Procesverloop
2 stappen · 1 jaar 10 maanden- Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg te Antwerpen26.05.2010
- Weergegeven beslissingHof van beroep te Antwerpen27.03.2012
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 27.03.2012
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep Antwerpen, 6e bis kamer burgerlijke zaken
Datum van uitspraak 27 maart 2012 - Rolnummer 2010/AR/3630
Fiscaal - Eindarrest
E. A., wonende te …, …,
eiser in hoger beroep, in persoon verschenen,
tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 26 mei 2010,
tegen :
1. ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in persoon van de Minister van Financiën, wonende te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,
2. ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, de rekenplichtige BTW-ontvangkantoor Turnhout, 2300 TURNHOUT, Spoorwegstraat 22,
verweerders in hoger beroep,
vertegenwoordigd door Mr. P. B. loco Mr. V. D. S. P., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 26 mei 2010, ten verzoeke van de Belgische Staat aan eiser in hoger beroep betekend op 17 november 2010, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 16 december 2010, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. De feiten
1.1. Eiser in hoger beroep was ingevolge de uitgeoefende activiteit van groothandel in computers en aanverwanten onderworpen aan de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten. Hij was als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder nummer ….
Op 28 november 2000 heeft de heer V., verificateur verbonden aan het eerste BTW-controlekantoor te Beringen, bij eiser in hoger beroep een beperkte controle uitgevoerd met betrekking tot de toepassing van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten voor de periode van 1 januari 2000 tot 30 september 2000.
Deze controle resulteert in een correctieopgave met voorstel tot minnelijke regeling.
Eiser in hoger beroep ondertekent op 28 november 2000 deze correctieopgave waarbij hij zich akkoord verklaart een bedrag van € 50.466 BEF (€ 1.251,02) BTW verschuldigd te zijn, te verhogen met de wettelijke intresten en boeten en bereid te zijn de verschuldigde bedragen te betalen door storting of overschrijving op de postrekening van de BTW-Ontvangsten te Mechelen.
Op 1 augustus 2001 vraagt eiser in hoger beroep aan het BTW-kantoor te Beringen om zijn tegoed van de BTW-aangifte van het tweede kwartaal 2001, zijnde 58.666 BEF (€ 1.454,29) te gebruiken voor aanwending van de ontstane schuld op het RCIV te Mechelen. Op 3 augustus 2001 deelt de heer V. mee dat dit niet kan daar het tegoed van het tweede kwartaal 2001 in mindering was gebracht van de nog openstaande schuld op de BTW rekening-courant van eiser in hoger beroep ingevolge vroeger ingediende aangiften met verschuldigde bedragen, met onder meer een ingediende aangifte van het vierde kwartaal 2000 met een te betalen bedrag van 112.810 BEF (€ 2.796,49).
Op 14 mei 2003 wordt door M. J., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het· BTW-ontvangkantoor van Turnhout, een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 16 mei 2003 wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer L. H., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Mol, aangewezen voor de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Hasselt, en bij gerechtsdeurwaarderexploot van 22 december 2003 betekend aan eiser in hoger beroep.
Volgens dit dwangbevel is eiser in hoger beroep volgende bedragen verschuldigd :
- € 1.251,02 als BTW
- € 123,95 als geldboete ingevolge artikel 70, § 1 en 70, §1bis W.BTW
- de intrest van 0,80 % per maand vertraging over de vérschuldigde BTW vanaf 21 oktober 2000
- de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening van het dwangbevel ingevolge artikel 91, § 4 W.BTW
- de vervolgingskosten.
Bij brief van 15 juli 2003 aan het BTW-kantoor te Mol (dat ingevolge de verhuis van eiser in hoger beroep bevoegd is) verzoekt eiser in hoger beroep om een bedrag van 50.466 BEF (€ 1.251,02) te mogen herzien via vak 62 van zijn BTW-aangifte.
Op 24 juli 2003 wordt door de heer R. V., eerstaanwezend verificateur verbonden aan het BTW-controlekantoor te Mol, een controle uitgevoerd, waarna eiser in hoger beroep op 24 juli 2003 een correctieopgave ondertekent waarin hij verklaart een bedrag van € 871,87 aan rechten verschuldigd te zijn, te verhogen met de wettelijke intresten en boete en bereid te zijn de verschuldigde bedragen te betalen door storting of overschrijving op de postrekening van de BTW-Ontvangsten te Mechelen.
