Inhouding, Belastingkrediet, Rechterlijke toetsing door de beslagrechter · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie C.00.0116.N 3 januari 2003

Zoeken

Inhouding, Belastingkrediet, Rechterlijke toetsing door de beslagrechter

https://juriel.be/nl/rechtspraak/inhouding-belastingkrediet-rechterlijke-toetsing-beslagrechter-cassatie-brussel-2003-01-03-e94b

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
C.00.0116.N
Datum
3 januari 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
ongunstig voor de Belgische Staat

Tekst

124 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 03.01.2003 (C.00.0116.N)

Inhouding - Belastingkrediet - Rechterlijke toetsing door de beslagrechter

Wettelijke bepalingen

Art. 76, § 1, 3° lid, W.BTW

Art. 81, § 3, BTW KB nr. 4

Samenvatting

Uit artikel 76, ,§ 1, derde lid B.T.W.-Wetboek, dat aan de Koning opdracht heeft gegeven in een aan eigen regelen beantwoordende wijze van inhouding van B.T.W.-tegoeden te voorzien, volgt dat de inhouding dezelfde gevolgen heeft als een bewarend beslag onder derden, inzonderheid wat betreft het recht van de belastingplichtige de geldigheid van de inhouding te laten toetsen door de rechter. De hoven en de rechtbanken mogen de aspecten van de regeling vervat in artikel 8.1, ,§ 3, van het K.B. nr 4 van 29 december 1969 die een daadwerkelijk rechterlijk toezicht in de weg staan overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet niet toepassen.

In het kader van het jurisdictioneel toezicht over de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de inhouding van B.T.W.-tegoeden, behoort het tot de taak van de beslagrechter te toetsen of de schuldvordering van de Administratie, hoewel betwist, prima facie een zekere en vaststaande vordering uitmaakt in de zin van artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek, en inzonderheid of de bewijselementen of aanwijzingen van fraude aangevoerd in de processen-verbaal van de B.T.W.-administratie de inhoudingsmaatregel kunnen rechtvaardigen, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, de noodzaak om de belangen van de Schatkist te beschermen en de noodzakelijke proportionaliteit tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie

dd. 03.01.2003

(C.00.0116.N)

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de administratie van de Belasting op de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, thans van de Administratie der invordering, in de persoon van de ontvanger van de BTW te Leuven, Strijdersstraat 63, bus 90, en van de hoofdcontroleur te Leuven 1, wiens kantoor gevestigd is te 3000 Leuven, Vaartstraat 4-6, eiser, vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

C.&T.D., naamloze vennootschap, met zetel te ..., verweerster, vertegenwoordigd door mr. J.V., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 september 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

II. Rechtspleging voor het Hof

Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

III. Feiten

De feiten worden in het verzoekschrift als volgt omschreven :

Verweerster maakt aanspraak op terugbetaling van een uit haar aangifte gebleken excedent van terug te betalen BTW ten opzichte van de aan de Schatkist af te dragen BTW. De administratie is echter van oordeel dat verweerster aanzienlijk hogere bedragen verschuldigd is. Deze aanvullende schuld wordt vastgesteld in een proces-verbaal, opgemaakt op 7 juni 1985, en maakt het voorwerp uit van een dwangbevel, uitgevaardigd op 12 februari 1986, uitvoerbaar verklaard op 13 februari 1986, en aan verweerster ter kennis gebracht op 17 februari 1986.

Tegen dit dwangbevel werd door verweerster verzet aangetekend, met dagvaarding voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven. Dit verzet werd door de rechtbank ingewilligd. Het tegen dit vonnis ingesteld hoger beroep is echter nog hangend.

Inmiddels werden door de ontvanger, in toepassing van artikel 76, ,§1, BTW-Wetboek, en van artikel 8¹, ,§3, K.B. nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, inhoudingen verricht op het aan verweerster volgens haar aangiften toekomend krediet. Deze inhoudingen gelden, overeenkomstig artikel 76 ,§1, derde lid, als bewarend beslag onder derden. Verweerster roept echter de onwettigheid in van artikel 8¹ van het koninklijk besluit waarbij deze inhoudingen als bewarend beslag onder derden gelden, overeenkomstig artikel 76, ,§1, derde lid. Deze stelling werd bij vonnis van de beslagrechter te Leuven van 14 november 1995 ingewilligd. Het tegen dit vonnis door eiser ingesteld hoger beroep wordt door het bestreden arrest afgewezen.

