Wet van openbare orde, Waals Wetboek ruimtelijke ordening · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie C.01.0302.F 19 september 2002

Zoeken

Wet van openbare orde, Waals Wetboek ruimtelijke ordening

https://juriel.be/nl/rechtspraak/openbare-orde-waals-wetboek-ruimtelijke-cassatie-brussel-2002-09-19-cc4e

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
C.01.0302.F
Datum
19 september 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

85 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 19.09.2002 (C.01.0302.F)

Wet van openbare orde - Waals Wetboek ruimtelijke ordening - Normaal gebruik van een goed - Bouwgrond - Berusting

Wettelijke bepalingen

Artt. 10, 34, eerste lid, 167 en 170, Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium van 14 mei 1984

Artt. 25, 26 en 70, eerste lid, WWROSP, gecoördineerd bij het Waalse decreet van 27 november 1997

Art. 149, Grondwet

Samenvatting

De normale bestemming van een bouwgrond in de zin van artikel 34, eerste lid, van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium van 14 mei 1984 wordt beoordeeld aan de hand van drie criteria, namelijk de geschiktheid van de grond voor bebouwing, de ligging langs een voldoende uitgeruste verkeersweg en de ligging naast andere bouwgronden of gebouwen.

De berusting in een beslissing die gegrond is op een wetsbepaling die de openbare orde raakt is nietig.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie

dd. 19.09.2002

(C.01.0302.F)

WAALS GEWEST, Mr. L.S., advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. R. H., 2. U. C., Mr. P.V.O., advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 23 april 1997 gewezen door het Hof van Beroep te Bergen.

II. Rechtspleging voor het Hof

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Xavier De Riemaecker heeft geconcludeerd.

III. Cassatiemiddel

Eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 34, inzonderheid eerste lid, 167 en 170 van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium van 14 mei 1984 (hierna WWROSP 1984) ;

- voor zoveel nodig, de artikelen 25, 26 en 70, inzonderheid eerste lid, van het WWROSP, gecoördineerd bij het Waalse decreet van 27 november 1997 (hierna WWROSP 1997) ;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen en redenen

Na in verband met de te Péronnes-lez-Binche gelegen grond te hebben vastgesteld "dat het enige twistpunt volgens (eiseres) de vraag betrof (of) die grond de dag voor de inwerkingtreding van het gewestplan voor bebouwing diende of normaal bestemd was zoals (de echtgenoot en rechtsvoorganger van de verweerders) betoogt, daar zij niet betwistte dat de overige voorwaarden voor de toepassing van artikel 34 van het WWROSP vervuld waren behalve die betreffende het bewijs van het bedrag van de aangevoerde schade", beslist het bestreden arrest dat voormelde grond, die op het bij het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 9 juli 1987 goedgekeurde gewestplan voor La Louvière-Zinnik bij het landbouwgebied was ingedeeld, de dag vóór de inwerkingtreding van dat gewestplan normaal voor bebouwing was bestemd, derhalve de op die grond betrekking hebbende vordering tot schadevergoeding van de echtgenoot en rechtsvoorganger van de verweerders gegrond verklaart en de door de eerste rechter aan de deskundigen D. en L. verleende opdracht tot dit perceel uitbreidt op de volgende gronden :

"het wordt niet betwist dat in de akte van aankoop van de te Péronnes-lez-Binche gelegen grond die was verleden toen de notaris niet verplicht was melding te maken van een stedenbouwkundig attest, die grond omschreven werd als een 'perceel bouwgrond' en dat die omschrijving door het bestuur niet werd betwist bij de registratie van de koopakte ;

bovendien wordt in alle opeenvolgende overeenkomsten van landpacht die op die grond betrekking hebben vermeld dat het hier om bouwgrond gaat ;

(eiseres) ontkent niet dat de betrokken grond ligt langs een voldoende uitgeruste verkeersweg, dat hij materieel geschikt is voor bebouwing en dat hij volgens het gewestplan grenst aan een woongebied ;

uiteraard eindigt een gebied op een bepaalde plaats waar een ander gebied begint ;

de functie van het gewestplan bestaat er juist in dergelijke grenzen vast te leggen ;

dat neemt niet weg dat die grens te dezen niet is verantwoord door objectieve kenmerken waardoor het betwiste perceel zou verschillen van het aanpalend perceel dat bij het woongebied is ingedeeld, en dat zij derhalve kunstmatig is ;

de omstandigheid dat de grond (van de echtgenoot en rechtsvoorganger van de verweerders) tot de dag van het gewestplan altijd voor landbouwdoeleinden is gebruikt, sluit niet uit dat die grond normaal bestemd was voor het oprichten van gebouwen binnen afzienbare tijd ;

het zou niet met de wet, het algemeen of particulier belang stroken indien van de eigenaar van een bouwgrond zou worden verwacht dat hij die grond laat braakliggen tot hij zijn voornemen om te bouwen kan uitvoeren ;

(eiseres) kan dus tegen het geheel van de hierboven vermelde feitelijke gegevens niet inbrengen dat de indeling van de grond (van de echtgenoot en rechtsvoorganger van de verweerders) bij het landbouwgebied slechts de bekrachtiging is van een feitelijke toestand die altijd al heeft bestaan".

