Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt d.d. 11.03.2026 (24/750/A)
WF 711-15-24/000781 - Finaliti 54666352/01
[ Gemengd vonnis ]
Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Herziening – Toetreding tot een btw-eenheid– Compensatie – Proportionele boete
Wettelijke bepalingen
Artikelen 44, §3, 2°, 45, §1, 70, §1 WBTW
Samenvatting van het vonnis
1. Feiten
Eiseres heeft zich als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van ‘handel in eigen onroerend goed’ met het oog op de vorming van een btw-eenheid met een andere vennootschap. Naar aanleiding van een btw-controle over de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2020 werden inbreuken op de btw-wetgeving vastgesteld.
Volgens de administratie heeft eiseres geen recht op aftrek aangezien haar activiteit van de btw is vrijgesteld op grond van artikel 44, §3, 2° WBTW.
Bijgevolg was eiseres verplicht de oorspronkelijk in aftrek gebrachte btw volledig te herzien en terug te betalen aan de Schatkist. Daarnaast werd de aftrek van btw op de gemaakte kosten geweigerd, aangezien eiseres geen enkele handeling had verricht in de zin van artikel 45, §1 WBTW.
De vastgestelde overtredingen werden opgenomen in een correctieopgave, die door de bestuurder van eiseres voor akkoord werd ondertekend, samen met een aanvraag tot uitoefening van het recht op aftrek.
Vervolgens werd door eiseres een verzoekschrift tot kwijtschelding van de boete ingediend, dat bij administratieve beslissing van 8 februari 2022 werd afgewezen.
Aangezien eiseres hiermee niet akkoord ging, stelde zij een vordering in rechte in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie d.d. 17 april 2024.
2. Het vonnis
Eiseres verzoekt de rechtbank om over te gaan tot herleiding van de boete tot 10% van de uiteindelijk verschuldigde btw.
De rechtbank oordeelt dat de geldboete rechtsgeldig werd opgelegd. Zij stelt vast dat de situatie van eiseres niet kan worden gelijkgesteld met overmacht, maar wel getuigt van uitzonderlijke omstandigheden die ertoe leiden dat de door de belastingadministratie opgelegde administratieve sancties met strafrechtelijk karakter in concreto disproportioneel zijn.
De rechtbank besluit dat dit gegronde redenen zijn om de geldboete te herleiden tot 10% op het uiteindelijk verschuldigde bedrag aan btw na compensatie.
De rechtbank verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond.
Volledige tekst:
Tekst van de beslissing
Vonnis rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt dd. 11/03/2026 - 24/750/A
INZAKE
cie1, KBO ..., met zetel te ... ..., ...
Eiseres, vertegenwoordigd door mr. BOGAERTS Ruben, advocaat te 3583 Paal, Paalsesteenweg 131
tegen:
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën (ondernemingsnummer Belgische staat ... en ondernemingsnummer FOD Financiën ...), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, postbus 106.
Verweerder, vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde mevrouw E.E., attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt
VOLGT HET VONNIS
Gelet op:
het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 17.04.2024;
de beschikking overeenkomstig art. 747, §1 Ger.W. van 20.06.2024; de syntheseconclusies en stukken van verweerder;
de syntheseconclusie en stukken van eiseres.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN:
Eiseres is sedert 01.10.2019 geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW-nummer ... voor de door eiseres opgegeven activiteiten van "Handel in eigen onroerend goed".
Op 18.02.2020 werd een fiscale controle inzake BTW bij de belastingplichtige aangekondigd.
Bij deze controle op de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake BTW met betrekking tot de periode 01.01.2019 t.e.m. 31.12.2020 werd vastgesteld dat gezien eiseres slechts door artikel 44 WBTW vrijgestelde handelingen verrichtte, waarvoor er geen recht op aftrek bestond zodat de oorspronkelijke afgetrokken BTW diende te worden herzien en de BTW ten bedrage van 4/5e voor de roerende goederen en 14115e voor de onroerende goederen diende teruggestort te worden.
Tevens werd de aftrek van BTW op de gemaakte kosten verworpen aangezien zij sedert de activering van haar BTW-nummer op 01.10.2019 geen enkele handeling had verricht zoals bedoeld in artikel 45, §1 WBTW en zij bijgevolg geen recht op aftrek had over deze inkomende handelingen.
De vastgestelde overtredingen werden opgenomen in een correctieopgave die op 25.10.2021 werd ondertekend door de bestuurder, D.W..
De BTW-schuld werd opgenomen in een innings- en invorderingsregister dat uitvoerbaar werd verklaard op 09.12.2021. De verschuldigde bedragen werden gevorderd in RCIV-nummer ...
Op 14.12.2021 werd een innings- en invorderingsbericht inzake BTW verstuurd aan eiseres waarbij de volgende bedragen verschuldigd waren:
8.030,52 euro BTW;
8.110,00 euro als geldboete;
0,00 euro (saldo van schuld op 14.12.2021) nalatigheidsinteresten te rekenen vanaf 21 januari 2021 overeenkomstig artikel 91, §1 van het Btw-Wetboek. Vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister zijn nalatigheidsinteresten op basis van artikel 91 § 2bis van het Btw-Wetboek verschuldigd.