IV. Middel

Eiser voert in zijn verzoekschrift één middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11, 149 en 159 van de gecoördineerde Grondwet ;

- artikel 76, ,§1 van de wet van 3 juli 1969 houdende wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : Wb. BTW), zoals gewijzigd bij artikel 86 van de wet van 28 december 1992, van artikel 8¹, inzonderheid ,§3, van het koninklijk besluit nr. 4 met betrekking tot de teruggave inzake belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 14 april 1993 ;

- voor zoveel als nodig, artikel 18 van de Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag ;

- de artikelen 1413, 1415, 1445 en 1446 van het Gerechtelijk Wetboek ;

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ;

- het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, genaamd beschikkingsbeginsel, uitgewerkt onder meer in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest bevat, met bevestiging van de uitspraak van de eerste rechter, na aanduiding van de bestreden wettelijke en reglementaire bepalingen en aanhaling van de voornaamste bepalingen uit artikel 8¹, ,§3, van het koninklijk besluit nr. 4 betreffende de teruggave inzake BTW, een algemene beschrijving van het aldus ingevoerd stelsel waarin benadrukt wordt :

"Dat deze regels inderdaad uitsluiten dat de beslagrechter (...) zou mogen onderzoeken of de schuldvordering van de administratie (...) zou dreigen verloren te gaan ;

Dat het voorts nutteloos is dat de beslagrechter (...) de door artikel 1415 vereiste kwaliteiten van de schuldvordering (...) aan enig onderzoek zou onderwerpen ;

Dat het vierde lid uitdrukkelijk stelt dat de inhouding strekt tot zekerheid van een schuldvordering van de administratie die niet zeker, opeisbaar en vaststaand is ;

Dat de vijfde en zesde leden de inhouding zelfs toelaten op grond van een enkel door de administratie zelf opgesteld proces-verbaal waarin melding wordt gemaakt van ernstige vermoedens van een mogelijke belastingschuld, en de zevende en tiende leden voorschrijven dat deze inhouding als bewarend derdenbeslag blijft gelden en door de beslagrechter niet kan worden opgeheven, onder meer zolang de inhoud van het proces-verbaal niet is weerlegd, of andere omstandigheden, waarop de beslagrechter geen enkele invloed heeft, zoals een strafrechtelijk onderzoek, voortduren".

Het arrest oordeelt dat het aldus beschreven stelsel onwettig en ongrondwettig is, op grond van de volgende overwegingen :

"(3) Dat artikel 8¹, ,§3, K.B. nr. 4 een ongelijke behandeling instelt van de schuldeisers, die, zoals (verweerster), houder zijn van een belastingkrediet inzake BTW, en overigens schuldenaars (zouden) zijn van een fiscale schuld ten aanzien van (eiser), wier belastingkrediet kan worden ingehouden volgens een procedure die afwijkt van de artikelen 1413 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek ;

Dat deze behandeling ongelijk is in vergelijking met deze van andere schuldenaars, tevens schuldeiser van hun eigen schuldeiser, die zich het bewarend derdenbeslag, door hun schuldeiser gelegd in eigen handen, slechts moeten laten tegenwerpen indien de voorwaarden gesteld in de artikelen 1413 en 1415 vervuld zijn ;

(...) Dat zo'n ongelijke behandeling niet per se in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doch de afwijking van sommige bepalingen van het algemeen recht van het Gerechtelijk Wetboek in fiscale zaken verantwoord kan zijn om de belangen van de Schatkist te behartigen of fiscale fraude te voorkomen ;

Dat de afwijkende regeling echter niet tot gevolg mag hebben dat de belastingplichtige de essentiële waarborg wordt ontzegd van het rechterlijk toezicht op de regelmatigheid en de geldigheid van de inhouding van een belastingschuld in een beslagprocedure ;

(...) Dat artikel 8¹, ,§3, K.B. nr. 4, dat, zoals beschreven, elk toezicht van de beslagrechter uitsluit, bijgevolg in strijd is, zowel met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, als met artikel 76, ,§1, BTW-Wetboek ;

