Invoering van de belasting, belastbaarheid · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 23 maart 2005

Zoeken

Invoering van de belasting, belastbaarheidBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/invoering-belasting-belastbaarheid-rechtbank-hasselt-2005-03-23-3701

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
23 maart 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

58 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 23.03.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

Heropening debatten

IN ZAKE AR nr. 02/0891/A

NV U., met maatschappelijke zetel te …, ….

eiseres,

vertegenwoordigd door Mr. R., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS-EN INKOMENSFISCALITEIT, in de persoon van de Gewestelijk Directeur van het onder de Administratie v.an de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit ressorterende Controlecentrum Tongeren-Genk, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3700 Tongeren, Verbindingsstraat 26.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. R., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS

Gelet op :

- het verzoekschrift in fiscale zaken neergelegd ter griffie op 30.4.2002 waarbij eiseres fiscaal verhaal instelt tegen de beslissing van 2.4.2002 van de gewestelijke Directeur der Ondememings- en Inkomensfiscaliteit te Tongeren-Genk met refertenummer … waarbij een beslissing van 30 maart 1995 van de Gewestelijke Directeur van de BTW te Hasselt met referte …, wordt ingetrokken met ingang van 1.1.2002;

- de stukken en conclusies van partijen.

Feiten en voorgaanden

Eiseres, die tot doel heeft een historisch park met tuin, kasteel en woningen te … en een landbouwbedrijf uit te baten, is geregistreerd als BTW-belastingplichtige met BTW nr. … en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan getroffen besluiten.

Op 11 juni 1985 verzoekt eiseres verweerder, een standpunt in te nemen nopens de vraag of het deel van activiteit dat erin bestaat de tuin en het kasteel uit te baten als historisch domein en er bezoekers toe te laten, een economische activiteit in de zin van artikel 4 W.BTW is, die haar niet alleen verplicht de BTW aan te rekenen op de inkomgelden, doch ook toelaat de BTW geheven ten aanzien van de aan haar geleverde goederen en diensten, in haar BTW-aangifte in aftrek te brengen.

Op 16 september 1987 antwoordt verweerder dat de NV U. beschouwd moet worden als een gemengde belastingplichtige, doch dat naar het inzicht van verweerder, de activiteit die erin bestaat occasioneel toeristen toe te laten op het domein voor een bezoek, niet de aard van een economische activiteit heeft in de zin van artikel 4 W.BTW omdat zij niet voldoende regelmatig is. Evenwel voegt verweerder eraan toe dat hij het inzicht heeft de situatie te herbekijken indien eiseres hem dat zou vragen bij gewijzigde omstandigheden.

Op 19 januari 1995 verzoekt eiseres. verweerder de situatie te herbekijken gezien de toeristische exploitatie van het domein een meer intensief karakter heeft gekregen.

Zo is eiseres op dat ogenblik van start gegaan met een activiteit die erin bestaat ondermeer tuin- en parkbezoeken, tuindagen met standhouders en bezoekers en kasteelbezoeken te organiseren.

Op 30 maart 1995 meldt verweerder aan de volmacht houder van eiseres :

"... Naar aanleiding van uw hogervermelde brief werd het dossier van uw cliënt, de NV U., met de nodige aandacht onderzocht.

Gelet op de resultaten van dit onderzoek, kan de administratie akkoord gaan dat de NV U. in de toekomst de aftrek van de BTW, geheven over de kosten die verband houden met het kasteel, toepast volgens de hierna volgen de verdeelsleutel :

10 % niet aftrekbaar wegens privé-gebruik;

75 % aftrekbare BTW wegens uitbating als museum;

15 % aftrekbaar volgens het verhoudingsgetal van de omzetcijfers van de diverse sectoren ...”

Op 3 oktober 2000 voert verweerder een controle uit bij eiseres betreffende de BTW-handelingen gesteld door eiseres tussen 1.1.1997 en 31.12.1999. Ingevolge die controle verklaarde eiseres zich akkoord met het verschuldigd zijn aan verweerder van een bedrag van 391.527 BEF (€ 9.705,70) aan BTW, te verhogen met intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21.1.2000.

Tot slot richt verweerder op 2 april 2002 aan eiseres een schrijven, beslissing genoemd zoals uiteengezet hierboven, waarin verweerder stelt dat uit het grondig fiscaal nazicht van eiseres is gebleken dat voor de activiteit "kasteelbezoek", eiseres geen (1996 of 1997) of, in vergelijking met de omzet uit haar andere activiteiten, een zeer lage omzet behaalt (1998 en 1999), en, tevens, dat geen bezoek van het· kasteel op grote schaal toegelaten wordt, doch slechts aan een beperkt aantal groepen. Verder haalt verweerder aan dat het kasteel van eiseres niet is ingericht als museum (geen openingsuren, geen vrije toegang, beperking van aantal bezoekers, geen bewegwijzering in kasteel, slechts gedeeltelijke openstelling bij tuindagen, geen promotie voor kasteelbezoek).

