Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 05.03.2001
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 00/371/A Rep. nr. 2001/2787
de heer E. H'A. L., handelaar, wonende te …, …, (tot 1 januari 2000 ingeschreven in HR Veurne nr. … en HR Brugge nr. …), gekend als BTW-belastingsplichtige nr. BE …,
eiser,
voor wie optreedt Meester H. V., advocaat te …
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Oostende, wiens burelen gevestigd zijn te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1, 1e verdieping,
verweerder,
voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat te …
1. RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 1 februari 2000.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Gelet op de verwijzing van deze zaak, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 5 februari 2001.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Eiser is gekend en ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTWregistratienummer …, ingevolge de door hem aangevatte activiteit van zelfstandige uitbating van groot- en kleinhandel in maroquinerie.
Bij inzage van het fiscaal dossier dat op naam van eiser werd bijgehouden door de administratie der directe belastingen en na vergelijking van de gegevens uit de BTWaangiften bleek dat eiser m.b.t. de omzet van 1996 nog 231.202 BF aan BTWrechten was verschuldigd.
Op 27 juli 1999 werd een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd.
Op 27 september 1999 werd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 30 september 1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de e.a. Inspecteur van het BTW-controlekantoor te Veurne, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 28 december 1999 bij aangetekende brief aan eiser opgestuurd.
2.2. Eiser vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat het dwangbevel, uitgevaardigd op 27 september 1999 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30 september 1999, wordt vernietigd. Verder vordert eiser de terugbetaling van alle sommen, die wederrechtelijk op grond hiervan werden geïnd, verhoogd met de intresten vanaf het ogenblik van betaling. In ondergeschikte orde vraagt eiser dat de rechtbank de boete die betrekking heeft op het dwangbevel, kwijtscheldt of herleidt.
Tevens vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, zijnde de dagvaardingskosten ten bedrage van 8.604 BF en de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 12.400 BF en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 12.600 BF rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de motivering van het dwangbevel
3.1.1. Eiser stelt dat het dwangbevel niet afdoende gemotiveerd is aangezien in het proces-verbaal ten onrechte wordt aangenomen dat de gevolmachtigde van eiser met de directe belastingen een akkoord over meeromzet ondertekende en dat er geen andere elementen aangehaald worden om te besluiten dat een meeromzet moet weerhouden worden.
3.1.2. In het dwangbevel de dato 27.09.1999 wordt verwezen naar het bijgevoegd voor eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal de dato 27.07.1999.
De BTW-administratie heeft in het bestreden dwangbevel en in het bijgevoegd proces-verbaal de dato 27 juli 1999 haar vordering verdedigd door te bewijzen dat er terecht een omzetverhoging werd belast en door het juiste bewijs van deze omzetverhoging bij te brengen.
Het dwangbevel in casu voldeed derhalve aan de vereiste van formele motivering en deze motivering was tevens voldoende om de vordering gestand te houden. Ze draagt de vordering.
3.2. ten gronde
3.2.1. Uit stuk 7 van verweerder blijkt dat er voor het jaar 1996 inzake directe belastingen een akkoord werd gesloten over de verhoging van de nettowinst met 100.000 BF.
Op grond van deze gegevens stelt verweerder in zijn proces-verbaal van 27 juli 1999 dat er inzake directe belastingen een akkoord werd gesloten over een omzetverhoging ten bedrage van 1.100.000 BF, met als gevolg dat er nog BTW moet voldaan worden over deze niet-aangegeven omzet.
3.2.2. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat er inzake directe belastingen een akkoord werd gesloten over een omzetverhoging ten bedrage van 1.100,000 BF. Daarenboven bewijst verweerder niet dat een meerwinst inzake directe belastingen, een meer omzet inzake BTW. impliceert.
3.2.3. De rechtbank stelt vast dat er in het kader van een indiciaire taxatie voor inkomstenjaar 1996 door de gevolmachtigde van eiser een akkoord werd gesloten met de administratie der directe belastingen waarbij de nettowinst verhoogd werd met 100.000 BF.
Elementen geput uit de aangifte inzake directe belastingen en de wijzigingen die aan deze aangifte zijn aangebracht met instemming van de belastingplichtige, kunnen door verweerder worden aangewend als een bewijs door vermoeden dat niet al de belastbare handelingen werden aangegeven (Hof van Beroep Gent, 20 maart 1996, stuk 13 van verweerder).
Het is dan aan de belastingplichtige om aan te tonen dat de hogere taxatie bij de directe belastingen niet voortvloeit uit aan BTW, onderworpen handelingen wat dan opnieuw door de BTW, administratie kan worden weerlegd.
In casu was er geen enkele aanduiding van verwerping van bedrijfslasten en heeft eiser ook niet aangetoond dat de verhoging van de nettowinst voortkwam uit andere winsten dan deze die voortspruiten uit de omzet van de daar hem gedreven handel.
Verweerder kon zich dan ook terecht steunen op de cijfers van de administratie van de directe belastingen en ervan uitgaan dat de meerwinst resulteerde uit een meer omzet.
3.3. nopens de vergissing in de bedrijfsrekening van 1996
3.3.1. Eiser stelt vervolgens dat hij bij het bepalen van de brutowinst een rekenfout heeft gemaakt van 1.000.000 BF in zijn nadeel.
3.3.2. Samen met verweerder stelt de rechtbank echter vast dat de gevolmachtigde van eiser zich inzake directe belastingen akkoord heeft verklaard met een brutowinst van 3.770.306 BF en met een nettowinst van 760.590 BF.
Het bewijs van de vergissing wordt door eiser niet geleverd.
3.4. nopens de boete
3.4.1. Krachtens artikel 70, § 1 W.BTW. werd aan eiser een boete opgelegd ten bedrage van 46.000 BF.
3.4.2. De normale verschuldigde boete volgens het artikel 70, § 1, eerste lid W.BTW is vastgesteld op het dubbel van de ontdoken rechten.
Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting op de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 70 W.BTW, bepaalt de schaal voor de vermindering van die proportionele fiscale geldboeten. In casu werd de verminderde boete vastgesteld volgens tabel G, rubriek V van het KB nr. 41 op 20 % van de verschuldigde rechten, zijnde 46.000 BF.
3.4.3. De rechtbank stelt vast dat de begane overtreding relatief ernstig is en het algemeen belang schade toebrengt, eiseres brengt bovendien geen enkel argument naar voor die als verzachtende omstandigheid kan worden aangemerkt om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.
De hierboven geschetste concrete omstandigheden verantwoorden het opleggen van de fiscale geldboete. Bovendien is de verminderde fiscale geldboete tot 46.000 BF evenredig met de gepleegde inbreuken.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart het verzet ontvankelijk en ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 12.600 BF, uit hoofde van de rechtplegingsvergoeding (zoals gevorderd).
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op vijf maart tweeduizend en één.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter,
L. N., e.a. adjunct-griffier
N. L. H. N.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.