Dat laatstvermeld artikel de Koning weliswaar machtigt een inhouding in het leven te roepen die geldt als bewarend derdenbeslag, doch uit de gebruikte bewoordingen en de parlementaire voorbereiding (weergegeven in voormelde arresten van het Arbitragehof) niet af te leiden valt dat de wetgever de Koning zou hebben gemachtigd een regeling uit te werken die onbestaanbaar is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel ;

Dat het hof van beroep als gewone rechter dit artikel van een reglementair besluit, dat niet in overeenstemming is met de wet en de Grondwet, buiten toepassing moet laten (aldus artikel 159 (oud artikel 107) van de Grondwet) ;

(4) Dat artikel 8¹, ,§3, K.B. nr. 4 overigens geen steun kan vinden in het Europees recht, integendeel ;

(...) Dat het Hof van Justitie, in antwoord op prejudiciële vragen, recent heeft beslist dat artikel 18, lid 4, van de Zesde Richtlijn betreffende de wijze van uitoefening van het recht op aftrek, dat bepaalt dat, indien voor een bepaalde aangifteperiode het bedrag van de toegestane aftrek beduidend groter is dan dat van de verschuldigde belasting, de Lid-Staten hetzij het overschot kunnen doen overbrengen naar de volgende periode, hetzij het voorschot kunnen teruggeven, in beginsel niet in de weg staat aan een inhoudingsmaatregel tot zekerheid van belastingschulden, doch vereist is dat zo'n maatregel, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, de doelstellingen en beginselen van de richtlijn, namelijk het recht op BTW-aftrek, zo min mogelijk zou belemmeren ;

Dat het hof met name aanstipt dat geen rekening mag worden gehouden met de nationale bepalingen (...) die in de weg staan aan een doelmatige rechterlijke toetsing, en met name aan de toetsing van de spoedeisendheid en de noodzaak van de inhouding van het voor teruggaaf vatbare BTW-overschot, (...) of die zouden beletten dat in alle stadia van de procedure een volledige of gedeeltelijke opheffing van de inhouding wordt gelast (beschikkend gedeelte) ;

(5) Dat de litigieuse inhoudingen dus geen wettelijke of reglementaire grondslag kennen, die door het hof in aanmerking mag worden genomen ;

Dat immers, nadat artikel 8¹, ,§3, K.B. nr. 4 buiten toepassing is gesteld, art. 76, ,§1, Wetboek BTW op zichzelf, dat de Koning alleen maar machtigt om te voorzien in inhoudingen die gelden als bewarend derdenbeslag, de inhoudingen die in geding zijn niet kan verantwoorden ;

(...) Dat de beslissing van de eerste rechter, waarbij (eiser) verplicht werd aan de inhoudingen een einde te stellen, dan ook moet worden bevestigd, zij het op grond van dit enkele motief ;

(...) Dat (eiser) ten andere in conclusie alleen de inhouding, waarin artikel 8¹, K.B. ,§3, nr. 4 voorziet, verdedigt, voornamelijk door, tegen voormelde rechtspraak van het Arbitragehof en van het Hof van Justitie in, te doen gelden dat de beslagrechter wel een jurisdictioneel toezicht zou behouden, zij het van een minder gehalte dan in het algemeen beslagrecht verweer dat hierboven is weerlegd ;

Dat hij echter geen toelating vraagt tot het leggen van een bewarend beslag onder derden, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 1413 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek, of doet gelden dat deze voorwaarden vervuld zijn ter verantwoording van de als bewarend derdenbeslag geldende inhouding ;

(6) (...) Dat, ten overvloede, in geval geoordeeld moet worden dat de buitentoepassingverklaring van artikel 8¹, K.B. ,§3, nr. 4 alleen betrekking heeft op die bepalingen die het jurisdictioneel toezicht van de beslagrechter uitsluiten, doch het principe van de inhouding, door dit artikel uitgevoerd, behouden blijft, en aangevuld moet worden met de gemeenrechtelijke bepalingen van het beslag, vastgesteld moet worden dat de wettelijke voorwaarden ontbreken ;