1.2. Op 15 januari 2004 wordt door M. J., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Turnhout, een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 20 januari 2004 wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer L. H., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Mol, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Hasselt; en bij gerechtsdeurwaarderexploot van 5 februari 2004 betekend aan eiser in hoger beroep.
Volgens dit dwangbevel is eiser in hoger beroep volgende bedragen verschuldigd :
- € 844,47 als BTW
- de intrest van 0,80 % per maand vertraging over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 2004 te vermeerderen met € 20,16 reeds vervallen intresten
- de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening van het dwangbevel ingevolge artikel 91, § 4 W.BTW
- de vervolgingskosten.
2. De voorafgaande rechtspleging
2.1. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 7 januari 2004, vordert eiser in hoger beroep om de correctieopgave van 28 november 2000 teniet te doen omdat hij van oordeel was dat ·een herziening van zijn toestand zich opdrong.
Deze zaak is bij de rechtbank van eerste aanleg gekend onder rolnummer AR 04/129/A.
Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 10 februari 2004, vordert eisers in hoger beroep om de correctieopgave van 24 juli 2003 teniet te doen.
Deze zaak is bij de rechtbank van eerste aanleg gekend onder rolnummer AR 04/915/A
2.2. Het bestreden vonnis voegt de zaken gekend onder AR 04/129/A en AR 04/915/A samen wegens samenhang en in het belang van een goede rechtsbedeling; weert de stukken van eiser in hoger beroep, neergelegd op de terechtzitting van 28 april 2010, uit de debatten; verklaart de vorderingen toelaatbaar doch ongegrond en wijst ze af; veroordeelt eiser in hoger beroep tot de kosten van de gedingen door verweerder in hoger beroep begroot op tweemaal € 2.100,00 rechtsplegingvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op eenmaal € 1.200,00 rechtsplegingvergoeding voor beide samengevoegde zaken.
De eerste rechter oordeelt dat de correctieopgaven door eiser in hoger beroep voor akkoord werden ondertekend, dat deze correctieopgaven rechtsgeldig zijn en eiser in hoger beroep dan ook gebonden is door deze correctieopgaven en hierop slechts kan terugkomen als hij het bewijs levert dat deze correctieopgaven aangetast zijn door een wilsgebrek en/of een vergissing in rechte of in feite, hetgeen hij mag bewijzen door alle middelen van recht, met uitzondering van de eed, doch waarvan hij niet het minste bewijs levert. De eerste rechter stelt dat eiser in hoger beroep tijdens deze procedure geen enkel ernstig argument naar voor heeft gebracht om deze correctieopgaven te betwisten. De eerste rechter oordeelt dat de vorderingen van eiser in hoger beroep overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. niet in geld uitgedrukt zijn.
2.3. Eiser in hoger beroep heeft bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 16 december 2010, hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Het hoger beroep werd behandeld ter terechtzitting van 28 februari 2012.
3. Vorderingen en standpunten in hoger beroep
3.1. Eiser in hoger beroep vordert de door hem ingediende vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; de door verweerder in hoger beroep gevestigde BTW-bedragen te vernietigen en hem te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.000,00 wegens tergend en roekeloos procederen; en in ondergeschikte orde de aanstelling van een onderzoeksrechter te vorderen voor poging tot oplichting vanwege de BTW-administratie; de kosten ten laste te leggen van verweerder in hoger beroep.
3.2. Verweerder in hoger beroep concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van eiser in hoger beroep tot de kosten van het geding, begroot op € 715,00 rechtsplegingvergoeding.
Verweerder in hoger beroep stelt dat daar eiser in hoger beroep niet het minste bewijs levert dat de door hem ondertekende correctieopgaven zijn aangetast door een wilsgebrek en/of een vergissing in rechte of in feite, de eerste rechter terecht geoordeeld heeft dat de correctieopgaven rechtsgeldig zijn en dat eiser in hoger beroep hierdoor gebonden is. De vorderingen opgenomen in de correctieopgaven werden rechtsgeldig gesteld.
4. Beoordeling
4.1. Eiser in hoger beroep heeft zowel de correctieopgave van 28 november 2000 als de correctieopgave van 24 juli 2003 voor akkoord ondertekend. Hierbij erkent hij enerzijds de som van 50.466 BEF (€ 1.251,02) BTW verhoogd met BTW en intresten en anderzijds € 871,87 BTW verhoogd met boete en intresten verschuldigd te zijn.
