Rechtbank van eerste aanleg, 19 september 2005 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 19 september 2005

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg, 19 september 2005Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-kortrijk-2005-09-19-06c0

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
19 september 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

171 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Kortrijk d.d. 19.09.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER FISCAAL MET EEN RECHTER, RECHTSPREKEND IN BURGERLIJKE-ZAKEN

In de zaak AR nr. 97/1967/A – 250

BVBA A. R. J., met zetel te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer …,

eiseres,

vertegenwoordigd door en pleitend Mr. S. A. loco Mr. L. G., advocaat te …, …, (ref. …)

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën Sector BTW, voorheen Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van het Tweede BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, wiens kantoren gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

verweerder,

vertegenwoordigd door en pleitend Mr. F. W., advocaat te …, … (ref. …).

I. Relevante feitelijke gegevens

De BVBA A. R. J. verkoopt auto's. Zij is derhalve BTW-belastingplichtige.

Gedurende de jaren 1993 en 1994 verkocht zij onder meer auto's aan inwoners uit Polen.

Bij de verkoop van een auto aan een Pool vroeg de firma hem een waarborg ter waarde van de BTW. Op het ogenblik dat de Pool het uitvoerdocument afgestempeld terugbezorgde, gaf de firma hem de BTW terug. Op 22 november 1995 werd een BTW-controle uitgevoerd.

Een aantal uitvoerdocumenten werden voorgelegd aan het Zollkriminalamt te Keulen. Deze dienst kwam tot het besluit dat de stempels op sommige uitvoerdocumenten vals waren. De Administratie leidde daaruit af dat voor die verkopen het bewijs van de echtheid van de uitvoer niet geleverd was. Op 10 februari 1997 werd proces-verbaal opgemaakt.

Voor de verkopen waarvan het Zollkriminalamt tot het besluit gekomen was dat de stempel vals was, vorderde de Administratie BTW van de firma. De firma betaalde die BTW niet vrijwillig. Op 26 september 1997 werd een dwangbevel uitgevaardigd. Op 29 september 1997 werd het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Op 8 oktober 1997werd het dwangbevel betekend.

II. Vorderingen en standpunten

A. De BVBA A. R. J.

Bij dagvaarding op 21 oktober 1997 betekend aan de Belgische Staat leidde de BVBA A. R. J. de zaak in en stelde zij haar vordering.

In haar conclusie neergelegd ter griffie op 26 november 1998 handhaafde zij haar vordering. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 30 november 2004 wijzigde zij haar vordering.

Zij vordert thans :

- het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, uitgevaardigd ten laste van haar in datum van 26 september 1997 door de Ontvanger van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer L., e.a. Inspecteur BTW te Izegem, aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge, ontvankelijk en gegrond te verklaren naar vormen inhoud;

- te zeggen voor recht dat het dwangbevel niet uitgevoerd kan worden, alsook dat zij de sommen niet verschuldigd is zoals vermeld in het dwangbevel en in het proces-verbaal van 10 februari 1997;

- te zeggen Voor recht dat de BTW-Administratie alle stukken die zij destijds verzameld heeft (alle facturen, kopieën van identiteitskaarten, briefwisseling waarbij de uitvoerdocumenten vanuit Polen teruggestuurd werden, etc.) die het bewijs van uitvoer leveren en die nog steeds in handen van de BTW-Administratie zijn, moet voegen in de huidige procedure overeenkomstig artikel 877 Ger. W.;

- de Belgische Staat te veroordelen in alle kosten van het geding.

B. De Belgische Staat

Bij conclusie neergelegd ter griffie op 4 december 1997 nam de Belgische Staat een standpunt in ten opzichte van de vordering van de BVBA A. R. J.

In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 25 augustus 2000 handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering van de BVBA A. R. J.

Bij conclusie neergelegd ter griffie op 28 juni 2004 wijzigde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering van de BVBA A. R. J.

Bij conclusie neergelegd ter griffie op 13 januari 2005 wijzigde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering van de BVBA A. R. J.