(...) Dat (eiser) op geen enkele wijze verantwoordt dat de belastingschuld, die blijkt uit het proces-verbaal van 7 juni 1985 en het dwangbevel van 12 februari 1986, het risico loopt niet meer invorderbaar te zijn ;

Dat hij in het slechtste geval daarvan trouwens zelf de oorzaak zou zijn door het bodemgeschil op zijn beloop te laten, zoals de eerste rechter terecht heeft overwogen ;

(...) Dat de schuld voorts moeilijk nog als zeker, opeisbaar en vaststaand beschouwd kan worden, nu het dwangbevel in het vonnis van 12 november 1996 is vernietigd, zodat, in de materieelrechtelijke verhouding, de vordering van (eiser) tegen (verweerster) is afgewezen ;

Dat het beslag niet behouden kan blijven na het vonnis over de zaak zelf waarbij de vordering wordt verworpen (...)".

Het hof van beroep bevestigt op deze gronden de uitspraak van de eerste rechter, waarbij opheffing van de inhoudingen wordt bevolen, en veroordeelt eiser tot teruggaaf van de desbetreffende bedragen met interest en kosten.

Grieven

1. Algemeen

Volgens het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, wordt het verschil, wanneer het bedrag van de voor aftrek in aanmerking komende belasting, voor een bepaalde periode, meer bedraagt dan de aan de Schatkist af te dragen belasting, in de regel aan de belastingplichtige terugbetaald.

De wetgever heeft evenwel een veiligheidsmaatregel nodig geacht voor de gevallen waarin de aangifte een recht op teruggaaf aanwijst, maar nochtans een hangend geschil op het bestaan van een hogere fiscale schuld kan uitkomen.

Met het oog daarop werd aan de Koning, bij artikel 76, ,§1, derde lid, BTW-Wetboek, bevoegdheid verleend om "een inhouding (te) voorzien die geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek".

Deze woorden impliceren dat het aldus gecreëerd juridisch instrument niet een bewarend beslag onder derden is in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek, maar wel een rechtsfiguur sui generis, waaraan andere kenmerken en rechtsgevolgen kunnen verbonden worden dan aan het bewarend beslag onder derden zoals omschreven in het Gerechtelijk Wetboek.

De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het bewarend beslag onder derden zullen bijgevolg op deze instelling enkel van toepassing zijn in zoverre de Koning niet in een specifieke regeling heeft voorzien.

De in toepassing van de bovenvermelde wetsbepaling uitgevaardigde maatregelen, met name opgenomen in artikel 8¹, ,§3, van het koninklijk besluit nr.4 van 29 december 1969, zoals gewijzigd bij koninklijke besluiten van 29 december 1992 en 14 april 1993, houden enerzijds in dat de voorwaarde van spoedeisendheid, opgelegd door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek, geacht wordt vervuld te zijn, en anderzijds dat tot inhouding kan overgegaan worden voor een schuldvordering waarvan het bestaan in een proces-verbaal van de administratie vastgesteld wordt, al zou deze schuldvordering niet zeker, niet opeisbaar of niet vaststaand zijn zoals voorgeschreven bij artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het arrest ontkent deze inhoud en deze betekenis van artikel 8¹, ,§3, K.B. nr. 4, niet, doch wijst de toepassing ervan af :

a) omdat dit artikel een ongelijke behandeling tussen categorieën van schuldeisers instelt, en het meer bepaald elk toezicht van de beslagrechter uitsluit, en daardoor in strijd zou zijn zowel met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet als met artikel 76, ,§1, BTW-Wetboek ;

b) omdat dit artikel geen steun kan vinden in het Europees recht ;

c) ten overvloede, omdat het dwangbevel uitgevaardigd om de betwiste fiscale schuld in te vorderen, bij vonnis van 12 november 1996 vernietigd werd.

In het arrest wordt bovendien overwogen dat, nadat artikel 8¹, ,§3, K.B. nr. 4 buiten toepassing is gesteld, artikel 76, ,§1, op zichzelf, de bestreden inhoudingen niet kan verantwoorden.

2. Eerste onderdeel

De tekst van artikel 76 BTW-Wetboek machtigt uitdrukkelijk de Koning om een inhouding te voorzien die geldt als bewarend beslag, en houdt geen voorwaarden noch vormvoorschriften in om deze maatregel aan te wenden, en sluit meer bepaald niet uit dat een vermoeden voor de toepassingsvoorwaarden ervan zou ingesteld worden.

