Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 16.09.2003
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent, 5e kamer - terechtzitting van 16-09-2003
BURGERLIJK
Belastingen
Verzet dwangbevel (BTW)
Nr. 1969/AR/44195
in de zaak van :
S. NV, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk, onder het nummer …,
appellante,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. P., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 14 te 1000 BRUSSEL, en voor zoveel als nodig in de persoon van de heer Directeur der registratie en domeinen en BTW, met kantoren te 8000 BRUGGE, Sint-Katelijnestraat 7,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. C., advocaat te …, …
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 24 juli 1991 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen uitgesproken door de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk op :
- 20 september 1990 waarbij in het belang van een goede rechtsbedeling de zaken onder AR nrs. 21698 en 43036 werden samengevoegd, de vordering tot terugbetaling van … BEF (thans … EUR) en … BEF (thans … EUR), meer de rente en de provisionele schadevergoeding zonder voorwerp werd verklaard en het verzet tegen het dwangbevel (AR 21698) toelaatbaar doch het verzet tegen het dwangbevel (AR 43036) eveneens zonder voorwerp werd verklaard en waarbij de ingeroepen excepties en nietigheden als ongegrond werden afgewezen;
- 18 april 1991 waarbij het verzet tegen het dwangbevel van 28 januari 1982 uitgevaardigd door de ontvanger van de BTW te Kortrijk, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10 februari 1982 en betekend op 11 februari 1982 in uitvoering van … BEF (thans … EUR) en … BEF (thans … EUR), meer de rente vanaf 21 januari 1977 werd afgewezen als ongegrond.
Het hoger beroep strekt er toe de bestreden vonnissen te doen vernietigen en opnieuw wijzende in hoofdorde te zeggen voor recht dat het dwangbevel en de kennisgeving nietig zijn omdat geen openstaande schuld wordt gevorderd, alles vereffend zijnde, door inhouding van het tegoed op de R.C. te Brussel, ondergeschikt omwille van de andere ingeroepen redenen, met het gevolg dat al de ingehouden sommen moeten worden terugbetaald verhoogd met de rente aan 12 % vanaf het ogenblik der inhouding tot aan de terugbetaling indien de inhoudingen wettelijk mochten zijn.
Het hoger beroep strekt er tevens toe het vonnis teniet te doen waar het ten onrechte de terugvordering van … BEF (thans … EUR) en … BEF (thans … EUR) meer de rente en de provisionele schadevergoeding zonder voorwerp verklaarde, voor zover althans deze sommen moeten worden terugbetaald, ingevolge onderhavige redenen, en indien de inhoudingen op de R.C. te Brussel wettelijk mochten zijn, minstens de belastbare basis te herleiden tot … BEF (thans … EUR), met alle terugbetalingen vandien, verhoogd met de rente aan 12 % vanaf de datum der inhouding, indien de inhouding wettelijk mocht zijn.
Uiteindelijk vordert de appellante de boeten kwijt te schelden of te vernietigen dit alles met veroordeling van de Belgische staat in de kosten van de beide aanleggen.
De geïntimeerde vordert de bevestiging van de bestreden vonnissen.
Feitelijke gegevens
1. Op 3 september 1980 werd door K. W. en C. A. van de BBl te Antwerpen proces-verbaal opgesteld waaruit moet blijken dat aan de hand van het extraboekhoudkundig kasboek van de NV D. K. werd vastgesteld dat deze firma in 1976 goederen heeft aangekocht van de appellante voor een bedrag van … BEF zonder dat overeenstemmende officiële verkoopfacturen werden uitgereikt. In het extra-boekhoudkundig kasboek van de NV D. K. werden volgende betalingen geboekt op naam van de appellante :
- 29.01.1976 … BEF (… EUR)
- 18.03.1976 … BEF (… EUR)
- 27.04.1976 … BEF (… EUR)
- 17.06.1976 … BEF (… EUR)
- 26.08.1976 … BEF (… EUR)
- 28.09.1976 … BEF (… EUR)
- 19.10.1976 … BEF (… EUR)
- 17.12.1976 … BEF (… EUR)
Totaal … BEF (… EUR).
Op grond van deze vaststellingen (waaronder verwijzingen naar de processen-verbaal in het straf- dossier) was de appellante verschuldigd :
a) als BTW … BEF (thans … EUR)
b) de wettelijke boete op grond van art. 70, § 1 W.BTW … BEF (thans … EUR), de wettelijke boete op grond van art. 60 W.BTW t.b.v. … BEF (thans … EUR);
c) de van rechtswege verschuldigde intresten op grond van artikel 91, § 1 W.BTW.
2. Op 23 september 1980 werd de appellante aangemaand een bedrag van … BEF (thans … EUR) te betalen (intrest inbegrepen).
