Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 26 mei 2010 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 26 mei 2010

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 26 mei 2010Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2010-05-26-a28b

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
26 mei 2010

Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 10 maanden
  1. Weergegeven beslissingRechtbank van eerste aanleg te Antwerpen26.05.2010
  2. Beslissing in beroepHof van beroep te Antwerpen27.03.2012

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

75 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 26.05.2010

Samenvatting niet bschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op zesentwintig mei tweeduizend en tien in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

P. W., alleenzetelend rechter,

N. D., griffier.

In zake: A.R. Nr. 04/129/A + 04/915/A

E. A. J. G.,

scheikundig ingenieur, geboren op 3 december 1951, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer …, thans wonende te …, ….

EISENDE PARTIJ

- persoonlijk verschijnend.

tegen :

BELGISCHE STAAT,

Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Turnhout, Spoorwegstraat 22.

VERWERENDE PARTIJ

- verschijnende bij meester P. B. loco meester P. V. D. S., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

In zake : A.R. Nr. 04/129/A

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 7 januari 2004,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 26 oktober 2009,

- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 9 oktober 2007,

- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 12 februari 2010.

In zake : A.R. Nr. 04/915/A

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 10 februari 2004,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 26 oktober 2009,

- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 9 oktober 2007,

- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 12 februari 2010.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 28 april 2010.


Inzake A.R. 04/129/A

De vordering strekt ertoe de correctieopgave van 28 november 2000 teniet te doen.

Inzake AR 04/915/A

De vordering sterkt ertoe de correctieopgave van 24 juni 2003 teniet te doen.

Samenvoeging

Deze 2 zaken, gekend onder A.R. 04/129/A en A.R. 04/915/A, zijn nauw samenhangend en worden omwille van een goede rechtsbedeling samengevoegd zodat de rechtbank uitspraak doet in één vonnis.

Beoordeling

Betreffende het weren van de stukken van eiser, neergelegd op de terechtzetting van 28 april 2010

Op de terechtzitting van 28 april 2010 heeft verweerder de wering uit de debatten gevorderd van de stukken van eiser, die alsdan werden neergelegd.

Ingevolge de verzoekschriften bij toepassing van artikel 747 § 2 Ger.W. neergelegd heeft de rechtbank bij beschikkingen van 26 oktober 2009 (A.R. 04/129/A en A.R. 04/915/A) bepaald dat eiser zijn laatste conclusie uiterlijk op 12 januari 2010 (A.R. 04/129/A en A.R. 04/915/A) diende neer te leggen.

Krachtens artikel 747 § 2 Ger. W. worden de conclusies, die zijn neergelegd ter griffie na het verstrijken van de door de rechter bepaalde termijnen, ambtshalve uit de debatten geweerd.

Krachtens artikel 740 Ger. W. dienen alle memories, nota's of stukken, die niet ten laatste tegelijk met de conclusies zijn overgelegd, ambtshalve uit de debatten te worden geweerd.

Eiser heeft geen conclusies neergelegd en heeft vóór de terechtzitting van 28 april 2010 evenmin stukken overgelegd.

Nu eiser-ná het verstrijken van zijn laatste conclusietermijn- op de terechtzitting van 28 april 2010 nog stukken heeft neergelegd, dienen deze stukken uit de debatten te worden geweerd.

Betreffende de correctieopgaven

Volgens de correctieopgave van 28 november 2000, die door eiser voor akkoord werd ondertekend, erkende hij de som van … BEF BTW, verhoogd met boete en intresten, verschuldigd te zijn omdat hij in het jaar 2000 reeds … BEF had afgetrokken terwijl de aftrek van BTW slechts mogelijk is als een zelfstandige activiteit wordt uitgeoefend.

In het inleidend verzoekschrift (A.R. 04/129/A) stelt eiser dat de BTW-verificateur akkoord was een herziening te doen indien er in december 2000 wel omzet werd gemaakt.

Eiser heeft volkomen gelijk, doch hij vergeet blijkbaar dat de BTW-verificateur bij de correctieopgave van 24 juli 2003, die eveneens door eiser voor akkoord werd ondertekend, rekening heeft gehouden met het feit dat eiser in december omzet heeft gemaakt en aldus de aftrek van BTW ten bedrage van … BEF, die in de correctieopgave van 28 november 2000 volledig werd verworpen, alsdan gedeeltelijk heeft aanvaard voor een gedetailleerd totaalbedrag van … BEF, zoals duidelijk blijkt uit de correctieopgave van 24 juli 2003.

In de correctieopgave van 24 juli 2003 erkende eiser de som van … EUR (… BEF) BTW, verhoogd met boete en intresten, verschuldigd te zijn, zijnde het verschil tussen het bedrag van … BEF, dat hij erkende in het jaar 2001 ten onrechte te hebben opgenomen in vak 62, en voornoemd bedrag van … BEF, dat - zoals hoger vermeld - nog aftrekbaar was voor het jaar 2000.