Uit het feit dat artikel 8¹, ,§3, K.B. nr. 4 op een aantal punten afwijkt van het bewarend beslag onder derden zoals geregeld door het Gerechtelijk Wetboek, mag niet afgeleid worden dat het strijdig zou zijn met artikel 76, ,§1, BTW-Wetboek. De wetgever heeft inderdaad enkel voorgeschreven dat het gecreëerd juridisch instrument dezelfde gevolgen zou hebben als een derdenbeslag zoals omschreven in het Gerechtelijk Wetboek, hetgeen impliceert dat het niet aan dezelfde bestaansvoorwaarden of toepassingsvoorwaarden zou verbonden zijn.

De specificiteit van het gecreëerd juridisch instrument vloeit derhalve uit de wet zelf voort en het koninklijk besluit houdt aldus niets anders in dan de uitvoering van de wettelijke bepaling van artikel 76, ,§1, BTW-Wetboek.

Verder wordt, wat het gelijkheidsbeginsel aangaat, in het arrest toegegeven dat een ongelijke behandeling niet per se in strijd is met het grondwettelijk beginsel, waarbij valt op te merken dat een verschil in behandeling tussen enerzijds particuliere belangen, en anderzijds het openbaar belang verbonden aan de werking van de openbare overheden, meer bepaald te zorgen voor een correcte heffing van de belasting, op zich wel verantwoord is.

Bovendien is het bestaan van een rechterlijk toezicht niet onverenigbaar met het opleggen van een vermoeden van hoogdringendheid en met het verbinden van het recht op inhouding met een proces-verbaal van de administratie, zolang het door dit proces-verbaal geleverd bewijs niet is weerlegd of de in de tekst omschreven voorwaarden werden vervuld.

De vraag, of het terzake zou gaan om een vermoeden juris et de jure dan wel een vermoeden juris tantum, mag hier in het midden gelaten worden. De betekenis van een vermoeden juris tantum komt erop neer dat de belastingplichtige het bewijs moet leveren van zijn solvabiliteit.

Daarbij valt op te merken dat uit een juiste lezing van het arrest van het Arbitragehof van 7 juli 1998, in het bestreden arrest aangehaald, blijkt dat de beslagrechter een daadwerkelijk toezicht moet kunnen uitoefenen over de regelmatigheid en geldigheid van de inhouding, niet over de schuld zelf. Zijn toezicht moet slaan op de eigen grond- en vormvoorwaarden van het aangevoerd juridisch instrument zoals door de wet gecreëerd. Nergens wordt gesteld dat deze eigen grond- en vormvoorwaarden als dusdanig ongeoorloofd zouden zijn, maar enkel dat door de afwijkingen van het gemeen recht niet mag worden verhinderd dat op deze eigen grond- en vormvoorwaarden een daadwerkelijke controle zou kunnen uitgeoefend worden.

De rechter behoudt, in het terzake omschreven stelsel, inderdaad de controle op de toepassing van de regeling zoals zij is omschreven in het koninklijk besluit dat tot uitvoering van de wet werd uitgevaardigd.

Hieruit volgt dat het arrest, dat toepassing ontzegt voor artikel 8¹, ,§3, van het K.B. nr.4, een onjuiste toepassing maakt van artikel 159 van de Grondwet, tevens ten onrechte de bij dit koninklijk besluit omschreven regeling onbestaanbaar verklaart met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, de toepassing van artikel 76, ,§1, BTW-Wetboek aan beperkingen verbindt die met de inhoud van deze rechtsbepaling onverenigbaar zijn, en bijkomend een onjuiste toepassing maakt van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het bewarend beslag onder derden (schending van al de in de aanhef van het middel aangeduide wetsbepalingen, behalve de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, en het beschikkingsbeginsel).

3. Tweede onderdeel

De in het arrest aangehaalde uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen preciseert dat maatregelen zoals terzake in principe niet door titel XI van de Zesde Richtlijn worden beoogd.

De terzake besproken inhouding tast immers het recht op aftrek niet aan, maar is er enkel op gericht een correcte toepassing ervan te verzekeren.

