Niet indienen periodieke btw aangiften, proportionele boete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 8 januari 2024

Zoeken

Niet indienen periodieke btw aangiften, proportionele boeteBelasting over de toegevoegde waarde – niet indienen periodieke btw aangiften – niet- proportionele boete – tergend en roekeloos geding Gunstige vonnissen met oplegging boete art 780bis Ger.W.

https://juriel.be/nl/rechtspraak/indienen-periodieke-btw-aangiften-proportionele-rechtbank-gent-2024-01-08-5b39

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
8 januari 2024

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

129 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnissen van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 08.01.2024

WF 714-15-21/063431

betreft :

WF 714-15-21/063429

WF 714-15-21/063430

WF 714-15-21/063431

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – niet indienen periodieke btw aangiften – niet- proportionele boete – tergend en roekeloos geding

Wettelijke bepalingen

Artikel 70, § 4, WBTW

Artikel 8 van KB nr. 24 en de bijlage bij KB nr. 44, eerste afdeling I, A

Artikel 780bis Ger.W.

Samenvatting

1. Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige is geregistreerd voor de activiteit van vastgoedmakelaar.

Zij heeft nagelaten de btw-aangiften van het derde en vierde kwartaal 2019 in te dienen en de verschuldigde btw tijdig te betalen. Om die reden werd haar rekening-courant afgesloten en werd een bijzondere rekening bijgehouden. In de bijzondere rekening wordt een boete wegens het laattijdig indienen van de aangiften opgenomen van 1.000 euro per ontbrekende aangifte.

De belastingplichtige diende een verzoekschrift tot kwijtschelding boete in dat werd afgewezen.

Zij liet verder na om de btw-aangiften van het eerste en tweede kwartaal 2020 in te dienen waarop haar rekening-courant opnieuw werd afgesloten en een bijzondere rekening werd opgesteld met een boete wegens het laattijdig indienen van de aangiften van 1.000 euro per ontbrekende aangifte.

Daarop liet zij ook na om de btw-aangiften voor het derde en vierde kwartaal 2020 in te dienen waarna wederom haar rekening-courant werd afgesloten en een bijzondere rekening werd opgesteld met een boete wegens het laattijdig indienen van de aangiften van 1.000 euro per ontbrekende aangifte.

De belastingplichtige legde op dezelfde datum 3 fiscale verzoekschriften neer ter griffie, één voor elke bijzondere rekening.

2. Het vonnis

De rechtbank oordeelde in de drie vonnissen dat uit het dossier blijkt dat de belastingplichtige systematisch btw-aangiften en klantenlijsten te laat of niet indient en dit aanleiding geeft tot diverse boetes, die vervolgens telkens betwist worden voor de rechtbank. Zij werd hierbij telkens in het ongelijk gesteld. Volgens de rechter is het opleggen van boeten in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuken. Gelet op de aard, de ernst en de omvang van de vastgestelde inbreuken zijn enkel effectieve geldboeten zinvol.

De rechtbank oordeelt dat de belastingplichtige de rechtspleging heeft misbruikt door haar recht, om in rechte op te treden en om de ontheffing van de boete te vragen, uit te oefenen op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat. Rekening houdende met de gegevens van het dossier veroordeelt de rechtbank eiseres hiervoor conform artikel 780bis Ger.W. tot betaling van een geldboete van 1.000 EUR per vonnis.

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Rechtbank van eerste aanleg, West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer

Vonnis van 08/01/2024

Rol: 21/2471/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak :

Z. M. D. bvba (KBO: 04...68), met maatschappelijke zetel te ..., vertegenwoordigd door haar zaakvoerster mevrouw D. K., wonende te ...,

eisende partij,

die niet verschenen is, noch iemand voor haar

tegen :

de BELGISCHE STAAT — FOD FINANCIËN (KBO: 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum KORTRIJK en de adviseur-ontvanger, Algemene Administratie Inning en Invordering, Team Invordering Rechtspersonen Kortrijk, beiden met kantoren te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

verwerende partij,

voor wie optreedt de heer X, attaché (ref.: x@minfin.fed.be of

x@minfin.fed.be).

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift d.d. 30 september 2021.

Gelet op het tussenvonnis d.d. 17 april 2023 van deze rechtbank en kamer.

De rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder neergelegde stukken.

Verweerder werd gehoord in zijn middelen in de openbare terechtzitting van 27 november 2023. Eiseres is niet verschenen.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

De rechtbank verwijst hiervoor naar de uiteenzetting in haar tussenvonnis d.d. 17 april 2023.

