Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 16.06.2025
[ Gunstig vonnis ]
BTW – Nihil-aangifte – Boete 200%
Volledige tekst:
Tekst van de beslissing
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 16.06.2025
(23/1956/A)
De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer B.10, heeft het volgend vonnis verleend:
In de zaak : 23/ 1956/A
Hoofdzaak :
X. bvba (KBO: …), maatschappelijke zetel te …,
eisende partij,
hebbende als raadsman meester D.L., advocaat te …
tegen :
de BELGISCHE STAAT — FOD FINANCIEN (KBO: 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum KMO Brugge 763, met kantoor te 8200 Brugge, Koning Albert l-laan 1-5, bus 6,
verwerende partij,
voor wie optreedt mevrouw V.C., attaché
…
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 6 juli 2023.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.
Partijen werden gehoord op de zitting van 19 mei 2025.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE475.310.193, voor de activiteit van boekhouders en fiscalisten. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Voor de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 heeft eiseres nihil-aangiften ingediend. Op 29 april 2022 wordt een BTW-controle aangekondigd. De BTW-aangifte over het eerste kwartaal 2022 wordt (laattijdig) ingediend op 12 mei 2022. De verschuldigde BTW t.b.v. 41.458,55 EUR die betrekking heeft op het jaar 2020 wordt opgenomen in rooster 61. Door verweerder wordt een bijzondere rekening opgemaakt voor de periode 31 december 2021 tot 30 april 2022 wegens het niet betalen van de verschuldigde BTW van de BTW-aangifte over het eerste kwartaal 2022. Een boete van 7.590 EUR wordt opgelegd. Naar aanleiding van de BTW-controle wordt op 29 augustus 2022 een proces-verbaal opgemaakt. Er wordt een boete van 200% (82.906,60 EUR) opgelegd wegens het niet spontaan aangeven van de verschuldigde BTW voor de periode van 1 januari 2020 tot 31 december 2020. Een innings- en invorderingsbericht volgt op 13 oktober 2022 (artikel 500259611176).
Eiseres heeft een bezwaar ingediend op 14 september 2022. Het bezwaar wordt afgewezen bij beslissing d.d. 30 mei 2023.
Door eiseres wordt fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 6 juli 2023.
2. Eiseres vraagt dat:
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- de beslissing d.d. 30 mei 2023 wordt hervormd;
- de geldboete vervat in de schuld artikelnummer 500259611176 wordt vernietigd, minstens wordt kwijtgescholden;
- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen, te vermeerderen met de moratoriumintresten;
- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding en de bijdrage fonds juridische tweedelijnsbijstand
3. Verweerder vraagt dat:
- de eis ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard;
- eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. Geldboete
Een geldboete t.b.v. 82.906,60 EUR (200% van het BTW-bedrag) heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen.
Een toetsing met voile rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
Volgens het Hof van Cassatie (Cass.25 april 2025, F.22.0166.N; Cass. 17 januari 2019, F.J.F. 2019, afl. 4, 151) zijn de hoven en rechtbanken onbevoegd om BTW-boeten te herleiden tot onder de bedragen die zijn voorgeschreven door het KB nr. 41 indien niet eerst kwijtschelding of vermindering is gevraagd aan de Minister van Financiën op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.
Eiseres heeft geen kwijtschelding of vermindering van de geldboete gevraagd op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.
Bovendien blijkt uit het dossier dat eiseres foutief nihil-aangiften heeft ingediend voor het jaar 2020. Eiseres heeft de te betalen BTW-bedragen te laat (na het aankondigen van een controle) opgenomen in haar aangifte eerste kwartaal 2022 en deze bedragen niet betaald ook niet na herhaalde aanmaningen. De administratieve geldboete wordt in principe opgelopen door het enkele feit van de overtreding (niet-tijdig spontaan aangeven van de verschuldigde BTW). Uit het dossier blijkt dat eiseres ook in 2016, 2017, 2018 en 2019 verschuldigde BTW niet had opgenomen in haar BTW-aangiften. Over een periode van 5 jaar werd 145.251,05 EUR aan verschuldigde BTW niet spontaan opgenomen in de BTW-aangiften.
De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuk vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het relatief hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van de boete is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuken. Het jarenlang niet spontaan aangeven van verschuldigde BTW kan onmogelijk het gevolg zijn van eenvoudige vergissingen of slordigheden. Eiseres heeft onmiskenbaar de BTW niet opgenomen in de BTW-aangiften met het opzet om de belastingen te ontduiken. Aan eiseres worden al jarenlang boeten opgelegd wegens het niet spontaan opnemen van verschuldigde BTW in haar BTW-aangiften en eiseres heeft al die jaren niet de moeite gedaan om haar gedrag aan te passen. Eiseres verwijst naar gezondheidsproblemen van haar zaakvoerder, maar bewijst hieromtrent niets. Ondanks de beweerde gezondheidsproblemen was het toch mogelijk om jarenlang met BTW te factureren en foutieve BTW-aangiften in te dienen.
De rechtbank ziet geen enkele reden om een uitstel of kwijtschelding te verlenen. Er is geen enkel reden die een uitstel of een kwijtschelding zou kunnen verantwoorden.
De geldboete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar hebben ook een bestraffend en afradend karakter.
2. Non bis in idem
In de bijzondere rekening betreffende de periode van 31 december 2021 tot 30 april 2022 werd een boete opgenomen van 7.590 EUR, zijnde 15% van de verschuldigde BTW (waaronder de BTW verschuldigd voor het jaar 2020). Deze boete werd opgelegd omdat de verschuldigde BTW opgenomen in de aangifte over het eerste kwartaal 2022 niet werd betaald (inbreuk op artikel 53 §1, 3° WBTW).
In het proces-verbaal van 29 augustus 2022 werd een boete opgelegd van 200% omdat de verschuldigde BTW voor de periode van 1 januari 2020 tot 31 december 2020 niet spontaan werd aangegeven (inbreuk op artikel 53 §1, 2° WBTW).
Het betreft dus 2 verschillende feiten. Enerzijds het niet spontaan aangeven van de BTW en anderzijds het niet betalen van deze verschuldigde BTW. Het is mogelijk om de BTW wel spontaan en correct op te nemen in een BTW-aangifte en deze toch niet te betalen.
Dat verweerder in het proces-verbaal vermeldt dat de verschuldigde BTW ook niet werd betaald, is niet relevant. De boete werd duidelijk enkel opgelegd wegens het niet spontaan opnemen van de verschuldigde BTW in de BTW-aangiften.
Het non bis in idem beginsel werd derhalve niet geschonden.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij de gerechtskosten dragen.
Aangezien verweerder niet bijgestaan wordt door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, in haar hoofde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en in hoofde van verweerder begroot op 00,00 EUR.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op maandag zestien juni tweeduizend vijfentwintig waar zitting hadden:
L.D., rechter;
J.T., grifier.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.