Invoering van de belasting, werkingssfeer, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 11 mei 2005

Zoeken

Invoering van de belasting, werkingssfeer, bewijs, controlemaatregel, strafbepalingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/invoering-belasting-werkingssfeer-invoer-bewijs-rechtbank-hasselt-2005-05-11-4553

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
11 mei 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

92 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 11.05.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HETVOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN

INZAKE AR nr. 98/0255/A

1. T. L. H., geboren te … op …, wonende te …, ….

2. T. R., geboren op …, wonende te …, ….

eisers,

vertegenwoordigd door Mr. D. E. loco Mr. V., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE en DOMEINEN, in de persoon van de gewestelijk directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20;

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder J. B.,·Ioco gerechtsdeurwaarder J. B. te … van 28.01.1998 waarbij verzet werd aangetekend tegen het dwangbevel uitgevaardigd door M. V. D., ontvanger van het tweede ontvangkantoor van de BTW te Hasselt op 26.06.1992, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door waarnemend gewestelijk directeur G. V. d. H. op 15.07.1992;

- de conclusies, aanvullende conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;

- de besluiten, aanvullende en synthesebesluiten van eisers.

Feiten en voorgaanden

Op 05.10.1987 controleerden de controleambtenaren van de Administratie der Douane en Accijnzen dat de heer H. T. L., eerste eiser, te … op de openbare weg reed met een personenwagen Porsche 911 SC, dat was ingeschreven in Duitsland onder nummerplaat … op naam van zijn zoon R. T. L., tweede eiser. Uit verder onderzoek bleek dat eerste eiser zich, op 28.09.1987 had gedomicilieerd te ….

Naar aanleiding van deze vaststellingen werd er op 06.06.1989 een proces-verbaal opgesteld door de heren M. G., luitenant der Douane, A. P., hoofddouanebeamte en J. E., 1e financiebeamte, allen tewerkgesteld bij Controle der Douane te Genk waarbij werd vastgesteld dat eerste eiser verzuimd had het voertuig Porsche met nummerplaat …, bij de eerste invoer in België ten verbruik aan te geven en de verschuldigde BTW te betalen (zie stuk 1, bundel verweerder).

Op 30.01.1992 werd door de heer S. S., controleur bij' de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, een proces-verbaal opgesteld lastens huidige eisers op basis van de vaststellingen gedaan door de ambtenaren van de Administratie der Douane en Accijnzen, waarbij werd vastgesteld dat eisers de hierna volgende bedragen verschuldigd zijn ingevolge inbreuken gepleegd op art. 3 en 23 W.BTW :

- 134.614 BEF (€ 3.336,99) aan BTW;

- 43.076 BEF (€ 1.067,83) aan aanvullende weeldetaks;

- 17.000 BEF (€ 421,42) als verminderde proportionele geldboete in toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW en art. 2 van het KB van 10.11.1980 tot invoering van een speciale taks op luxeproducten en verminderd ingevolge art. 1, tabel A, rubriek X, 2, A, 2° van de bijlage bij het KB nr. 41 van 30.01.1987·tot 10 % van de verschuldigde belasting. Overeenkomstig art. 2 van het KB nr. 41 van 30.01.1987 wordt de verminderde proportionele geldboete verhoogd met 50 % en gebracht op 25.500 BEF (€ 632,13) in geval van kennisgeving of betekening van een dwangbevel zoals beoogd in art. 85 W.BTW;

- intresten op grond van art. 91, § 1 W.BTW berekend aan 0,8 % per maand vertraging te rekenen vanaf 29.09.1987 over de som van 177.000 BEF (€ 4.387,72);

(zie stuk2, bundel verweerder).

Bij gebreke aan betaling werd op 26.06.1992 tegen eisers een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 30.01.1992. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 15.07.1992. Bij exploot van gerechtsdeurwaarder H. G. te … van 13.08.1992 werd het dwangbevel samen met het proces-verbaal van 30.01.1992 betekend aan eisers (zie stukken 3 en 4, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werden de hierna volgende bedragen gevorderd van eisers :

- 177.690 BEF (€ 4.404,82) aan BTW en speciale taks;

- 25.500 BEF (€ 632,13) aan geldboete in toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW en het KB van 10.11.1980 tot invoering van een speciale taks op luxeproducten;

- intresten op grond van art. 91, § 1 W.BTW berekend aan 0,8 % per maand vertraging te rekenen vanaf 29.09.1987 over de som van 177.000 BEF (€ 4.387,72);

- moratoire intresten over de verschuldigde geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel, ingevolge art. 91, § 4 W.BTW;

- de vervolgingskosten.

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder I. G. te … van 24.01.1997 werd het dwangbevel met een bevel tot betaling nogmaals betekend aan eisers (zie stuk 5, bundel verweerder).