De Belgische Staat vraagt thans :

- zijn vordering te herleiden tot de bedragen vermeld in zijn conclusie;

- de eis van de tegenpartij ongegrond te verklaren;

- de BVBA A. R. J. te veroordelen tot de kosten van het geding.

III. Procedure

Mr. S. A. in de plaats van Mr. L. G. voor de BVBA A. R. J. en Mr. F. W. voor de Belgische Staat verschenen in openbare terechtzitting. Zij zetten de zaak uiteen. De debatten werden gesloten. De raadslieden legden elk een dossier neer. De zaak werd in beraad genomen. De stukken werden ingezien.

IV. Argumentatie van de partijen

A. De BVBA A. R. J.

De argumentatie die de BVBA A. R. J. ontwikkelde na de arresten van het Hof van Beroep te Gent van 16 september 2003 inzake de NV C. nr. 1 A. J. en van 18 november 2003 inzake de NV A. S., kan samengevat worden als volgt :

1. De BVBA A. R. J. heeft met betrekking tot de wagens die voor uitvoer verkocht werden met vrijstelling van BTW telkens aan de factuur een 'enig document' gehecht met een douanes tempel van het douanekantoor van uitgang. Zij bewijst aldus de daadwerkelijke uitvoer van de voertuigen.

Het hoofddouanekantoor te Keulen is een administratieve overheid en geen rechterlijke instantie. Het onderzoek zoals uitgevoerd door het hoofddouanekantoor te Keulen is derhalve een eenzijdig onderzoek dat niet tegenwerpelijk is aan haar.

2. Op het ogenblik van de feiten kon de BVBA A. R. J. onmogelijk de echtheid van de stempels op de uitvoerdocumenten controleren. Zij ging te rade bij de lokale BTW-Administraties die onmogelijk konden vaststellen of de stempels al dan niet echt waren. De lokale BTW-Administraties keurden echter het waarborg systeem goed.

Uit het feit dat de Belgische Staat een beroep moest doen op het Zollkriminalamt in Duitsland blijkt dat ook op het ogenblik van de. feiten en zelfs daarna geen enkele Belgische instantie in staat was de echtheid van de stempels te controleren.

Van de BVBA A. R. J. die te goeder trouw de afgestempelde uitvoerdocumenten van haar Poolse kopers terug in ontvangst nam, wordt a posteriori een onmogelijke controle gevraagd, waartoe niemand in België in staat is/was. Zij levert bijgevolg het bewijs dat zij zich in een toestand van overmacht bevond.

3. De Belgische Staat handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald in strijd met het beginsel van de redelijkheid en het beginsel van de zorgvuldigheid, wanneer zij de Vlaamse - te goeder trouw zijnde - autohandelaar laat opdraaien voor de eventuele fraude die gepleegd wordt door malafide autohandelaars uit derde landen.

De Belgische Staat heeft veel te laat de Vlaamse autohandelaars gewaarschuwd voor eventuele malafide autohandelaars uit derde landen. De Belgische Staat laat alles betijen en laat naderhand een controle uitvoeren bij de Vlaamse autohandelaars over meerdere jaren, waardoor het een echte financiële strop wordt.

De BVBA A. R. J. die te goeder trouw handelde, wordt op heden met een onmogelijke bewijsvoering geconfronteerd. De beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. Evenmin werd er een redelijke toepassing gemaakt van het gemeenschapsrecht (Zesde BTW-Richtlijn).

4. De BVBA A. R. J. bewijst de uitvoer van de wagens aan de hand van de uitvoerdocumenten en aan de hand van bijkomende stukken. Zij legt enkele documenten voor waaruit duidelijk blijkt dat meerdere wagens reeds ingeschreven zijn in Polen. Op heden is het voor haar haast onmogelijk om nog extra bewijsstukken te vinden.

