Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Brussel dd. 12.06.2014 (2010/AR/3018)
Belasting over de toegevoegde waarde - Redelijke termijn - verschil btw en strafsanctie
Wettelijke bepalingen
Art. 6.1 EVRM en afgeleide algemene rechtsbeginselen
Samenvatting
Vanaf 1989 worden herhaaldelijk dwangbevelen wegens o.a. niet betaling van de btw, met proportionele en niet proportionele geldboeten, uitgevaardigd. In 2010 aanvaarde de eerste rechter de door de belastingplichtige ingeroepen schending van de redelijke termijn, en verleende dienovereenkomstige ontheffingen.
In de mate dat fiscale geldboeten een strafrechtelijk karakter bezitten in de zin van art. 6 EVRM, is het voorschrift van art. 6.1 EVRM van toepassing. De belastingplichtige heeft het recht geeft zijn zaak binnen redelijke termijn behandeld te zien.
De rechter in beroep meent dat de eerste rechter verkeerdelijk de redelijke termijn toepast. Daar btw een “belasting” is, en geen “sanctie”, is er geen toepassing van het EVRM.
Er bestaat geen drempel waaronder de duur van de rechtspleging noodzakelijk, redelijk of onredelijk is. Men moet rekening houden met de complexiteit van de zaak, de uitgeoefende rechtsmiddelen en de ijver van de overheid (Cass. 7 september 2011, Arr. Cass. 2011, nr. 455). De dwangbevelen werden uitgevaardigd na uitblijven van reactie op herhaaldelijk verzonden betalingsberichten.
De beroepsrechter meent in deze dat het niet ernstig is van belastingplichtige, de redelijke termijn in te roepen, wanneer hij zelf pas op 3 januari 2007 voor het eerst verzet aantekende bij de rechtbank van eerste aanleg.
Het hoger beroep is ontvankelijk en gegrond.
Opmerkingen
Uit o.a. het arrest van het Hof van Justitie, 18 januari 2008, Hoechst Gmbh, T.410/03, punt 220 e.v., kan worden vastgesteld dat de redelijke termijn in het btw-stelsel niet kan worden tegengeworpen omdat alles is geregeld via de verjaringstermijnen.
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van beroep te Brussel,
dd. 12.06.2014
2010/AR/3018
De BELGlSCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van de Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector btw, in de persoon van de heer Eerstaanwezend lnspecteur van het btw-Ontvangkantoor Brussel burelen te 1000 BRUSSEL, Kruidtuinlaan 50 bus 3102, appellant,
tegen
M.S. wonende te S.
Geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand in zijn naam;
In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.
PROCEDURE
Gelet op de procedurestukken inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te B. van 30. juni 2010, waarvan .geen. betekeningsakte wordt voorgelegd en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 17 november 2010.
Geïntimeerde verscheen niet noch iemand voor hem op de zitting waarop hij regelmatig werd opgeroepen bij gerechtsbrief bij toepassing van artikel 747, § 2 Ger. W. Het arrest wordt opzichtens hem optegenspraak gewezen.
De eerste rechter werd op 3 januari 2007 door geïntimeerde geadieerd met een verzet tegen een dwangbevel, dat op 30 november 1989 lastens hem werd uitgevaardigd en dat een BTW-bedrag in hoofdsom van 89.908 BEF en een proportionele geldboete van 13.350 BEF wegens de niet tijdige betaling van de BTW, tot voorwerp heeft, tegen een dwangbevel, dat op 3 maart 1992 lastens hem Werd uitgevaardigd en dat een BTW-bedrag in hoofdsom van 174.059 BEF en een proportionele geldboete van 51.000 BEF wegens de niet tijdige betaling van de BTW en een niet-proportionele geldboete van 12,000 BEF wegens laattijdige indiening van de BTW-aangifte tot voorwerp heeft, tegen een dwangbevel, dat op. 4 februari 1994 lastens hem werd uitgevaardigd en dat een BTW-bedrag in hoofdsom van 3.689 BEF, een proportionele geldboete van 450 BEF wegens de niet tijdige betaling van de BTW, en een niet-proportionele geldboete van 1.050 BEF wegens laattijdige indiening van de BTW-aangifte tot voorwerp heeft, en tegen een dwangbevel, dat op 9 december 1994 lastens hem werd uitgevaardigd en dat een BTW-bedrag inhoofdsom van 268.321 BEF, een proportionele geldboete van 79.500 BEF wegens de niet tijdige betaling van de BTW, en een niet-proportionele geldboete van 40.000 BEF wegens de niet-indiening van drie BTW-aangiften en de weigering van voorleggen van de boekhouding tot voorwerp heeft.
De eerste rechter nam de door geïntimeerde ingeroepen schending van de redelijke termijn bij het vaststellen en het opleggen van de geldboeten van 51.000 BEF en 12.000 BEF (dwangbevel van 3
maart 1992), van 450 BEF en 1.050BEF (dwangbevel van 4 februari 1994) en bij het betekenen van het dwangbevel van 9 december 1994 in aanmerking en verleende dienovereenkomstige
ontheffingen.
De eerste rechter herleidde nog de geldboete van 13.350 BEF tot 8.900 BEF (dwangbevel van 30
november 1989).
De eerste rechter verklaarde het verzet ontvankelijk engedeeltelijk gegrond, en veroordeelde iedere partij in de helft van de gedingkosten.
GRIEVEN
Appellant streeft de hervorming van het bestreden vonnis na.