Eisers gingen bij deze rechtbank in verzet tegen dit dwangbevel middels exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder J. B., loco gerechtsdeurwaarder J. B. te … van 28.01.1998.

Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

Beoordeling

1. Betreffende de bewijskracht van het proces-verbaal van 30.01.1992

Krachtens art. 59, § 1 W.BTW kunnen :

- overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen;

- feiten die de verschuldigdheid van de belasting of de geldboete aantonen;

- feiten die ertoe bijdragen de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete, aan te tonen;

Door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch, uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal.

Bijgevolg kunnen de processen-verbaal feiten bewijzen die ertoe bijdragen de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aan te tonen en in dat geval vormen zij de basis waarop de vermoedens zijn gesteund dat eisers niet al hun belastbare handelingen hebben aangegeven voor de heffing van de BTW en de verschuldigde BTW over deze niet aangegeven invoer van een voertuig Porsche.

Krachtens art. 59, § 1 W.BTW leveren enkel de vaststellingen van de ambtenaren in de processen-verbaal het bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen, terwijl de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen deze bijzondere bewijskracht niet hebben.

De gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen mogen echter met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met inbegrip van getuigen en vermoedens, maar met uitsluiting van de eed, bewezen worden en zijn dan ook aan de beoordeling van de rechtbank onderworpen.

2. Betreffende de beweerde schending van de rechten van verdediging

Eisers houden voor dat hun rechten van verdediging zouden zijn geschonden doordat er een termijn van vijf jaar na de vaststelling verstreek alvorens de BTW-administratie overging tot het ter kennis brengen van het proces-verbaal en de daarin vermelde overtreding.

Op 06.06.1989 werd er door de Administratie der Douane en Accijnzen een proces-verbaal opgesteld betreffende een vaststelling op 05.10.1987. Vervolgens ging de Administratie van de BTW, registratie en domeinen op 30.01.1992 over tot het opstellen van een proces-verbaal. Dit proces-verbaal werd op 13.08.1992 bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend aan eisers.

De wet voorziet niet in een termijn binnen dewelke een proces-verbaal dient te worden opgesteld. Dit betekent dat de administratie, zolang de verjaring niet is ingetreden, het proces-verbaal door een bevoegde ambtenaar kan laten opstellen om het aan te wenden als bewijsmiddel van de door de verbalisant vastgestelde overtreding.

Uit het loutere feit dat een proces-verbaal werd opgesteld enige jaren na de vaststelling volgt niet automatisch de onwaarde van dat proces-verbaal.

De verlopen termijn tussen de vaststelling van de inbreuk door de Administratie der Douane en Accijnzen en het opstellen van het proces-verbaal door de BTW-administratie is in casu verantwoord door de administratieve procedure, door de termijn die gelaten werd om eventueel tot een minnelijke overeenkomst te komen en door de houding van eisers.

De bewering van eisers dat zij pas vijf jaar na de vaststelling van de overtreding in kennis zouden zijn gesteld van de overtreding is vooreerst niet correct nu uit het administratief dossier blijkt dat zij reeds op 08.06.1988 in kennis werden gesteld van de overtredingen en dat er een voorstel tot minnelijke regeling werd overgemaakt (zie stukken 7a en 7b, bundel verweerder).

Bij brief van 12.07.1988 heeft eerste eiser een gemotiveerd bezwaar ingediend tegen dit voorstel tot minnelijke schikking en heeft hij uitvoering zijn standpunt toegelicht (zie stuk 8, bundel verweerder).

Bij brieven van 21.10.1998 heeft verweerder eisers meegedeeld dat de door hen aangevoerde argumenten en bewijsmiddelen niet van dien aard waren om af te zien van de gevorderde BTW-schuld maar dat de vordering zou kunnen aangepast worden indien de nodige stukken werden voorgelegd om een beroep te kunnen doen op de principes vervat in de arresten nr. 15/81 van 05.05.1982 en nr. 47/84 van 21.05.1985 van het Hof van Justitie (zie stuk 9, bundel verweerder).

Nadat eisers de nodige bewijsstukken hadden voorgelegd werd bij brief van 01.03.1989 een nieuw aangepast voorstel tot minnelijke regeling overgemaakt aan eisers (zie stukken 10a en 10b, bundel verweerder).

Eisers hebben op dit voorstel niet meer gereageerd.

Uit de feitelijke omstandigheden van het onderzoek en het voorliggend dossier blijkt derhalve niet dat de BTW-administratie de rechten van verdediging van eisers heeft geschonden.

3. Betreffende het verschuldigd zijn van de BTW en aanvullende weeldetaks

Art. 3 W.BTW stelt dat de invoer van goederen, door wie ook, eveneens aan de belasting is onderworpen wanneer de invoer in België plaatsvindt.