Zij merkt op dat de BTW-Administratie nog steeds alle facturen, kopieën van identiteitskaarten van de kopers, de originele uitvoerdocumenten, briefwisseling waarbij de uitvoerdocumenten vanuit Polen teruggestuurd werden, etc. in haar bezit heeft, zodat zij deels voor een onmogelijke opdracht geplaatst wordt. Zij sommeert dan ook de BTW-Administratie om deze documenten als stukken te voegen in de procedure overeenkomstig artikel 877 Ger. W.

Ten onrechte beweert de BTW-Administratie dat de uitvoer door de niet in België gevestigde koper onmiddellijk nadat de goederen aan hem ter beschikking gesteld werden, plaats moet vinden.

Opnieuw ten onrechte beweert de BTW-Administratie dat er niet bewezen is dat de goederen uitgevoerd werden in de staat waarin zij verkocht werden. Hetzelfde geldt voor wat betreft de opmerkingen van de BTW-Administratie in verband met het dubbele factuursysteem en de wagens die in België doorverkocht zouden worden.

5. Het margesysteem is op diverse wagens van toepassing.

B. De Belgische Staat

De argumentatie die de Belgische Staat ontwikkelde na de arresten van het Hof van Beroep te Gent van 16 september 2003 inzake de NV C. nr. 1 A. J. en van 18 november 2003 inzake de NV A. S., kan samengevat worden als volgt :

1. Het Hof van Beroep te Gent poneert dat de verkoper het bewijs van uitvoer moet leveren, teneinde gerechtigd te zijn op de vrijstelling.

Gelet evenwel op de vaststelling dat de door de medecontractant aan de BTW-plichtige ter hand gestelde douanedocumenten vervalst zijn, niet op het eerste gezicht blijkt en er dus geen aanwijzingen zijn van kwade trouw of medewerking aan fraude in hoofde van de BTW-plichtige, oordeelt het Hof dat de voorgelegde uitvoerdocumenten minstens een begin van bewijs vormen dat de betrokken wagens uitgevoerd werden naar Polen.

Het Hof stelt verder dat ook de Poolse 'Dowod'documenten (inklaringsbewijzen) en bijhorende stukken (zoals inschrijvingsbewijzen) stukken kunnen zijn waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt.

2. De BVBA A. R. J. verwijst naar een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk van 4 december 2000 gewezen in de zaak NV C. nr. 1. Dit vonnis werd evenwel door het Hof van Beroep te Gent hervormd in een arrest geveld op 18 november 2003.

Het Hof aanvaardt dat uit de stukken afdoende blijkt dat het onderzoek van het Duitse Zollkriminalamt degelijk gevoerd werd en duidelijk het bewijs levert van de valsheid.

3. Het Hof stelde in zijn arrest van 18 november 2003 dat aangenomen moest worden dat het voor de geïntimeerde niet mogelijk was de valsheid van de stempels vast te stellen zonder gespecialiseerd onderzoek.

Het Hof voegde er echter aan toe dat dit niet van aard was te doen aannemen dat de aangiften ten uitvoer wel het bewijs van de daadwerkelijke uitvoer leveren. De beweerde overmacht van de BVBA A. R. J. is aldus zonder invloed.

4. In verband met de beginselen van behoorlijk bestuur oordeelde het Hof : "Ook de bewering. dat de appellant tekort geschoten zou zijn aan zijn informatieplicht, zoals de geïntimeerde stelt, is zonder invloed. Te dezen gaat het om transacties gesloten in 1993 en 1994, zodat de informatie die de appellant volgens de eerste rechter opdeed in 1995 en 1996 en aan de geïntimeerde meegedeeld moest worden, hoe dan ook te laat meegedeeld zou zijn."

De goede trouw van de BVBA A. R. J. neemt niet weg dat er aan de hand van uitvoerdocumenten met valse stempels geen (afdoende) bewijs geleverd wordt dat de wagens werkelijk in Polen ingevoerd werden, wat wettelijk vereist is om van de vrijstelling te kunnen genieten.