Grieven

1. Eerste onderdeel

Volgens artikel 34, eerste lid, van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium van 14 mei 1984 (hierna WWROSP 1984), thans 70 van het bij het Waalse decreet van 27 november 1997 gecoördineerde WWROSP, is er schadevergoeding verschuldigd wanneer het bouw- of verkavelingsverbod volgende uit een plan dat bindende kracht heeft verkregen, een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van dat plan.

De bestaande bestemming in de zin van die bepaling is ofwel een feitenkwestie, wanneer zij voortvloeit uit een feitelijke toestand, zoals het feit dat er op dat goed een gebouw, een landbouwexploitatie of landbouwbedrijf staat, ofwel een toestand in rechte, wanneer zij voortvloeit uit de rechten waarop particulieren zich jegens de overheid kunnen beroepen voor het gebruik van het goed, zoals een niet vervallen bouwof verkavelingsvergunning.

Een grond kan bovendien alleen worden geacht de bestemming van bouwgrond te hebben als hij geschikt is voor bebouwing, langs een voldoende uitgeruste weg ligt en aan andere bouwgronden paalt ; een grond die volgens het gewestplan in woongebied ligt (artikelen 10, 167 en 170 van het WWROSP 1984 en 25 en 26 van het WWROSP 1997) is niet automatisch bouwgrond ; hij wordt dat immers maar als hij aan de drie bovengenoemde voorwaarden voldoet.

Enerzijds sluit het arrest door de vaststelling dat de betwiste grond "altijd al voor landbouwdoeleinden is gebruikt" uit dat die grond de dag die aan de inwerkingtreding van het gewestplan voorafging, feitelijk voor bebouwing was bestemd.

Anderzijds kan uit de enkele vaststelling dat het betwiste perceel in de koopakte en in de opeenvolgende pachtovereenkomsten als "perceel bouwgrond" was omschreven zonder dat die omschrijving door het bestuur was betwist "bij de registratie van de koopakte" al evenmin worden afgeleid dat de bestemming van de betwiste grond "in rechte" vaststond in de zin van voormeld artikel 34, vermits het arrest niet vaststelt dat die omschrijving terugging tot een verordenende of individuele beslissing van eiseres zelf.

Ten slotte, ook al stelt het arrest vast dat de betrokken grond "langs een voldoende uitgeruste verkeersweg ligt en materieel geschikt is voor bebouwing", kan uit het enkele, door het arrest vastgestelde feit dat de betwiste grond "volgens het gewestplan aan een woongebied" paalde niet worden afgeleid dat die grond voor bebouwing was bestemd, aangezien het arrest niet tevens heeft vastgesteld dat het perceel of de percelen die paalden aan de betwiste grond en wel in woongebied lagen, benevens de ligging ervan, werkelijk voor bebouwing geschikt waren.

Het bestreden arrest heeft bijgevolg op grond van de erin vermelde en door het middel overgenomen vaststellingen niet wettig kunnen beslissen dat de betwiste grond op de dag voor de inwerkingtreding van het gewestplan diende voor of normaal bestemd was voor bebouwing en, derhalve, dat de door de echtgenoot en rechtsvoorganger van de verweerders tegen eiseres op grond van artikel 34 van het WWROSP 1984 ingestelde vordering tot schadevergoeding in beginsel gegrond was voor de te Péronnes-lez-Binche gelegen grond (schending van de artikelen 10, 34, inzonderheid eerste lid, 167 en 170 van het WWROSP 1984 en, voor zoveel nodig, van de artikelen 25, 26 en 70, inzonderheid eerste lid, van het WWROSP 1997).

2. Tweede onderdeel

In haar aanvullende conclusie in hoger beroep had eiseres aangevoerd

"dat één van de voorwaarden opdat er schadevergoeding verschuldigd zou zijn overeenkomstig artikel 34 van het WWROSP is, dat de minderwaarde het gevolg is van het feit dat het plan van aanleg de bestaande bestemming of het gebruik waarvoor het goed normaal bestemd was heeft opgeheven ;

dat, ook al staat in beide overeenkomsten van landpacht, die op 20 juni 1959 en 28 maart 1987 zijn gesloten, duidelijk vermeld dat de in pacht gegeven grond bouwgrond was, de grond niettemin voor landbouwdoeleinden was bestemd ;

dat, zoals het beroepen vonnis zeer terecht vermeldt, de hoedanigheid van het goed afhangt van de feitelijke toestand ervan op het ogenblik van de inwerkingtreding van het plan ;