Op die grond beslist verweerder dat bij toepassing van artikel 2 W.BTW voor de activiteit "kasteelbezoek", de ontvangsten niet aan BTW onderworpen zijn, zodat ze ook geen recht op aftrek zouden doen ontstaan bij toepassing van artikel 45 W.BTW. Anderzijds zou eiseres volgens deze beslissing wel het recht op aftrek behouden voor de leveringen van goederen en diensten die betrekking hebben op de andere activiteiten die eiseres de hoedanigheid van BTW-plichtige verlenen.

De beslissing van 2.4.2002 vermeldt dat zij ingaat vanaf 1.1.2002 en deze van 30 maart 1995 vervangt.

De beslissing vermeldt tot slot dat zij kan worden aangevochten voor deze rechtbank middels het neerleggen van een verzoekschrift op tegenspraak.

Op 30 april 2002 legde eiseres een verzoekschrift neer ter griffie van deze rechtbank houdende aanhangig making van de vordering tot nietigverklaring van de beslissing van 2.4.2002.

Beoordeling

Bevoegdheid

De vordering betreft een vordering tot nietigverklaring van de hogervermelde administratieve beslissing van 2.4.2002.

Deze beslissing betreft het opzeggen met ingang van 1.1.2002 van een beslissing nopens de BTW-toestand van eiseres zoals uiteengezet in een beslissing van verweerder van 30 maart 1995.

Krachtens artikel 569, lid 1, 32° Ger. W. staat een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet ter kennisneming van de rechtbank van eerste aanleg.

Beslissingen houdende de individuele toepassing van een belastingnorm, staan ter kennisneming van de rechtbank van eerste aanleg (vgl. R.v. St. 22.12.1999, F.J.F. 2000/92; R.v.St. 17.1.2000, F.J.F. 2000/93).

De administratieve beslissing van 2.4.2000 betreft een beslissing houdende de individuele toepassing van een belastingnorm. Derhalve beschouwt deze rechtbank zich als bevoegd om kennis te nemen van de in het verzoekschrift voorgelegde vordering.

De toelaatbaarheid van de vordering

De rechtbank werpt ambtshalve, binnen het kader van het aan haar voorgelegde geschil, de vraag op naar de toelaatbaarheid van de vordering van eiseres en nodigt partijen uit daarover een standpunt in te nemen.

De rechtbank stelt vast dat haar een vordering wordt voorgelegd nopens een beslissing die ertoe strekt aan eiseres de aftrek van de BTW te ontzeggen op een deel van de aan haar geleverde goederen en diensten. Eiseres vordert de nietigverklaring van de beslissing van 2.4.2002, waarvan verweerder stelt dat deze ingaat op 1.1.2002, en waarvan verwacht mag worden dat zij de houding van verweerder ten aanzien van de door eiseres gestelde handelingen met betrekking tot de toepassing van de BTW-wetgeving heeft bepaald.

Evenwel stelt de rechtbank eveneens vast dat de vordering zoals geformuleerd door eiseres er niet toe strekt te oordelen over een concrete weigering van aftrek van voorbelasting, zijnde BTW, of over de heffing van BTW op een in concreto in hoofde van eiseres weerhouden omzet, voor een concreet aangiftetijdvak in de belasting over de toegevoegde waarde, ingaand vanaf 1.1.2002.

Derhalve rijst de vraag of eiseres ten aanzien van haar vordering, zoals geformuleerd in het verzoekschrift van 30.4.2002, beschikt over een reeds verkregen en dadelijk belang in de zin van artikel 18 Ger. W., gelet op de afwezigheid van enige weigering van aftrek in de BTW-aangifte van aan eiseres aangerekende BTW op aan haar geleverde goederen en diensten en van enige heffing van BTW op enige omzetverhoging in hoofde van eiseres.

De rechtbank acht het noodzakelijk, teneinde partijen toe te laten daarover standpunt in te nemen, de debatten te heropenen, zodat vooralsnog niet kan worden overgegaan tot de beoordeling van de grond van het geschil en van de kosten.

Gelet op de toepassing van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, statuerende op tegenspraak,

Alvorens te oordelen, beveelt bij toepassing van artikel 774 Ger. W. een heropening van de debatten om de redenen zoals hierboven bepaald op de zitting van de 11de kamer, zaal 1, van het gerechtshof Thonissenlaan 75 te 3500 Hasselt op woensdag 28 SEPTEMBER 2005 te 14.00 uur.

Houdt de uitspraak over de kosten aan.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer, op het gerechtshof te Hasselt op 23.03.2005 alwaar aanwezig waren :

Mevrouw C. V., rechter, en,

De heer Ph. N., griffier.

Ph. N. C. V.