Recht op aftrek van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 23 november 2004

Zoeken

Recht op aftrek van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-rechtbank-brugge-2004-11-23-fda4

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
23 november 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

90 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 23.11.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

AR nr. 01/0454/A Rep. nr. 2004/15547

in de zaak van :

de BVBA B., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, destijds ingeschreven in het handelsregister te Oostende onder nummer …, met BTW-nr. …, hiertoe vertegenwoordigd door de heer E. V., wonende te …, …, aangesteld als zaakvoerder van de BVBA B. d.d. 04.09.1959

eiseres,

vertegenwoordigd zoals hiervoor vermeld,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvanger te Oostende, wiens kantoor gevestigd is te 8400 Oostende, Administratief Centrum - Vrijhavenstraat nr. 1, eerste verdieping,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester L. D. S., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 26 oktober 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten:

1. de geding inleidende dagvaarding van 31 januari 2001 met verzet tegen het dwangbevel dat op 14 januari 1998 is uitgevaardigd en

2. de conclusie voor verweerder van 23 april 2002.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van verweerder ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres is sedert 17 februari 1993 als BTW-plichtige ingeschreven voor 'het uitoefenen van de werkzaamheid van verhuring van autovoertuigen zonder chauffeur'. De zetel van eiseres was aanvankelijk gevestigd te …, ….

Per brief van 2 september 1996 liet de BTW-controle van Hasselt aan eiseres weten dat zij op 17 september 1996 ter plaatse zou komen voor een toezicht voor de periode van 17 februari 1993 tot 30 juni 1996. In overleg met de fiscaal raadgever werd het toezicht verdaagd naar 23 september 1996.

Op die datum stelde de controleur vast dat er op het adres van de zetel van eiseres een rustoord gevestigd was en dat eiseres daar alleen een postbus had. De fiscaal raadgever van eiseres heeft dat bevestigd en stelde dat alle boekhoudkundige documenten van eiseres op zijn kantoor lagen, waardoor het toezicht bij die fiscaal raadgever heeft plaats gevonden.

Op 4 september 1996 werd door eiseres besloten om haar zetel over te brengen naar …, …. Van die beslissing werd op 25 september 1996 een afschrift neergelegd en tevens werd op die dag om doorhaling van de inschrijving in het Handelsregister van … verzocht. Op 8 oktober 1996 werd de beslissing tot zetelverplaatsing gepubliceerd in de bijlage aan het Belgisch Staatsblad.

De controleur stelde tijdens zijn onderzoek op 23 september 1996 diverse inbreuken vast op het vlak van de BTW. Onder andere bleek dat eiseres in de onderzochte periode voor alle inkomende facturen die betrekking hebben op wagens, de BTW volledig in aftrek nam.

Er werd vastgesteld dat eiseres enkele kleine wagens had gekocht en deze op vaste basis verhuurde aan de BVBA P., een vennootschap waarmee twee rustoorden exploiteerden waarvan de zaakvoerder van eiseres de enige vennoot was. Daarnaast leasde eiseres een Ferrari Mondiale 7 die verhuurd werd aan de zaakvoerder van eiseres. Deze verhuurtransacties gaven aanleiding tot het uitreiken van twee facturen per maand : de verhuring van de auto's aan de BVBA P. werd gegroepeerd in één factuur.

Van de bevinden van de controle werd op 30 september 1997 een proces­verbaal opgemaakt. Op grond van de stelling dat eiseres geen recht zou hebben op de volledige aftrek van de BTW op de voertuigen omdat op haar artikel 45, § 2, 2de lid, a) W.BTW niet toepasselijk zou zijn, werd de helft van de afgetrokken BTW op de betreffende facturen (359.331 frank of 8.907,58 euro) als verschuldigd verklaard voor de periode van 17 februari 1993 tot 30 juni 1996, dit naast andere bedragen en een proportioneel verminderde boete.

Eiseres werd uitgenodigd om de verschuldigde bedragen die in het proces­verbaal van 30 september 1997 waren opgenomen te voldoen.

Bij gebrek aan betaling vaardigde het Ontvangkantoor van de BTW te Oostende op 14 januari 1998 een dwangbevel uit ten nadele van eiseres met RCIV-nr. …. Het dwangbevel werd op 2 april 1998 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Per aangetekende brief van 6 april 1998 werd aan eiseres kennis gegeven van dat dwangbevel.

Met een dagvaarding van 31 januari 2001 stelde eiseres haar huidige vordering in.

2. De vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank het genoemde dwangbevel van 14 januari 1998 zou vernietigen, de vordering van verweerder ongegrond zou verklaren en dat verweerder zou veroordeeld worden tot terugbetaling van alle onverschuldigde sommen, vermeerderd met de wettelijke interest.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BESPREKING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

Eiseres ontwikkelt verschillende argumenten die hierna worden onderzocht.

2.1.

Eiseres stelt dat de controleur zich op 23 september 1996 in … had moeten aanbieden omdat haar zetel al sedert 4 september 1996 naar … was overgebracht.