dat de grond reeds toen hij door (verweerder) was gekocht op 19 maart 1964 voor landbouw was bestemd, daar tussen de vorige eigenaar en een pachter bij akte van 20 juni 1959 een pachtovereenkomst was gesloten ;

dat (verweerder), bij overeenkomst van 28 maart 1987, een landpacht heeft toegestaan op die grond ;

dat de grond nog op de dag van de inwerkingtreding van het bij besluit van de gewestexecutieve van 9 juli 1987 goedgekeurde plan voor het gewest La Louvière-Zinnik bestemd was voor landbouw ;

dat er op de grond nooit is gebouwd ;

dat de betwiste grond bovendien paalt aan andere percelen die alle voor landbouw zijn bestemd ;

dat die grond op het plan voor het gewest La Louvière-Zinnik bij het landbouwgebied is ingedeeld, waardoor een al van oudsher bestaande feitelijke toestand werd bekrachtigd".

Daar het bestreden arrest derhalve beslist dat er op de grond van de echtgenoot en rechtsvoorganger van de verweerders mocht worden gebouwd, met name omdat die grond aan een woongebied grensde, zonder daarbij te antwoorden op het door eiseres bij conclusie aangevoerde middel volgens hetwelk de aanpalende percelen "alle voor landbouw waren bestemd", omkleedt het zijn beslissing niet regelmatig met redenen (schending van artikel 149 van de Grondwet).

IV. Beslissing van het Hof

I. Middel van niet-ontvankelijkheid

De door de verweerders tegen de voorziening aangevoerde grond van niet-ontvankelijkheid volgens welke eiseres stilzwijgend in het arrest heeft berust door alle bepaalde en met elkaar overeenstemmende daden die zij na dat arrest heeft verricht :

Overwegende dat de bepalingen van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium van 14 mei 1984 waarvan het arrest toepassing maakt, de openbare orde raken ; dat derhalve, zelfs als de partijen in het arrest zouden hebben berust, die berusting toch nietig zou zijn ;

Dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen ;

2. Middel

2.1. Eerste onderdeel

Overwegende dat, krachtens artikel 34, eerste lid, van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium, er schadevergoeding verschuldigd is wanneer het bouw- of verkavelingsverbod, volgende uit een plan dat bindende kracht heeft verkregen, een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan ;

Overwegende dat de bestemming van een goed een feitenkwestie of een rechtskwestie is ;

Dat het arrest, wat de feitelijke bestemming van de te Péronnes-lez-Binche gelegen grond betreft, vaststelt dat die grond altijd al voor landbouwdoeleinden is gebruikt en dat het, wat de bestemming in rechte betreft, vermeldt dat de grond in de akte van aankoop werd omschreven als een "perceel bouwgrond" en dat "die omschrijving door het bestuur niet werd betwist bij de registratie van de koopakte" ; dat uit het ontbreken van een betwisting hieromtrent nochtans niet volgt welke bestemming die grond in rechte heeft, daar het arrest niet vaststelt dat die omschrijving teruggaat tot een verordenende of individuele beslissing van een overheid ;

Overwegende bovendien dat de normale bestemming van een stuk bouwgrond wordt beoordeeld aan de hand van drie criteria, namelijk de geschiktheid van de grond voor bebouwing, de ligging langs een voldoende uitgeruste weg en het feit dat hij paalt aan andere bouwgronden of gebouwen ;

Dat het arrest vermeldt dat "(eiseres) niet ontkent dat de betrokken grond gelegen is langs een voldoende uitgeruste verkeersweg, dat hij geschikt is voor bebouwing en dat hij volgens het gewestplan grenst aan een woongebied" ;

Dat evenwel uit de omstandigheid dat de betwiste grond blijkens het gewestplan grenst aan een woongebied niet noodzakelijk volgt dat die grond aan een of meer bouwgronden of gebouwen paalt ; dat immers, blijkens artikel 26 van voormeld wetboek, een woongebied meer omvat dan dergelijke onroerende goederen alleen ;

Dat het arrest, dat niet nagaat of de betwiste grond aan een of meer bouwgronden of gebouwen paalt, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt ;

Dat het onderdeel gegrond is ;

Over de overige grieven :

Overwegende dat er geen grond bestaat tot onderzoek van het tweede onderdeel, dat niet tot ruimere cassatie kan leiden ;

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het "de vordering, die betrekking heeft op de grond, gelegen te Péronnes-lez-Binche, kadastraal bekend onder sectie C, met een oppervlakte van 52 are 50 centiare, in beginsel gegrond verklaart", "de door de eerste rechter aan de deskundigen D. en L. verleende opdracht tot die tweede grond uitbreidt" en uitspraak doet over de kosten ;

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over ;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ...

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer ...

Ondertekeningen

Rechtspraak

2

België

2

Bekijk de 2 documenten