Op 18.01.2022 werd een verzoekschrift tot kwijtschelding van boeten ingediend. In dit verzoekschrift werd gesteld dat door de coronacrisis zij geconfronteerd werden met een massa vragen en extra werk waardoor de oprichting van de BTW-eenheid uit het oog werd verloren. Verder werd gesteld dat zij de verschuldigde BTW dan ook niet betwistten en onmiddellijk hebben betaald, maar dat zij de opgelegde boete buiten proportie vinden en, gelet op de uitzonderlijke omstandigheden, om kwijtschelding verzoeken.
Bij beslissing van de adviseur-generaal centrumdirecteur KMO Hasselt van 08.02.2022 werd aan de belastingplichtige meegedeeld dat niet kon worden ingegaan op het verzoek tot kwijtschelding van de opgelegde boete.
Bij verzoekschrift van 17.04.2024 heeft eiseres een vordering in rechte ingesteld bij deze rechtbank.
II. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid:
Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde:
Eiseres verzoekt om over te gaan tot herleiding van de boete tot 10% van de uiteindelijk verschuldigde BTW (nl. 10% van 8.030,52 euro) zijnde 803,05 euro.
Dat de geldboete rechtsgeldig werd opgelegd, staat niet ter discussie.
Eiseres is van oordeel dat de opgelegde geldboetes disproportioneel zijn met de door haar begane inbreuk. Eiseres argumenteert dat er sprake was van een verschuldigde BTW van 81.591,06 euro doch dat de administratie tevens stelde dat ingevolge de oprichting van een BTW-eenheid een recht van aftrek was voor een bedrag van 73.560,53 euro. Het uiteindelijk te betalen bedrag aan BTW - na compensatie - bedroeg 8.030,53 terwijl de opgelegde BTW - boete meer bedroeg nl. 8.110,00 euro. Eiseres stelt dat de ernst van de begane overtreding minimaal is en dat er geen enkele intentie was om de verschuldigde belasting te ontduiken. Eiseres verzoekt de rechtbank de opgelegde boete te matigen tot 10%. Tevens is eiseres van mening dat er in voorliggend geval redenen zijn om uitstel te verlenen voor de haar opgelegde boete.
De belastingadministratie argumenteert dat het opleggen van de boete een gebonden bevoegdheid is voor de administratie waarbij zij over geen beoordelingsbevoegdheid beschikt. Verder stelt zij dat de boete wel degelijk proportioneel is en er reeds rekening werd gehouden met de goede trouw van eiseres. Verder ziet de belastingadministratie geen bijzondere omstandigheden die een kwijtschelding, vermindering en/of uitstel zouden verantwoorden.
Krachtens artikel 70, §1, eerste lid WBTW wordt iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, bestraft met een geldboete gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. De boete werd in casu verminderd in overeenstemming met tabel G, eerste afdeling, rubriek I en tabel H. van het KB nr. 41 en gebracht op 10% van de verschuldigde BTW t.b.v. 80.704,82 euro.
Het staat vast en wordt evenmin betwist dat de opgelegde administratieve geldboete een strafrechtelijk karakter heeft.
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of de belastingadministratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie bv. Cass. 24 maart 2023, AR F.21.0056.N, www.juportal.be).
De fiscale rechter kan een BTW-geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel verminderen tot beneden de in dit koninklijk besluit bepaalde vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk en de concrete omstandigheden van de zaak (zie Cass. 12 februari 2026, F.24.0026.N).
Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de bestuurders van eiseres nalatig zijn geweest bij het tijdig oprichten van een BTW-eenheid. Zij hadden er blijkbaar onvoldoende aandacht aan besteed daar zij op dat ogenblik ingevolge de coronacrisis overstelpt werden met vragen van klanten.
De rechtbank is van oordeel dat dit wel degelijk argumenten die de belastingplichtige volgens het BTW-boetebeleid in bepaalde omstandigheden in zijn voordeel kan inroepen (zie richtlijnen voor de toepassing van de proportionele en niet-proportionele btw-geldboeten,
randnummer 123, raadpleegbaar op
https://financien.belgium.be/sites/default/files/downloads/123-boetebeleid-btw-20180730.pdf).
Waar de belastingadministratie terecht opmerkt dat de coronapandemie op zich geen redenen kunnen vormen om een geldboete kwijt te schelden, is er volgens de rechtbank in dit dossier toch sprake van uitzonderlijke omstandigheden.
De situatie van eiseres kan volgens de rechtbank dus niet gelijkgesteld worden met overmacht, maar getuigt wel van uitzonderlijke omstandigheden die ertoe leiden dat de door de belastingadministratie opgelegde administratieve sancties met strafrechtelijk karakter in concreto disproportioneel zijn.
De rechtbank komt tot het besluit dat dit gegronde redenen zijn om de geldboete te herleiden tot 10% op het uiteindelijk verschuldigde bedrag aan BTW na compensatie nl. 803,05 euro.
De rechtbank herleidt de geldboete dus zoals hiervoor bepaald.
De vordering van eiseres is in die zin gegrond.
Verweerder werd in het ongelijk gesteld zodat hij de kosten dient te dragen.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN:
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond.
Zegt voor recht dat de BTW-boete gevorderd in RCIV-nummer … dient herleid te worden tot een bedrag van 803,05 euro.
Beveelt de terugbetaling van alle ten onrechte ingehouden of betaalde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 WBTW.
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding begroot in hoofde van eiseres op 1.412,79 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 11 maart 2026 alwaar zetelden:
Mevrouw M. COENEGRACHTS, alleenzetelend rechter,
Mevrouw G. BRUSSELAERS, griffier.
Nota van de FOD Financiën
Referentie WF
WF 711-15-24/000781 - Finaliti 54666352/01
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.