De goede trouw van de BVBA A. R. J. kan de wet niet aan de kant schuiven. In tegenstelling tot wat de BVBA A. R. J. beweert, werden op het moment van de controle geen kopieën van identiteitskaarten en briefwisseling aan Poolse klanten voorgelegd, laat staan in beslag genomen. De Belgische Staat kan deze stukken dan ook onmogelijk voorleggen. Enkel de originele uitvoerdocumenten werden voor onderzoek meegenomen.

5. Slechts terloops deze procedure werden betreffende een aantal wagens stukken voorgelegd waaruit blijkt dat de wagens zich in Polen bevinden.

Het Hof oordeelde dat de Poolse 'Dowod'documenten (inklaringsbewijzen) en bijhorende stukken (zoals inschrijvingsbewijzen) stukken kunnen zijn waaruit de echtheid blijkt voor zover deze in overeenstemming zijn met de oorspronkelijke factuur en E.G.-douanedocumenten.

Deze rechtspraak moet toegepast worden op onderhavig geval. De Belgische Staat geeft een opsomming van deze voertuigen en facturen en herberekent de verschuldigde BTW.

6. Het specifiek karakter van de winstmargeregeling vereist dat van bij de aankoop tot bij de verkoop voldaan wordt aan specifieke voorwaarden en modaliteiten. Het is dan ook onmogelijk om deze regeling a posteriori toe te passen wanneer aan deze voorwaarden en modaliteiten zoals in casu niet voldaan werd.

De BVBA A. R. J. heeft niet gekozen voor de toepassing van de margeregeling, maar voor de vrijstellingsregeling voor uitvoer.

V. Beoordeling

A. Voorleggen van stukken ?

De BVBA A. R. J. vraagt dat de Administratie alle stukken die de firma verzameld heeft (facturen, kopieën van identiteitskaarten van de kopers, originele uitvoerdocumenten, briefwisseling waarbij de uitvoerdocumenten vanuit Polen teruggestuurd werden, etc.) zou voorleggen.

De Belgische Staat antwoordt hierop dat hij die stukken niet kan voorleggen, omdat de BVBA A. R. J. op het ogenblik van de controle geen kopieën van identiteitskaarten en briefwisseling aan Poolse klanten voorgelegd heeft en er dus geen dergelijke stukken in beslag genomen werden. Alleen de originele uitvoerdocumenten werden voor onderzoek meegenomen. Kopieën van deze documenten worden voorgelegd.

Er zijn geen redenen om aan deze stelling van de Belgische Staat te twijfelen. De Belgische Staat moet geen bijkomende stukken voorleggen.

B. Het onderzoek door het Duitse Zollkriminalamt.

1. De BVBA A. R. J. houdt voor dat het onderzoek zoals uitgevoerd door het hoofddouanekantoor te Keulen een eenzijdig onderzoek is dat niet tegenwerpelijk is aan haar.

Het onderzoek door het Duitse Zollkriminalamt is tegenwerpelijk aan de BVBA A. R. J.. De Belgische Staat mag gebruik maken van de resultaten van dat onderzoek.

De BVBA A. R. J. heeft in de huidige procedure de mogelijkheid gehad om tegenspraak te voeren over de resultaten van het onderzoek door het DuitseZollkriminalamt.

2. De BVBA A. R. J. beweert ook dat het onderzoek van het Duitse Zollkriminalamt niet sluitend is. Het onderzoek door het Duitse Zollkriminalamt is wel sluitend.

Het Zollkriminalamt heeft 3 stempelafdrukken niet kunnen controleren omdat ze onleesbaar waren. Bij gebrek aan bewijs heeft het die afdrukken niet als vervalsingen beschouwd.

C. De bewezen uitvoer.

1. De echtheid van de uitvoer is niet bewezen bij de verkopen met een uitvoerdocument met een valse stempel.

2. Het is mogelijk dat een aantal van die wagens in Polen ingevoerd werden. Artikel 3 van het Koninklijk Besluit nr. 18 vereist echter dat de echtheid van de uitvoer bewezen wordt.

3. In een aantal gevallen legt de BVBA A. R. J. Poolse 'Dowod'documenten (inklaringsbewijzen) en bijhorende stukken (zoals inschrijvingsbewijzen) voor. In die gevallen is de echtheid van de uitvoer wel bewezen.