III. BEOORDELING

A.Betreffende de toepassing van artikel 780bis Ger.W.

Bij tussenvonnis d.d. 17 april 2023 heeft de rechtbank de debatten heropend ten einde partijen toe te laten de besluiten omtrent de mogelijke toepassing van artikel 780bis GerW. Verweerder heeft besluiten neergelegd op 9 mei 2023. Eiseres heeft geen besluiten neergelegd.

Eiseres werd opgeroepen bij gerechtsbrief d.d. 18 april 2023, doch is niet verschenen op de zitting.

Zoals reeds gesteld in het tussenvonnis d.d. 17 april 2023 worden door eiseres sedert 2016 systematisch BTW-aangiften en klantenlijsten te laat of niet ingediend. Dit geeft aanleiding tot diverse boetes, die betwist worden voor de rechtbank. Eiseres werd hierbij telkens in het ongelijk gesteld.

Eiseres heeft ook de BTW-aangiften voor het eerste en tweede kwartaal 2020 niet ingediend. Een boete werd opgelegd. De zaakvoerders van eiseres hebben op 30 september 2021 een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend. Eiseres is van mening dat de aangiften een saldo in haar voordeel zouden vertonen. In het verzoekschrift uit eiseres haar frustraties en beschuldigingen omtrent ambtenaren en andere personen in laakbare bewoordingen. Na de neerlegging van het verzoekschrift heeft eiseres een advocaat geraadpleegd die 1 kort besluit heeft neergelegd met daarin 1 middel, zijnde de schending van het evenredigheidsbeginsel. De advocaat is niet verschenen op de zitting waarop de zaak werd behandeld. De rechtbank heeft geoordeeld in het tussenvonnis d.d. 17 april 2023.

Het is overduidelijk dat eiseres de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende en/of onrechtmatige doeleinden. Eiseres dient een fiscaal verzoekschrift, raadpleegt een advocaat die een kort besluit met 1 middel neerlegt en verschijnt niet op de zitting waarop de zaak behandeld wordt. Het doel van de gerechtelijke procedure is duidelijk de invordering van de verschuldigde boetes te vertragen en dit zonder enige gegronde of mogelijk gegronde reden.

Eiseres heeft de rechtspleging misbruikt door haar recht, om in rechte op te treden en om de ontheffing van de boete te vragen, uit te oefenen op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat. Rekening houdende met de gegevens van het dossier veroordeelt de rechtbank eiseres hiervoor tot betaling van een geldboete t.b.v. 1.000 EUR.

B. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij de gerechtskosten dragen.

Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat en heeft geen recht op een

rechtsplegingsvergoeding.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Veroordeelt eiseres op grond van artikel 780bis GerW tot het betalen van een geldboete t.b.v. 1.000,00 EUR.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in haar hoofde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en in hoofde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-

Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op MAANDAG ACHT JANUARI

TWEEDUIZEND VIERENTWINTIG waar zitting hadden:

L. D. P., rechter;

J. T., griffier.

Tekst van het tussenvonnis

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer

Vonnis van17/04/2023

Rol: 21/2471/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak : 21/2471/A

Z. M.-D. bvba (KBO: 0451.838.668), met maatschappelijke zetel te ..., vertegenwoordigd door haar zaakvoerster mevrouw D. K., wonende te ...,

eisende partij,

die niet verschenen is, noch iemand voor haar

tegen :

de BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN (KBO: 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum KORTRIJK en de adviseur-ontvanger, Algemene Administratie Inning en Invordering, Team Invordering Rechtspersonen Kortrijk, beiden met kantoren te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31, met correspondentieadres: Gaston Crommenlaan 6, bus 542 te 9050 LEDEBERG,

verwerende partij,

voor wie optreedt de heer X, attaché (ref.: x@minfin.fed.be of

x@minfin.fed.be).

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift d.d. 30 september 2021.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder neergelegde stukken.

Verweerder werd gehoord in zijn middelen in de openbare terechtzitting van 20 maart 2023. Eiseres is niet verschenen.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE04...68 voor de activiteit van o.a. vastgoedmakelaar. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Eiseres heeft nagelaten de BTW-aangiften van het eerste en tweede kwartaal 2020 in te dienen en de verschuldigde BTW tijdig te betalen. Om die reden werd haar rekening-courant afgesloten op 14 augustus 2020 (artikel 8 van het KB nr. 24 van 29 december 1992). Op naam van eiseres werd een bijzondere rekening bijgehouden. In de bijzondere rekening wordt een boete wegens het laattijdig indienen van de aangiften opgenomen t.b.v. 1.000 EUR per ontbrekende aangifte. Voor het verschuldigde boetebedrag van 2.000 EUR wordt op 11 december 2020 een schuldvordering met nummer 50...13 gecreëerd. De schuldvordering wordt opgenomen in een innings- en invorderingsregister en dit wordt aan eiseres ter kennis gebracht op 18 februari 2021.