Artikel 18 van de Zesde Richtlijn behoudt uitdrukkelijk voor de Lid-Staten het recht voor om de voorwaarden en voorschriften voor het uitoefenen van het recht op aftrek vast te stellen.

Uit de motivering van de aangehaalde uitspraak van het Hof van Justitie blijkt dat de in die zaak geformuleerde kritiek gericht was tegen een inhouding die behouden werd ondanks het bestaan van bewijzen dat de vaststellingen van het proces-verbaal onjuist zijn.

De in onderhavige zaak bekritiseerde regeling behoudt integendeel uitdrukkelijk dit recht op weerlegging voor en het arrest van het Hof van Justitie laat bovendien ook aan de nationale rechter de taak over om de bekritiseerde maatregel in elk afzonderlijk geval op feitelijke gronden te beoordelen.

Hieruit volgt dat de terzake toegepaste inhouding niet strijdig blijkt met de bepalingen van het Europees recht, en de overweging dat het bekritiseerde artikel 8¹, ,§3, K.B. nr. 4, "geen steun kan vinden in het Europees recht, integendeel", de betekenis van artikel 18 van de Zesde Richtlijn miskent (schending van dit artikel), of minstens de desbetreffende overweging van het arrest overtollig is en geen steun kan bieden voor de hier bestreden uitspraak.

4. Derde onderdeel

Het geschil ten gronde, waaruit de fiscale schuld van verweerster uiteindelijk zal moeten blijken, is nog niet afgesloten. In de conclusies van beide partijen wordt immers vermeld dat hoger beroep werd ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg die het dwangschrift vernietigt, en dat de procedure in beroep nog steeds hangend is.

De overweging die ten overvloede in het bestreden arrest wordt opgenomen, volgens welke de inhoudingen niet kunnen behouden worden omdat "in de materieelrechtelijke verhouding de vordering van (eiser) tegen (verweerster) is afgewezen" is met deze conclusies van beide partijen onverenigbaar (cfr. de samenvattende conclusies van eiser, blz.3, en van verweerster, blz.2), en door verweerster werd geen aanspraak gemaakt op dit middel om de ontheffing van de inhouding te doen uitspreken.

Hieruit volgt dat het arrest, in de overwegingen waarin dit argument voorkomt, de bewijskracht van de conclusies van de partijen miskent (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek), minstens uitspraak doet over een punt dat door de partijen niet bestreden wordt (schending van het beschikkingsbeginsel).

V. Beslissing van het Hof

1. Eerste onderdeel

Overwegende dat artikel 76, ,§1, derde lid, BTW-Wetboek bepaalt dat de Koning met betrekking tot het overschot dat de belastingplichtige toekomt, ten voordele van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, een inhouding kan voorzien, die geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek ;

Dat die wetsbepaling, omwille van de noodzaak om de invordering van de belasting op efficiënte wijze te verzekeren, aan de Koning opdracht heeft gegeven in een aan eigen regelen beantwoordende wijze van inhouding te voorzien die, zoals een beslag onder derden, de onbeschikbaarheid van de vordering van de belastingplichtige tot gevolg heeft ;

Dat uit die wetsbepaling volgt dat de inhouding dezelfde gevolgen heeft als een bewarend beslag onder derden, inzonderheid wat betreft het recht van de belastingplichtige de geldigheid van de inhouding te laten toetsen door de rechter, maar hieruit niet volgt dat de inhouding alleen mag worden gedaan wanneer aan alle voorwaarden vereist voor een bewarend beslag is voldaan ; dat wat die voorwaarden betreft, de vereisten van het Gerechtelijk Wetboek voor het leggen van een beslag onder derden slechts van overeenkomstige toepassing kunnen zijn ;

Dat die wetsbepaling aldus niet vermag aan de personen die het voorwerp uitmaken van een inhouding van een belastingkrediet iedere daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en rechtmatigheid van de inhouding te ontzeggen ;

Overwegende dat, krachtens artikel 8¹, ,§3, vierde lid, van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake de belasting over de toegevoegde waarde, het belastingkrediet tot het beloop van de schuldvordering van de administratie wordt ingehouden, wanneer deze over een belastingschuld in haar voordeel, zoals bedoeld in het eerste lid van deze bepaling, beschikt en die belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze wordt betwist of aanleiding heeft gegeven tot een dwangbevel waarvan de tenuitvoerlegging wordt gestuit door het verzet bedoeld in artikel 89 van het BTW-Wetboek ;