Met verweerder stelt de rechtbank vast dat eiseres van die adreswijziging op 23 september 1996, laat staan vroeger, nog geen kennis had gegeven. Pas op 8 oktober 1996 werd de beslissing om de zetel van … naar … over te brengen in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Zelfs de doorhaling van de inschrijving in het Handelsregister van … dateert pas van 25 september 1996.

Bovendien heeft de controle plaats gevonden op het kantoor van de fiscaal raadgever van eiseres, met diens akkoord en was dat overigens de plaats waar de controle nuttig kon plaats vinden vermits daar alle boekhoudkundige documenten van eiseres aanwezig waren.

In die omstandigheden moest de controle niet in … plaats vinden.

Deze grief van eiseres is bijgevolg ongegrond.

2.2.

Eiseres voert aan dat de volgende elementen door haar eigen boekhouder onjuist geïnterpreteerd werden :

(1) … te … is geen postbusadres;

(2) de zaakvoerder van eiseres baat geen twee rusthuizen uit;

(3) de zaakvoerder van eiseres heeft het personeel van rusthuizen niet 'ondergebracht' in de 'VZW P.';

(4) het gaat niet om de 'VZW', maar om de BVBA P.;

(5) de BVBA P. heeft slechts één personeelslid;

(6) de wagens worden niet uitsluitend verhuurd aan 'P.', zogezegd ten behoeve van het personeel van de twee rusthuizen;

(7) eiseres reikte meer dan 2 facturen uit en

(8) de terbeschikkingstelling van de Ferrari was al beëindigd op 1 oktober 1995.

Verweerder laat terecht opmerken dat de elementen vermeld onder nummers (1) tot (5) en onder nummer (8) voor de rechtsvraag die hier aan de orde is, namelijk te weten of eiseres gerechtigd is op toepassing van artikel 45, § 2, 2de lid, a) W.BTW, niet relevant zijn.

De elementen onder nummers (6) en (7) zijn wel relevant. Nochtans gaan de beweringen met betrekking tot de huurders van de wagens en het aantal facturen dat werd uitgereikt rechtstreeks in tegen de bevindingen die de BTW-controleur persoonlijk heeft gedaan en neergeschreven heeft in zijn proces-verbaal van 30 september 1997. Dat proces-verbaal heeft een bijzondere bewijswaarde : het wordt met betrekking tot de materiële vaststelling van de controleur geacht met de werkelijkheid overeen te stemmen, tot het bewijs van het tegendeel geleverd is. Eiseres levert dat bewijs niet en maakt het tegendeel zelfs niet aannemelijk.

Ook op deze grief kan bijgevolg niet worden ingegaan.

2.3.

Eiseres stelt ook niet te kunnen instemmen met het standpunt dat voor de toepassing van artikel 45, § 2, 2de lid, a) W.BTW niet de verhuur van auto's aan een andere onderneming bedoeld is, wanneer de verhuurder in die hoedanigheid naar buiten niet gekend is en geen open kantoor houdt waar iedereen een auto kan huren.

Zij wijst erop dat haar maatschappelijk doel zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad bestaat uit de aan- en verkoop van nieuwe en tweedehandse personen- en bedrijfswagens … alsmede het verhuren en leasen van voertuigen aan derden. Volgens eiseres is er enkel een kantoor en geen uitstalraam nodig zodat de vermelding van haar naam op de bel en de brievenbus volstaat omdat dit, al wie een wagen wil huren, toelaat om met haar te contracteren. Aldus roept eiseres in dat zij naar buiten gekend is als verhuurder van auto's.

Voor de toepassing van artikel 45, § 2, 2de lid, a) W.BTW is vereist dat de belastingplichtige een 'specifieke economische activiteit uitoefent die bestaat in de verkoop of verhuur van automobielen'.

De verkoop van automobielen is hier niet aan de orde.

Een 'economische' activiteit van verhuur van auto's veronderstelt de bedoeling en dus de bereidheid van de belastingplichtige om auto's te verhuren aan iedereen die erom verzoekt. Een activiteit heeft immers pas een economisch karakter wanneer ze wordt uitgeoefend op de concurrentiële markt.

Het volstaat hoegenaamd niet dat de naam van eiseres op haar bel en op de brievenbus vermeld staat om te weten dat zij een autoverhuurbedrijf is.

Nu eiseres niet bewijst (en zelfs niet inroept) dat zij zich als autoverhuurbedrijf naar buitenuit bekend maakte en overigens alleen verhuurde aan personen of rechtspersonen die op de één of andere manier met haar verbonden waren, ontwikkelde eiseres geen economische activiteit van verhuur van auto's.

In die omstandigheden heeft verweerder terecht geoordeeld dat aan eiseres het gunstregime voor de aftrek van BTW, zoals voorzien in artikel 45, § 2, 2de lid, a W.BTW niet kan worden verleend in de betrokken periode.

Ook deze grief is dus ongegrond.

2.4.

De conclusie is dat de vordering van eiseres ongegrond is.

3. De gerechtskosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.

4. Uitvoerbaarheid bij voorraad

Nu de vordering van eiseres niet kan ingewilligd worden, heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor haar geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond.

Beschikkend gedeelte

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding : 349,53 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging af als ongegrond.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op drieëntwintig november tweeduizend en vier.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.