Op 30 september 2021 heeft eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie.

2.Eiseres vraagt dat:

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

de geldboete wordt ontheven, minstens wordt verminderd;

verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle sommen die werden geïnd, te vermeerderen met de moratoriumintresten;

- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

3. Verweerder vraagt dat de eis ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III, BEOORDELING

A. Voorafgaandelijk

Eiseres is verschenen op de inleidende zitting. Een conclusiekalender werd neergelegd. Een rechtsdag werd bepaald. Eiseres heeft besluiten neergelegd. Toepassing wordt gemaakt van artikel 747 GerW.

B. Betreffende de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

C. Betreffende de grond

1. Boeten

Wanneer een BTW-belastingplichtige ten aanzien van een bepaalde periode de verplichtingen op het stuk van indiening van de aangiften of de betaling van de verschuldigde BTW niet nakomt, wordt de rekening-courant zoals vermeld in artikel 5 §1 KB nr. 24 van 29 december 1992 niet langer bijgehouden. Conform artikel 8 KB nr. 24 wordt in dergelijk geval de rekening-courant op nul gezet en wordt voor dat tijdvak een bijzondere rekening bijgehouden.

Uit het dossier blijkt dat eiseres geen BTW-aangiften heeft ingediend voor het eerste en het tweede kwartaal 2020. Er werd derhalve een bijzondere rekening opgesteld. Er werd een boete opgelegd van 1.000 EUR per niet ingediende aangifte.

Voor het totaal verschuldigde boetebedrag wordt op 11 december 2020 een schuldvordering met nummer 50...13 gecreëerd. De schuldvordering wordt opgenomen in een innings- en invorderingsregister en dit wordt aan eiseres ter kennis gebracht op 18 februari 2021,

Verder blijkt uit het dossier dat eiseres sedert 2016 systematisch BTW-aangiften en klantenlijsten te laat of niet indient. Dit geeft aanleiding tot diverse boetes, die betwist worden voor de rechtbank. Eiseres werd hierbij telkens in het ongelijk gesteld.

Een niet-proportionele boete heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd warden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof 24 februari 1999, rolnr. 1279 arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuken vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boeten beantwoorden aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het relatief hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van boeten is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuken. Gelet op de aard, de ernst en de omvang van de vastgestelde inbreuken zijn enkel effectieve geldboeten zinvol.

De boeten hebben niet alleen een vergoedende aard, maar hebben ook een bestraffend en afradend karakter.

2. Artikel 780bis GerW

Conform artikel 780bis GerW kan de partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden veroordeeld worden tot een geldboete van 15 EUR tot 2.500 EUR.

Gezien de houding van eiseres zoals die blijkt uit het dossier, stelt zich de vraag of zij de rechtspleging niet heeft aangewend voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden. Conform de artikelen 775 en 780bis GerW worden de debatten heropend en partijen verzocht hun opmerkingen hieromtrent mee te delen.

In toepassing van artikel 775 GerW bepaalt de rechtbank dat verweerder ten laatste 31 mei 2023 zijn opmerkingen aan de rechtbank en eiseres dient te overhandigen en dat eiseres ten laatste op 30 juni 2023 haar opmerkingen aan de rechtbank en verweerder dienen te overhandigen.

C. Betreffende de kosten

Gezien de rechtbank een tussenvonnis velt, houdt het de uitspraak over de gerechtskosten aan.

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis van eiseres toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.

Heropent de debatten ten einde partijen toe te laten te handelen zoals hiervoor vermeld omtrent de eventuele toepassing van artikel 780bis GerW.

Bepaalt dat verweerder ten laatste 31 mei 2023 zijn opmerkingen aan de rechtbank en eiseres dient te overhandigen en dat eiseres ten laatste op 30 juni 2023 haar opmerkingen aan de rechtbank en verweerder dienen te overhandigen.

Stelt de zaak in voortzetting op de zitting van maandag 27 november 2023 om 9 uur. Houdt de beslissing betreffende de kosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-

Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op MAANDAG ZEVENTIEN APRIL

TWEEDUIZEND DRIEËNTWINTIG waar zitting hadden:

L. D. P., rechter;

N. L., griffier.

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 24 art. 84 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens
KB nr. 24 art. 51 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8