Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 12.06.2006
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 04/2043/A Rep. nr. 2006/8018
de heer D. D., handelaar, voorheen wonende te …, …, thans verblijvende in het P.C.B. te …, …,
eiser,
voor wie is opgetreden Meester T. V. S. loco Meester H. D., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTWOntvangkantoor te BRUGGE, met burelen gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
voor wie is opgetreden Meester I. G. (balie Brugge) loco Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet dwangbevel de dato 24 oktober 1997.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 15 mei 2006.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Door de controlerende ambtenaar werd op 3 januari 1997 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd.
Op 1 september 1997 werd door de met invordering belaste ontvanger, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, twee dwangbevelen uitgevaardigd.
Voormelde dwangbevelen werden op 4 september 1997 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door J. P., inspecteur te Brugge, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 5 september 1997 bij aangetekend schrijven aan eiser ter kennis gebracht.
2.2. Eiser vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens de bestreden dwangbevelen, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 4.09.1997, worden vernietigd. Verder vordert eiser de terugbetaling van alle sommen die op onrechtmatige wijze zouden zijn geïnd, verhoogd met de wettelijke intresten. In ondergeschikte orde vraagt eiser dat de rechtbank de boeten die betrekking hebben op de dwangbevelen, kwijtscheldt, minstens dat deze worden herleid tot 5 %. Verder vraagt eiser nog dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling. Tenslotte vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de dagvaardingskosten ten bedrage van 188,60 EUR en de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Eerste verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. Het dwangbevel, hetwelk ontegensprekelijk een authentieke akte uitmaakt, dient in de op hem toepasselijke wettelijk voorgeschreven vorm te zijn opgemaakt, te weten overeenkomstig de bepalingen van artikel 85, § 1 W.BTW, luidende als volgt : "Bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur van de administratie der douane en accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar".
Met betrekking tot de vorm en inhoud wordt door de wet geen enkele sacramentele vorm voorgeschreven. Een dwangbevel is regelmatig wanneer het door zijn inhoud of door het proces-verbaal waarnaar het verwijst het voorwerp van de eis doet kennen en het de belastingplichtige mogelijk maakt de gegrondheid ervan te beoordelen.
De bestreden dwangbevelen zijn gegrond op het proces-verbaal van 3 januari 1997, opgesteld door de hoofdcontroleur bij de administratie van de BTW, en dit na inzage van het proces-verbaal van 28 april 1993 opgesteld door de opsporingsinspectie der douane en accijnzen te Luik.
In casu beantwoorden de bestreden dwangbevelen aan voormelde vereisten. Het proces-verbaal van 3 januari 1997 werd mee betekend met de dwangbevelen. In dit proces-verbaal wordt een duidelijke omschrijving gegeven van de feiten die tegen eiser worden weerhouden en van de toepasselijke wetsbepalingen. Verder blijkt uit voormeld proces-verbaal dat de verbalisant inzage heeft genomen van het proces-verbaal van de douane van 28 april 1993 en van het bijhorende dossier. De verbalisant beschikte derhalve over al de noodzakelijke gegevens om zijn proces-verbaal met kennis van zaken te kunnen opstellen.
3.2.2. Verder blijkt uit het proces-verbaal van de douane van 28 april 1993 dat eiser persoonlijk is uitgenodigd geweest om de voorlezing van dit proces-verbaal bij te wonen, dat eiser op die lezing aanwezig was en dat hij een afschrift heeft gekregen van voormeld proces-verbaal.
Eiser kan verder op geen enkele wijze aantonen in welke mate zijn rechten van verdediging zouden geschonden zijn.
3.2.3. De maatstaf van heffing voor de berekening van de verschuldigde BTW bij invoer van goederen werd conform artikel 26 WBTW bepaald door de aankoopprijs te verhogen met de rechten en heffingen die inherent zijn aan deze transacties.
Voor de vaststelling van de winstmarge werd verder terecht aangenomen dat de heer V. (bestuurder van de NV V.) en eiser dezelfde winstmarges hanteerden als deze van voormelde vennootschap.
Eiser heeft op geen enkele wijze kunnen aantonen dat deze winstmarges niet met de werkelijkheid zouden overeenstemmen.
3.2.4. De opgelegde boetes hebben een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
In casu werden grote ladingen vlees in de EG binnengebracht onder dekking van T1-documenten en vervolgens in België gelost, versneden en verdeeld zonder dat deze goederen ooit ten verbruik werden aangegeven. Hierdoor kwamen deze goederen in het Belgisch handelscircuit terecht zonder dat de verschuldigde invoerrechten, noch de verschuldigde BTW op de invoer werden betaald. Eiser heeft actief meegewerkt aan deze smokkelinvoer.
De rechtbank stelt vast dat de begane overtredingen relatief ernstig zijn en het algemeen belang schade toebrengen. Eiser brengt bovendien geen enkel argument naar voor die als verzachtende omstandigheid kan worden aangemerkt om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.
De hierboven geschetste concrete omstandigheden verantwoorden het opleggen van de fiscale geldboeten. Bovendien zijn de fiscale geldboeten evenredig met de gepleegde inbreuken.
3.3. nopens de kosten
Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 356,97 EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag twaalf juni tweeduizend en zes.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. N. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.