Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 18.01.2013 (F.11.0126.N)
Belasting over de toegevoegde waarde - Invordering - Verjaring - Rechtsvordering die uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven - Verjaringstermijn van zeven jaar - Toepassingsvoorwaarden
Samenvatting
Wanneer een rechtsvordering uitwijst dat in België belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken op onwettige wijze werden toegepast, kan de administratie alsnog een dwangbevel uitvaardigen op voorwaarde dat er nog geen zeven kalenderjaren zijn verstreken volgend op het jaar waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de btw-schuld zich heeft voorgedaan; voor de toepassing van de zevenjarige verjaringstermijn is niet vereist dat de rechtsvordering het bewijs levert van de verschillende belastbare handelingen die niet werden aangegeven: het volstaat dat de rechtsvordering een niet-aangegeven meeromzet of fraude aan het licht brengt en dat de administratie, vertrekkend van dit gegeven, aan de hand van een ander bewijsmiddel kan aantonen welke belastbare handelingen de belastingplichtige niet heeft aangegeven en welk bedrag aan belastingen hij verschuldigd is.
Wettelijke basis
Artikel 81bis, § 1, derde lid, sub 1, van het Btw-Wetboek
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 18.01.2013
F.11.0126.N
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de administratie van de bijzondere belastinginspectie, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. A. D. B., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor Brussel, waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
J.-M. M.,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. P. W., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te Brussel, waar de verweerder woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 mei 2011.
Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 7 november 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Volgens het te dezen toepasselijke artikel 81bis, § 1, derde lid, sub 2, Btw-wetboek verjaart de vordering tot voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, van de intresten en van de administratieve geldboeten bij het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer een rechtsvordering aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke of verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn.
Hieruit volgt dat wanneer een rechtsvordering uitwijst dat in België belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken op onwettige wijze werden toegepast, de administratie alsnog een dwangbevel kan uitvaardigen op voorwaarde dat er nog geen zeven kalenderjaren zijn verstreken volgend op het jaar waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de btw-schuld zich heeft voorgedaan.
Deze wetsbepaling vereist niet dat de rechtsvordering het bewijs levert van de verschillende belastbare handelingen die niet werden aangegeven. Het volstaat dat de rechtsvordering een niet-aangegeven meeromzet of fraude aan het licht brengt en dat de administratie, vertrekkend van dit gegeven, aan de hand van een ander bewijsmiddel kan aantonen welke belastbare handelingen de belastingplichtige niet heeft aangegeven en welk bedrag aan belastingen hij verschuldigd is.
2. De appelrechters oordelen dat:
- de zevenjarige termijn vereist dat de belastbare handelingen of onterechte aftrekken door de rechtsvordering zelf worden aangetoond;
- het feit dat de administratie na inzage van het gerechtsdossier nog een onderzoek uitvoerde alvorens de rechtzetting te kunnen uitvoeren, erop wijst dat het gerechtsdossier op zich geen belastbare handelingen of onterechte belastingaftrekken aantoont.
3. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de termijn bedoeld in artikel 81bis, § 1, derde lid, sub 2, Btw-wetboek niet van toepassing is, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
Het middel is gegrond.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het dwangbevel met betrekking tot de btw verschuldigd voor het jaar 2001 en de voor dat jaar verschuldigde boete nietig wordt verklaard en uitspraak doet over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 18 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.
K. Vanden Bossche B. Wylleman F. Van Volsem
G. Jocqué B. Deconinck E. Stassijns
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Rechtspraak
4België
4Hof van beroep te Brussel24.03.2026
Douane-expediteur, Vennootschap naar Frans recht, Invoer /Overbrenging
Hof van beroep te Brussel2019/AF/19220.11.2024
Verkopen op afstand, Inlichtingen uit het buitenland
Hof van beroep te Brussel2013/AF/21928.01.2016