Een door de belastingplichtige ondertekende correctieopgave met schulderkentenis, is een fiscaal compromis omtrent feitenkwesties waarbij partijen, ter beëindiging van een geschil, de vaststelling daarvan aanvaarden. Dergelijk akkoord bindt partijen en partijen kunnen er slechts op terug komen indien er sprake is van een wilsgebrek of van een vergissing in feite of in rechte.
Wat de juistheid en de rechtsgeldigheid van de correctieopgaven betreft, sluit het hof zich aan bij de analyse en het besluit van de eerste rechter dat de kwestieuze correctieopgaven rechtsgeldig zijn en dat eiser in hoger beroep er door gebonden is en er slechts kan op terugkomen indien hij het bewijs levert dat deze correctieopgaven aangetast zijn door een wilsgebrek en/of door een vergissing in feite of in rechte, waarvan hij evenwel niet het minste bewijs levert.
4.2. In het verzoekschrift tot hoger beroep verwijst eiser in hoger beroep naar een door hem opgestelde brief van 25 oktober 2001 - die evenwel niet wordt·bijgebracht - waaruit zou moeten blijken dat alle misverstanden opgelost zijn. Uit de brief van de waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Turnhout van 12 november 2001, in antwoord op het schrijven van eiser in hoger beroep van 24 (en niet 25) oktober 2001, blijkt evenwel dat er nog BTW-schulden waren en dat er nog geen oplossing was voor de problemen van eiser in hoger beroep.
Volgens eiser in hoger beroep zou de BTW-administratie van Beringen bij brief van de heer V. van 3 augustus 2001 bevestigd hebben dat er geen openstaande schulden meer zouden zijn. Eiser in hoger beroep brengt dit stuk niet bij. Door verweerder in hoger beroep wordt een schrijven van de heer V. van 3 augustus 2001 voorgelegd, doch hierin wordt enkel aangegeven dat er geen beschikbaar BTWtegoed is op de rekening-courant te Brussel. De rekening-courant van eiser in hoger beroep vertoonde zelfs nog een openstaande schuld van 2.840 BEF (€ 70,40). Het door eiser in hoger beroep aangehaalde schrijven geeft enkel een overzicht van de toestand van de rekening-courant van eiser in hoger beroep te Brussel, en niet van de openstaande schulden op het RCIV te Mechelen die ontstaan zijn na het ondertekenen van de kwestieuze correctieopgaven.
Uit de door verweerder in hoger beroep voorgelegde stukken blijkt duidelijk dat eiser in hoger beroep op de hoogte was van het bestaan van de BTW-schulden. Uit de door het BTW-ontvangkantoor te Turnhout met eiser in hoger beroep gevoerde briefwisseling blijkt dat steeds de nodige aandacht werd besteed aan de brieven van eiser in hoger beroep en dat hem alle informatie werd verstrekt die nodig was om hem zijn situatie uit te leggen. In het laatste schrijven van het BTW-ontvangkantoor van Turnhout van 28 november 2003 werd aan eiser in hoger beroep zelfs de mogelijkheid geboden om een afbetalingsplan voor te stellen.
Het hof dient dan ook vast te stellen dat eiser in hoger beroep ook voor het hof geen enkel ernstig argument naar voor heeft gebracht om de correctieopgaven te betwisten.
4.3. Eiser in hoger beroep vordert de veroordeling van de Belgische Staat tot een schadevergoeding van € 5.000,00 wegens tergend en roekeloos procederen, doch bewijst niet daar er sprake is van een tergend en roekeloos procederen door de Belgische Staat. Uit de voorliggende stukken blijkt integendeel dat de administratie steeds de nodige aandacht heeft besteed aan de vragen van eiser in hoger beroep en hem steeds de nodige informatie heeft verstrekt. Deze vordering is dan ook volkomen ongegrond.
De vordering in ondergeschikte orde tot aanstelling van een onderzoeksrechter wegens poging tot inlichting vanwege de BTW-administratie is al helemaal onbegrijpelijk.
4.4. Het bestreden vonnis is op juiste en oordeelkundige motieven gesteund en dient bevestigd te worden.
Het hoger beroep is ongegrond en eiser in hoger beroep dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.
Beschikkend gedeelte
5. Beslissing
Het hof beslist bij arrest bij tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van A. E. toelaatbaar doch ongegrond.
Het hof bevestigt het beroepen vonnis in al zijn beschikkingen.
Het hof veroordeelt A. E. tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de Belgische Staat begroot op € 715, 00 rechtsplegingvergoeding.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van ZEVENENTWINTIG MAART 2012 door :
D. W., raadsheer wd. Voorzitter;
A. V. L., griffier.
A. V. L. D. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.