Dat die inhouding geldt als een bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest ; dat voor de toepassing van deze inhouding de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht wordt te zijn vervuld ;

Overwegende dat, krachtens artikel 8¹, ,§3, zevende lid, van voornoemd K.B. nr. 4, de inhouding bedoeld in het vierde en vijfde lid van deze bepaling geldt als bewarend beslag onder derden tot op het ogenblik dat het bewijs vervat in de in het vorige lid bedoelde processen-verbaal is weerlegd, of tot op het ogenblik dat de waarachtigheid van de handelingen blijkt uit gegevens verkregen overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen Lid-Staten van de Gemeenschap ;

Dat de belastingplichtige, krachtens het tiende lid van artikel 8¹, ,§3, van het voormeld K.B. nr. 4 van 29 december 1969, enkel verzet kan doen tegen de inhouding bedoeld in het vierde en vijfde lid door toepassing te maken van artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek ; dat krachtens die bepaling, de beslagrechter evenwel de opheffing van het beslag niet kan gelasten zolang het door de processen-verbaal, bedoeld in het zesde lid, geleverd bewijs niet is weerlegd, zolang de gegevens overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen Lid-Staten van de Gemeenschap niet werden bekomen of gedurende een opsporingsonderzoek van het Parket of een gerechtelijk onderzoek van de onderzoeksrechter ;

Dat de hoven en de rechtbanken de aspecten van de regeling vervat in artikel 8¹, ,§3, van het voormelde besluit die een daadwerkelijk rechterlijk toezicht in de weg staan overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet niet mogen toepassen ; dat de bepalingen van het besluit daarenboven moeten worden uitgelegd op een wijze die zoveel mogelijk bestaanbaar is met de strekking van het genoemde artikel 76 van het BTW-Wetboek ;

Overwegende dat de omstandigheid dat de schuldvordering van de Administratie, op grond waarvan het belastingkrediet krachtens artikel 8¹, ,§3, vierde lid, van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 wordt ingehouden, in beginsel niet zeker, opeisbaar en vaststaand is, niet wegneemt dat de beslagrechter vermag te toetsen of bedoelde schuldvordering, hoewel betwist, prima facie een zekere en vaststaande vordering uitmaakt in de zin van artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek ;

Dat het tot de taak van de beslagrechter behoort in het kader van het jurisdictioneel toezicht over de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de inhouding, te oordelen of de bewijselementen of de aanwijzingen van fraude aangevoerd in de processen-verbaal van de BTW-administratie de inhoudingsmaatregel van de BTW-tegoeden kunnen rechtvaardigen, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, de noodzaak om de belangen van de Schatkist te beschermen en de noodzakelijke proportionaliteit tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel ;

Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat het toetsingsrecht van de beslagrechter zich niet uitstrekt tot een toetsing over de belastingschuld zelf ;

Dat het onderdeel faalt naar recht ;

2. Tweede onderdeel

Overwegende dat het onderdeel uitgaat van dezelfde onderstelling die reeds in het antwoord op het eerste onderdeel werd verworpen ;

Dat het onderdeel faalt naar recht ;

3. Derde onderdeel

Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat eiser hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven van 12 november 1996 dat het verzet tegen het dwangbevel gegrond verklaarde ;

Dat het onderdeel dat er geheel van uitgaat dat de appèlrechters oordelen dat het geschil ten gronde definitief is beslecht, derhalve op een onjuiste lezing van het arrest berust, mitsdien feitelijke grondslag mist ;

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Verwerpt het cassatieberoep ;

Veroordeelt eiser in de kosten.

De kosten begroot op de som van honderd zestien euro negenenveertig cent jegens de eisende partij en op de som van driehonderd en vijf euro drieënvijftig cent jegens de verwerende partij.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter ...

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

4
KB nr. 4 art. 812 voorkomens
WBTW art. 762 voorkomens
WBTW art. 891 voorkomen

Rechtspraak

2

België

2

Bekijk de 2 documenten

Vergelijkbare beslissingen

8