Totaal onterecht stelt eiser in het inleidend verzoekschrift (A.R. 04/915/A) dat het "hier heel duidelijk een dubbele teruggave van BTW voor het jaar het 2000 betreft"; er is geen sprake van een dubbele verwerping van BTW nu de oorspronkelijk verworpen BTW van … BEF in de correctieopgave van 24 juli 2003 gedeeltelijk werd aanvaard voor een bedrag van … BEF en ook werd afgetrokken van voornoemd bedrag van … BEF zijnde het bedrag dat eiser in het jaar 2001 ten onrechte had opgenomen in vak 62.

Op de terechtzitting van 28 april 2010 stelde eiser dat de correctieopgave van 24 juli 2003 in strijd is met een BTW-rekeninguittreksel van 31 juli 2003 waaruit blijkt dat er … EUR in zijn voordeel is; eiser heeft dit rekeninguittreksel neergelegd op deze terechtzitting, doch - zoals hoger vermeld - werd dit stuk uit de debatten geweerd.

Toch wenst de rechtbank op te merken dat de administratie wel degelijk rekening heeft gehouden met dit bedrag van … EUR in het voordeel van eiser, zoals duidelijk blijkt uit het dwangbevel dat op 15 januari 2004 werd uitgevaardigd; volgens dit dwangbevel werd dit tegoed van … EUR immers toegerekend op de verschuldigde geldboeten voor een bedrag van … EUR en op de verschuldigde BTW voor een bedrag van … EUR; in dit dwangbevel werd van de verschuldigde BTW van … EUR, zoals door eiser erkend in de correctieopgave van 24 juli 2003, voornoemd bedrag van … EUR afgetrokken zodat hij slechts … EUR verschuldigd bleef.

Verder dient te worden opgemerkt dat de correctieopgaven door eiser voor akkoord werden ondertekend, dat deze akkoordverklaringen rechtsgeldig zijn en eiser dan ook gebonden is door deze correctieopgaven en hierop slechts kan terugkomen als hij het bewijs levert dat deze correctieopgaven aangetast zijn door een wilsgebrek en / of een vergissing in rechte of in feite, hetgeen hij mag bewijzen door alle middelen van recht, met uitzondering van de eed, doch waarvan hij echter niet het minste bewijs levert.

Als besluit dient de rechtbank dan ook te stellen dat eiser tijdens deze procedure voor de rechtbank geen enkel ernstig argument naar voor heeft gebracht om deze correctieopgaven te betwisten.

Betreffende de rechtsplegingsvergoeding

Om de waarde van de vordering te bepalen kunnen er drie mogelijkheden zich voordoen, namelijk :

- eis is in geld uitgedrukt (artikelen 557 tot 562 Ger.W.);

- eis is niet in geld uitgedrukt, maar wel in geld waardeerbaar (artikel 592 Ger.W.);

- eis is zelfs niet in geld waardeerbaar.

Te dezen wordt gevorderd de correctieopgaven van 28 november 2000 en van 24 juli 2003 teniet te doen.

Niettegenstaande de correctieopgaven een som geld tot voorwerp hebben, wordt te dezen gevorderd om de correctieopgaven teniet te doen en om aldus de bedragen van deze cor­ rectieopgaven niet te moeten betalen.

Bijgevolg zijn de vorderingen van eiser overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. niet in geld uitgedrukt.

Artikel 2 KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger.W. bepaalt uitdrukkelijk dat voor geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen het bedrag van de vordering wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg; hieruit volgt dat voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger.W., zijnde een eis die niet in geld is uitgedrukt maar wel in geld waardeerbaar is.

Aangezien de vorderingen van eiser overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. niet in geld zijn uitgedrukt en aangezien - zoals hoger vermeld - voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger.W., staat het vast dat deze geschillen voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen.

Krachtens artikel 3 van voornoemd KB van 26 oktober 2007 bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding aldus … EUR, het minimumbedrag … EUR en het maximumbedrag … EUR.

Geen van de partijen heeft verzocht het basisbedrag te verminderen of te verhogen zodat de rechtbank dit basisbedrag moet toekennen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Voegt de beide zaken, gekend onder A.R. 04/129/A en A.R. 04/915/A, samen wegens samenhang en in het belang van een goede rechtsbedeling en doet uitspraak in één vonnis.

Weert de stukken van eiser, neergelegd op de terechtzitting van 28 april 2010, uit de debatten.

Verklaart de vorderingen toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiser tot de kosten van de gedingen tot op heden door verder begroot op tweemaal … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op éénmaal … EUR rechtsplegingsvergoeding voor beide samengevoegde zaken.

N. D. P. W.