Het betreft de volgende verkopen :

1993 :

VW Polo, chassisnummer … (factuur nr. …) Seat Ibiza, chassisnummer … (factuur nr. …) VW Transporter, chassisnummer … (factuur nr. …)

1994 :

Honda Legend, chassisnummer … (factuur nr. …)

Audi100, chassisnummer … (factuur nr. …)

VW Golf, chassisnummer … (factuur nr. …)

Citroën BX, chassisnummer … (factuur nr. …)

Nissan Sunny, chassisnummer … (factuur nr. …)

Volvo 940, chassisnummer … (factuur nr. …)

Peugeot 605, chassisnummer … (factuur nr. …)

Lancia Dedra, chassisnummer … (factuur nr. …)

VW Jetta, chassisnummer … (factuur nr. …).

D. Overmacht ?

1. De BVBA A. R. J. houdt voor dat zij het bewijs levert dat zij zich in een toestand van overmacht bevond.

2. De BVBA A. R. J. kon weliswaar niet vaststellen dat de stempelafdrukken vals waren. Dat neemt echter niet weg dat de uitvoerdocumenten met de valse stempels het bewijs niet leveren van de echtheid van de uitvoer. Zoals reeds gezegd, vereist artikel 3 van het Koninklijk Besluit nr. 18 dat de verkoper het bewijs van de echtheid van de uitvoer levert.

3. De BVBA A. R. J. mag trouwens met alle mogelijke stukken - en niet alleen met de uitvoerdocumenten - de echtheid van de uitvoer bewijzen.

Nu zij zich tevreden stelde met de loutere voorlegging van het afgestempeld uitvoerdocument, heeft zij het risico genomen de BTW te moeten betalen, ingeval de stempel op het uitvoerdocument vals is.

E. Behoorlijk bestuur ?

1. DeB.V.BA. A. R. J. stelt dat de Belgische Staat de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden heeft. De Belgische Staat heeft de beginselen van behoorlijk bestuur niet geschonden. De Belgische Staat heeft niet onredelijk of onzorgvuldig gehandeld.

De Belgische Staat verzet er zich niet tegen dat de BVBA A. R. J. de echtheid van de uitvoer met andere stukken dan met de uitvoerdocumenten bewijst. De Belgische Staat kon de autohandelaars niet waarschuwen voor de malafide praktijken van sommige Polen vooraleer hij er zelf van op de hoogte was.

2. De BVBA A. R. J. toont trouwens met geen enkel stuk aan dat zij te rade ging bij de Administratie en dat de Administratie haar werkwijze' goedkeurde.

3. Overigens zou het van onbehoorlijk bestuur getuigen als de Administratie geen BTW zou innen bij verkopen waarvan de echtheid van de uitvoer niet bewezen is. De Belgische Staat moet niet opdraaien voor de fraude van malafide Polen.

4. De Belgische Staat heeft geen onredelijke toepassing gemaakt van de Zesde Richtlijn.

Overigens toont de BVBA A. R. J. niet aan waarom de Belgische Staat geen redelijke toepassing gemaakt zou hebben van de Zesde Richtlijn.

F. De winstmargeregeling

1. De BVBA A. R. J. stelt dat nagegaan moet worden of de voertuigen niet in aanmerking komen voor de margeregeling.

2. De toepassing van de winstmargeregeling vereist dat van bij de aankoop tot bij de verkoop aan specifieke voorwaarden en modaliteiten voldaan wordt. Het is niet mogelijk om deze regeling a posteriori toe te passen wanneer niet, aan deze voorwaarden en modaliteiten voldaan is.

De voertuigen werden niet geleverd onder de winstmargeregeling. De voorwaarden en de modaliteiten van de winstmargeregeling werden niet nageleefd. De BVBA A. R. J. heeft trouwens zelf geopteerd voor de vrijstellingsregeling en niet voor de winstmargeregeling.