Hij vordert het verzet ongegrond te verklaren en geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide aanleggen (dispositief van de beroepsakte en van de conclusie).
Hij stelt wel dat de boeten van 13.350 BEF (dwangbevel van 30 november 1989, van 51.000 BEF en 12.000 BEF (dwangbevel van 3 maart 1992), van 450 BEF en 1.050 BEF (dwangbevel van 4 februari 1994) dienen te worden herleid tot respektievelijk 8.900 BEF (dwangbevel van 30 november 1989), 34.000 BEF en 8.000 BEF (dwangbevel van 3 maart 1992) en 300 BEF en 700 BEF (dwangbevel van 4 februari 1994), gelet op de vernietiging van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het vlak van de belasting over de toegevoegde waarde bij het árrest nr. 57.134 van 20 december 1995 van de Raad van State (motiverend gedeelte van de conclusie blz. 8).
De eerste rechter herleidde evenwel reeds de geldboete van 13.350 BEF tot 8,900 BEF (dwangbevel van 30 november 1989).
Geïntimeerde verschijnt niet noch nam een conclusie voor het hof noch legde stukken neer.
BEOORDELING
1. Voor de eerste rechter riep geïntimeerde de schending van de redelijke termijn in als algemeen rechtsbeginsel, en als beginsel van behoorlijk bestuur dat de administratie, verplicht om binnen redelijke termijn een beslissing te nemen te dezen om een dwangbevel te betekenen en om de
gelden op te eisen. Geïntimeerde hield staande dat hij thans niet meer in staat is zich te verdedigen over de gevorderde bedragen, aangezien hij zelfs de oorsprong ervan niet meer kan opsporen. Het gaat, volgens geïntimeerde, immers over inkomsten die meer dan twintig jaar geleden werden verdiend.
De eerste rechter paste kennelijk de redelijke termijn, gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, toe.
Appellant betwist kennelijk niet de toepasselijkheid van de redelijke termijn, dan wel de overschrijding ervan.
2. In de mate de betwiste administratieve fiscale geldboeten een strafrechtelijke vervolging uitmaken in de zin van artikel 6 EVRM, is ook het voorschrift van artikel 6.1 EVRM van toepassing dat de belastingplichtige het recht geeft de zaak betreffende die sancties behandeld te zien binnen een redelijke termijn.
Bijgevolg paste de eerste rechter alleszins verkeerdelijk de redelijke termijn toe op de BTW t.b.v. 268.321 BEF, gevorderd in het betwiste dwangbevel van 9 december 1994. Oe BTW is immers een belasting en geen sanctie.
3. De eerste rechter achtte de redelijke termijn overschreden wegens de termijn die verliep tussen het akkoord van geïntimeerde van 28 december 1989 met de regularisatieopgave van 24 april 1989 en de uitvaardiging van het dwangbevel van 3 maart 1992, tussen de bijzondere rekening van 15 mei 1990 en de uitvaardiging van het dwangbevel van 4 februari 1994, en tussen de beslissing tot ambtshalve taxatie van 11 februari 1991 en de uitvaardiging van het dwangbevel van 9 december 1994.
Er bestaat geen drempel waaronder of waarboven de duur van de rechtspleging noodzakelijk redelijk of onredelijk is. Men moet rekening houden met de complexiteit van de zaak, de uitgeoefende rechtsmiddelen en de ijver van de overheid (vgl. Cass.1 september 2011, Arr. Cass. 2011, nr. 455).
De complexiteit van de onderhavige zaak, die de verschuldigdheid van de BTW door geïntimeerde, als, belastlngplichtige ingeschreven voor zijn activiteit van commercieel tussenpersoon, de niet-tijdige betaling van de BTW, en de laattijdigheid van de BTW-aangiften betreft, is niet dermate groot dat het tijdsverloop tussen de voormelde akten onredelijk moet worden genoemd.
Overigens ontving geïntimeerde, volgens appellant, betalingsberichten en werden de betwiste dwangbevelen uitgevaardigd omdat geïntimeerde niet betaalde.
De duur van de rechtspleging die moet in acht worden genomen bij de beoordeling van de redelijke termijn bevat te dezen de tijd die verliep tussen het tijdsverloop tussen de voormelde akten, en de duur van de rechtspleging voor de eerste rechter (vgl.Cass. 8 februari 2005, Arr. Cass, 2005, nr. 77).
Het is te. dezen niet ernstig vanwege geïntimeerde de redelijke termijn in te roepen, dan wanneer hij zelf eerst op 3 januari 2007, vele jaren na uitvaardiging van de betwiste dwangbevelen, verzet aantekende voor de eerste rechter.
Het hoger beroep is gegrond.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artîkel24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond,
hervormt het bestreden vonnis als volgt,
zegt voor recht dat de geldboeten van 51.000 BEF en 12.000 BEF (dwangbevel van 3 maart 1992), van 450 BEF en 1.050 BEF(dwangbevel van 4 februari 1994) dienen te worden herleid tot respectievelijk 34.000 BEF en 8000 BEF (dwangbevel van 3 maart 1992. en 300 BEF en 700 BEF (dwangbevel van 4 februari 1994
Verklaart het verzet voor het overige ongegrond,
veroordeelt geïntimeerde in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van appellant begroot op de rechtsplegingsvergoeding van 2.200 EUR.
Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de fiscale kamer 6E van het hof van beroep te
Brussel op 12 juli 2014.
waar aanwezig waren
de heer P. V. alleenzetelend raadsheer
mevrouw B.H. griffier
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.