3. Bij brief van 15 oktober 1980 van de raadsman van de appellante werd deze vordering integraal betwist. De bewijsvoering werd aangevochten. De niet voorlegging van het boekhoudkundig kasboek werd in vraag gesteld en er werd uitvoerig betoogd dat de rechten van de verdediging werden geschonden.
4. Op 30 oktober 1980 werd aan de appellante een duplicaat van rekeninguittreksel overgemaakt waaruit moest blijken dat de appellante recht had op een terug te ontvangen bedrag van … BEF (thans … EUR).
Op 21 december 1980 werd dit tegoed van … BEF (thans … EUR) ter beschikking gesteld van het ontvangkantoor BTW Kortrijk in plaats van te worden uitbetaald aan de appellante.
5. Op 31 januari 1981 werd een nieuw duplicaat van rekeninguittreksel aan de appellante overgemaakt waaruit ditmaal een tegoed van de appellante bleek van … BEF (thans … EUR) (bewijsstuk 10).
Reeds op 2 maart 1981 stelde de raadsman van de appellante de geïntimeerde in gebreke wegens niet terugbetaling van deze bedragen (stuk 12).
Bij brief van 12 maart 1981 van de hoofdcontroleur werd de aanrekening als volgt verantwoord :
- bedrag van … BEF (thans … EUR) :
* rechten … BEF (… EUR)
* boete … BEF (… EUR)
* intresten … BEF (… EUR);
- bedrag van … BEF (thans … EUR) ingehouden op 26 maart 1981 (stuk 14) :
* rechten … BEF (… EUR)
* intresten … BEF (… EUR).
De optelling van deze bedragen beantwoordt aan het bedrag van de rechten, boeten en intresten zoals blijkt uit het proces-verbaal van 3 september 1980.
Op 13 maart 1981 dagvaardde de appellante de geïntimeerde in terugbetaling van … BEF (thans … EUR) en later eventueel ten onrechte ingehouden sommen omdat geen enkele wettekst de administratie zou toelaten dit tegoed in te houden of er een andere bestemming aan te geven dan de teruggave.
Niettemin werd op 26 maart 1981 nog … BEF (thans … EUR) ingehouden.
6. 0ndanks de inhoudingen op rekening-courant ten bedrage van de beweerde belastingschuld, boeten en intresten werd door de ontvanger van de BTW op 28 januari 1982 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 10 februari 1982 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard voor de bedragen zoals vermeld in het proces-verbaal met de melding dat de appellante zal worden gedwongen door alle middelen die door de wet zijn toegestaan voor de invordering van de rijksgelden.
Dit dwangbevel werd op 11 februari 1982 ter kennis gebracht van de appellante met aanmaning de verschuldigde bedragen te betalen binnen de acht dagen te rekenen vanaf heden (bedoeld wordt 11 februari 1982). Treffend is dat de vermelding "dat tot tenuitvoerlegging' van het dwangbevel zal worden overgegaan" in de kennisgeving werd geschrapt.
7. Bij vonnis uitgesproken op 15 maart 1985 werd de geïntimeerde onder meer veroordeeld tot teruggave aan de appellante van … BEF (thans … EUR) en … BEF (thans … EUR) meer de rente aan 12 % vanaf de respectievelijke data van verplichte teruggave (procedurestuk 6).
Bij arrest uitgesproken op 25 april 1991 door het Hof van Beroep te Gent werd voormeld vonnis vernietigd. Geoordeeld werd dat de administratie geen feitelijkheid begaat wanneer zij in het kader van een goed beheer de belastingkredieten niet terug geeft maar ook zonder voorafgaand dwangbevel inhoudt en daarop ontdoken of teveel afgetrokken belasting in mindering brengt in afwachting van het ingesteld onderzoek en van de beslechting van de ingestelde rechtsgedingen (procedurestuk 7).
Bij arrest van het Hof van Cassatie uitgesproken op 12 maart 1993 werd het arrest uitgesproken door het Hof van Beroep van 25 april 1991 verbroken in zover het beslist dat BTW-tegoeden op BTW-navorderingen kunnen worden toegerekend.
Gemotiveerd werd dat krachtens het toepasselijke artikel 76, § 1, eerste lid van het BTW-Wetboek, wanneer het bedrag van de belasting die ingevolge de artikelen 45 tot 48 van hetzelfde wetboek voor aftrek in aanmerking komt, aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de door de belastingplichtige verschuldigde belasting, het verschil in de regel aan de belastingplichtige wordt teruggegeven en dat de verschuldigde belasting, in de zin van dit artikel, wordt vastgesteld op grond van de werkelijk verrichte leveringen en diensten binnen het tijdvak waarop de afrekening betrekking heeft; dat de op andere gronden (eigen onderlijning) verschuldigde belastingen niet in aanmerking komen om het verschil dat aan de belastingplichtige wordt teruggegeven, te berekenen.
