet op het gegeven dat de gevorderde BTW zelf niet verschuldigd is.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Voegt de zaken gesteld onder AR. nr. 98/412/A en AR.nr. 03/235/A samen.

Verklaart de vorderingen inzake directe belastingen ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt de hierna volgende aanslagen gevestigd in de vennootschapsbelasting in hoofde van eiseres voor de gemeente …, te weten :

- een aanslag voor het aanslagjaar 1994, kohierartikel 858021 voor een te betalen bedrag van … BEF (€ …);

- een aanslag voor het aanslagjaar 1995, kohierartikel 758122 voor een te betalen bedrag van … BEF (€ …).

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 29.01.1998 ontvankelijk en gegrond en doet dit dwangbevel teniet.

Zegt derhalve voor recht dat eiseres de in het dwangbevel gevorderde BTW, administratieve geldboete, intresten en kosten niet verschuldigd is.

Veroordeelt verweerder tot de kosten en begroot deze kosten in hoofde van eiseres als volgt :

€ … kosten akte van verzet.

€ … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 02 februari 2005 alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., rechter, en,

De Heer Ph. N. griffier.

Ph. N. M. C.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 41 art. 41 voorkomen