G. De verschuldigde BTW

1. Er is vrijstelling van BTW vaar de verkopen waarvan de echtheid van de uitvoer bewezen is (zie onderdeel C.3 hierboven).

2. Er is geen vrijstelling van BTW voor de verkopen waarvan de echtheid van de uitvoer niet bewezen is.

H. Herberekening van de verschuldigde BTW en de geldboete.

De verschuldigde BTW moet herberekend worden. Er is vrijstelling van BTW voor de volgende facturen :

1993 :

factuur nr. … voor een bedrag van 100.000 BEF

factuur nr. … voor een bedrag van 42.000 BEF

factuur nr. … voor een bedrag van 230.000 BEF

Totaal : 372.000 BEF [thans 9.221,64 euro]

1994 :

factuur nr. … voor een bedrag van 125.000 BEF

factuur nr. … voor een bedrag van 170.000 BEF

factuur nr. … voor een bedrag van 76.000 BEF

factuur nr. … voor een bedrag van 82.000 BEF

factuur nr. … voor een bedrag van 172.000 BEF

factuur nr. … voor een bedrag van 215.000 BEF

factuur nr. … voor een bedrag van 360.000 BEF

factuur nr. … voor een bedrag van 196.000 BEF

factuur nr. … voor een bedrag van 50.000 BEF

Totaal : 1.446.000 BEF [thans 35.845,40 euro].

Er is BTW verschuldigd :

1993 :

som van alle factuurbedragen : 3.614.000 BEF [thans 89.588,72 euro]

vrijgesteld factuurbedrag : 372.000 BEF [thans 9.221,64 euro]

verschil : 3.242.000 BEF [thans 80.367,08 euro]

verschuldigde BTW : 3.242.000 BEF [thans 80.367,08 euro] x 19,5 % = 632.190 BEF [thans 15.671,58 euro]

1994 :

som van al/e factuurbedragen : 8.384.000 BEF [thans 207.833,93 euro]

vrijgesteld factuurbedrag : 1.446.000 BEF [thans 35.845,40 euro]

verschil : 6.938.000 BEF [thans 171.988,52 euro]

verschuldigde BTW: 6.938.000 BEF [thans 171.988,52 euro] x 20,5 % = 1.422.290 BEF [thans 35.257,65 euro]

Totaal verschuldigde BTW : 632.190 BEF [thans 15.671,58 euro] + 1.422.290 BEF [thans 35.257,65 euro] = 2.054.480 BEF [thans 50.929,23 euro].

Geldboete : 205.000BEF [thans 5.081,82 euro].

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende op tegenspraak,

Gelet op de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart de vordering van de BVBA A. R. J. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Hervormt het dwangbevel, uitgevaardigd door F. V., e.a. Inspecteur van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, op 26 september 1997 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door M. L., e.a. Inspecteur van de BTW te Izegem, op 29 september 1997 als volgt.

Zegt dat de BVBA A. R. J. verschuldigd is aan de Belgische Staat Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen :

- BTW : VIJFTIGDUIZEND NEGENHONDERD NEGENENTWINTIG EURO DRIEENTWINTIG CENT (50.929,23);

- geldboete : VIJFDUIZEND EENENTACHTIG EURO TWEEENTACHTIG CENT (5.081,82);

- de interest aan 0,80 % per maand op de BTW vanaf 21 januari 1995 tot aan de volledige betaling;

- de moratoire interest op de geldboete.

Veroordeelt de BVBA A. R. J. tot 85 % en de Belgische Staat tot 15 % van de kosten van het geding.

Stelt de kosten vast :

aan de zijde van de BVBA A. R. J. :

- dagvaarding en rolstelling : 3.974 BEF, thans 98,51 euro;

- rechtsplegingsvergoeding : 356,97 euro; aan de zijde van de Belgische Staat;

- rechtsplegingsvergoeding : 356,97 euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het gerechtsgebouw I in openbare terechtzitting op NEGENTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF.

Aanwezig :

C. V., alleenzetelend rechter,

I. D., ea. adjunct-griffier.

I. D. C. V.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 18 art. 32 voorkomens