Tenslotte werd geoordeeld dat het bestuur de aldus berekende excedenten slechts mag toerekenen op navorderingen als hij voor die navorderingen een uitvoerbare titel heeft.
Derhalve maakt volgens het Hof van Cassatie het niet teruggeven zonder voorafgaand dwangbevel in afwachting van de beëindiging van het ingesteld onderzoek een schending uit van artikel 76 W.BTW.
Alhoewel de zaak naar het hof van beroep te Brussel werd verwezen ligt een arrest van verwijzing niet voor. Blijkens de derde besluiten neergelegd ter griffie van dit Hof op 5 juli 1999 van de Belgische Staat werden de onrechtmatig ingehouden bedragen op 26 maart 1996 terugbetaald.
8. Onderhavige procedure heeft de nietigverklaring van het dwangbevel tot voorwerp en strekt er toe de terugbetaling te bekomen van de ten onrechte ingehouden sommen van … BEF (thans … EUR) en … BEF (thans … EUR). Deze vordering werd bij de bestreden vonnissen afgewezen.
De appellante betoogt in haar verzoekschrift tot hoger beroep dat de bewijsvoering van de geïntimeerde faalt. Zij betoogt uitvoerig dat het dwangbevel nietig is omdat er geen belastingschuld was op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel. Op procedurevlak voert zij aan dat de vordering van de administratie verjaard is, dat het geheim van het strafonderzoek geschonden is, dat het dwangbevel ongeldig is omdat het door de ontvanger en niet door de Gewestelijke Directeur voor eensluidend met het origineel is verklaard, dat de ondertekenaar daartoe niet gemachtigd zou zijn en dat niet alle schrappingen of toevoegingen correct gebeurden.
Voorts werd aangevoerd door de appellante dat zij niet vooraf werd gehoord, dat de toelating tot inzage niet de toelating tot het nemen van een afschrift inhoudt en dat het zwart kasboek op onwettige wijze werd bekomen.
Beoordeling
Was er een belastingschuld op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel.
Het toen toepasselijke art. 85 W.BTW vormt de grondslag van het dwangbevel en luidde als volgt :
"§ 1. Bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar.
De kennisgeving van het dwangbevel gebeurt bij een ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag.
§ 2. Die kennisgeving :
1° stuit de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten, van de administratieve geldboeten en van het toebehoren;
2° (…)".
De stelling van de appellante is dat het dwangbevel een uitvoerbare titel is en te dezen betrekking heeft op een belastingschuld die reeds was betaald zodat dergelijk dwangbevel geen uitvoerbare titel kan zijn met het gevolg dat dergelijk dwangbevel evenmin de verjaring kan stuiten. Immers werd het dwangbevel betekend alhoewel de administratie wist dat de gevorderde sommen meer dan één jaar te voor "aangezuiverd waren" door inhouding van het tegoed op de rekening-courant te Brussel terwijl de stuitende kracht van het dwangbevel precies zit in de ondubbelzinnige, wil van de schuldeiser, te dezen de BTW-administratie, om de openstaande schulden onmiddellijk betaald te zien. Art. 85 W.BTW is duidelijk, althans de appellante, daar slechts een dwangbevel wordt uitgevaardigd bij gebreke aan voldoening van de hoofdsom, intresten en kosten.
De appellante voegt er aan toe dat het dwangbevel slechts vaststaande en opeisbare schulden tot voorwerp mag hebben hetgeen niet het geval was nu de vordering van de administratie van meet af aan werd betwist. Tevens benadrukt de appellante dat waar het dwangbevel een voorwerp moet hebben dit voorwerp ontbreekt omdat de schuldvordering van de administratie bestaande uit belastingen, boeten en verwijlrente reeds was betaald.
De Belgische staat laat daaromtrent boekhoudkundig aanzuiveren van een gelijk staat met het aanzuiveren gelden dat het vordering niet ervan zodat de "aanzuivering" Op burgerrechtelijk gebied niet tot gevolg kan hebben dat hierdoor dezelfde rechtsgevolgen ontstaan als die van een betaling.
Voorts laat de Belgische Staat gelden dat zelfs wanneer het dwangbevel nietig is als akte van tenuitvoerlegging dit dwangbevel toch nog een geldige verjaring stuitende akte kan uitmaken.
Derhalve moet worden uitgemaakt of het dwangbevel een middel tot tenuitvoerlegging is dat voor zijn geldigheid een uitvoerbare titel veronderstelt en zo ja of dit dwangbevel kan gelden als verjaring stuitend bevel tot betaling.