Overeenkomstig art. 23 W.BTW moet onder invoer worden verstaan het binnenkomen van een goed op Belgisch grondgebied, met uitsluiting van de delen van het Belgisch grondgebied waar de belasting niet wordt toegepast krachtens een koninklijk besluit.

Op basis van art. 24 W.BTW vindt bij de invoer het belastbare feit plaats en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van het binnenkomen van het grondgebied zoals bepaald bij art. 23.

De vermelding in het proces-verbaal van 30.01.1992 dat eerste eiser op 05.10.1987, en dit sedert 28.09.1987, gebruik maakte in België van een personenwagen Porsche 911 SC, bouwjaar 1985, die op naam van zijn zoon, huidige tweede eiser, was ingeschreven in de Bondsrepubliek Duitsland met nummerplaat … werd door ambtenaar die het proces-verbaal heeft opgesteld niet vastgesteld, maar werd afgeleid uit een proces-verbaal van 06.06.1989 opgesteld door de heren M. G., luitenant der Douane, A. P., hoofddouanebeamte en J. E., 1e financiebeamte, allen tewerkgesteld bij Controle der Douane te Genk.

Deze vermelding in het proces-verbaal geldt dan ook slechts als vermoeden en is aan de beoordeling van de rechtbank onderworpen;

De administratie kan voor de vaststellingen gegevens putten uit het fiscaal dossier van eisers zelf, doch ook uit stukken en inlichtingen van een andere administratie en van derden.

De rechtbank is van oordeel dat er geen redenen zijn om aan de juistheid en de ernst van deze vaststellingen te twijfelen, gelet op de bevestiging en ondersteuning door andere gegevens die in dezelfde richting wijzen.

Vooreerst heeft eerste eiser aan de Administratie der Douane en Accijnzen verklaart dat de auto Porsche door hem en zijn echtgenote wordt gebruikt, zowel privaat, voor zakenreizen als in woon-werkverkeer (zie stuk 1, bundel verweerder).

Verder betwisten eisers niet dat eerste eiser in België gebruik maakte van het voertuig Porsche, eigendom van tweede eiser, zij het dan occasioneel (zie aanvullende en synthesebesluiten van eisers).

Overeenkomstig de artikelen 3, 23 en 24 W.BTW blijkt dat er zodoende bij het binnenkomen van het voertuig Porsche 911 SC op het Belgische grondgebied een invoer heeft plaatsgevonden en dat de belasting verschuldigd is.

In ondergeschikte orde beroepen eisers zich op art. 23bis van het KB nr. 7 van 27.12.1977 dat voorziet in een vrijstelling van belasting voor tijdelijke invoer van personenvoertuigen.

Art. 23bis, § 3 van het KB nr. 7 van 27.12.1977 stelt :

§ 3 De vrijstelling wordt verleend voor een al dan niet onderbroken duur van niet meer dan zes maanden per tijdvak van twaalf maanden voor de personenvoertuigen, (...), die tijdelijk worden ingevoerd door personen die hun normale verblijfplaats in het buitenland hebben en die door hen gebezigd worden voor hun persoonlijk gebruik.

Deze vervoermiddelen mogen in België niet worden overgedragen, noch verhuurd noch uitgeleend aan een persoon die hier ten lande zijn normale verblijfplaats heeft.

Personenwagens kunnen evenwel worden uitgeleend aan personen die hun normale verblijfplaats hier te lande hebben voor zover zij er slechts incidenteel gebruik van maken en dit gebruik niet geschiedt met het oogmerk zich aan de belasting te onttrekken".

Eisers houden voor dat zij in aanmerking komen voor deze vrijstelling daar eerste eiser slechts occasioneel gebruik zou hebben gemaakt van het voertuig van zijn zoon.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat eisers niet bewijzen dat eerste eiser het voertuig slechts incidenteel zou hebben gebruikt.

Eerste eiser heeft op 05.10.1987 aan de Administratie der Douane en Accijnzen verklaard dat de auto Porsche door hem en zijn echtgenote werd gebruikt, zowel privaat, voor zakenreizen als in woon-werkverkeer (zie stuk 1, bundel verweerder).

Tevens stelden de controleambtenaren van de Administratie der Douane en Accijnzen meerdere malen, te weten op 05.10.1987, op 24.06.1988 en op 21.09.1988 vast dat eerste eiser met het voertuig Porsche reed (zie stuk 1, bundel verweerder).

De vordering van eisers is derhalve ongegrond.


Oe voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak

Verklaart het verzet van eisers tegen het dwangbevel van 26.06.1992 ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eisers tot de kosten en begroot deze in hoofde van verweerder op de som van € 174,76 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 11.05.2005 alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., rechter, en,

De heer Ph. N., griffier.

Ph. N. M. C.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 41 art. 21 voorkomen