De geldigheid van het dwangbevel dient te worden beoordeeld vanuit de situatie zoals die bestond op het ogenblik dat ze tot stand kwam.
Uit de feitelijke voorgaanden is tevens komen vast te staan dat het dwangbevel slechts werd uitgevaardigd op een ogenblik dat de beweerde schuld van de appellante aan de administratie door inhouding op de rekening-courant volledig was voldaan.'
Terecht voert de appellante aan dat art. 8/1 van het KB nr. 4 zoals het toen toepasselijk was als een gewone ontvangst tot delging van een openstaande schuld moet worden beschouwd en niet als een bewarend beslag onder derden, hetgeen sedert het gewijzigde art. 8/1 van het KB van 29 december 1992 wel het geval is.
Een dwangbevel is een middel tot tenuitvoerlegging dat voor zijn geldigheid een uitvoerbare titel veronderstelt (Cass., 21 februari 2003, www.cass.be ). Er kan geen uitvoerbare titel zijn wanneer er geen zekere en vaststaande schuld is hetgeen het geval is wanneer de belastingschuld is betaald, ook al gebeurde de inhouding op een manier die achteraf onwettelijk bleek te zijn.
Gelet op de voldoening van de belastingschuld is de kennisgeving van het dwangbevel nietig als akte van tenuitvoerlegging. De vraag rijst evenwel of dit dwangbevel een geldige verjaring stuitende akte kan uitmaken.
Alhoewel de appellante opwerpt dat de bedoeling om het dwangbevel te stuiten moet zijn uitgedrukt in het dwangbevel zelf is dit volgens een recent arrest van het Hof van Cassatie van 10 oktober 2002 niet het geval (Cass., 10 oktober 2002, J.L.M.B., 2002, niet het 1667).
Het toen toepasselijke art. 83 W.BTW bepaalde : "Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring die op dezelfde wijze kan worden gestuit wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is".
Art. 2244 BW bepaalt :
"Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen een burgerlijke stuiting".
In de kennisgeving van het dwangbevel van 11 februari 1982 wordt de appellante aangemaand de verschuldigde bedragen te storten binnen de acht dagen te rekenen vanaf heden. Twijfel zou kunnen rijzen of dit een loutere ingebrekestelling betreft, die op zichzelf geen stuitend effect heeft, dan wel of deze kennisgeving van het dwangbevel als een bijzonder verjaring stuitend betalingsbevel moet worden beschouwd.
Gelet op de geschrapte zinsnede in de kennisgeving van het dwangbevel met name dat "In geval van niet-betaling binnen de gestelde termijn zal ik mij verplicht zien tot de tenuitvoerlegging van het dwangbevel over te gaan" zou kunnen worden aangenomen dat dit dwangbevel de tenuitvoerlegging niet inleidt.
Een bevel tot betaling in de zin van art. 2244 BW vereist dat de schuldenaar verontrust wordt door de kennisgeving ervan en vereist tevens dat de schuldeiser over een titel beschikt die hij gedwongen kan uitvoeren tegen zijn schuldenaar.
Het niet kunnen uitvoeren van een dreigement omdat ingevolge de betaling door inhouding van de rekening-courant de uitvoerbare titel onbestaande is heeft voor gevolg dat dergelijk betalingsbevel een loutere ingebrekestelling is.
Bovendien werd door het Hof van Cassatie geoordeeld dat een betalingsbevel betekend voor een betwiste belastingschuld niet geldig kan zijn en geen stuitende werking heeft (Cass., 10 oktober 2002, R.G.C.F., 2003, blz. 26, noot G. De Leval, J.M.L.B., 2002, 1667; Cass., 21 februari 2003, www.cass.be ).
Op grond van voorgaande overwegingen is het dwangbevel nietig en kan het evenmin als verjaring stuitend betalingsbevel worden beschouwd. In de gegeven omstandigheden is het overbodig de nader te onderzoeken.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond.
Doet de bestreden vonnissen teniet en opnieuw wijzende.
Zegt voor recht dat het op 28 januari 1982 uitgevaardigde dwangbevel, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10 februari 1982 en ter kennis gebracht op 11 februari 1982 nietig is en dat er geen gevolg mag worden aan gegeven.
Beveelt de terugbetaling van de op grond van dit dwangbevel eventueel betaalde bedragen te vermeerderen met de moratoire intrest overeenkomstig art. 93, § 3, 1 W.BTW.
Veroordeelt de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen begroot als volgt :
- aan de zijde van de appellante :
* dagvaarding … EUR
… EUR
* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR
- aan de zijde van de geïntimeerde :
* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare zitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op ZESTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN DRIE.
Aanwezig :
Mevrouw N. v. I., Voorzitter,
De heren A. D. M. en G. T., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. G. T. A. D. M. N. V. I.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.