Hof van beroep te Gent, 6 december 2000 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 6 december 2000

Zoeken

Hof van beroep te Gent, 6 december 2000Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-gent-2000-12-06-3338

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
6 december 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

81 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 06.12.2000

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van Beroep te Gent, 13e Kamer - terechtzitting van 6/12/2000

1999/AR/1705

In de zaak van :

BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, aan de Muntstraat 14, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen vertegenwoordigd door de Hoofdcontroleur van het BTW-Controle Kantoor te 8630 VEURNE, Peter Benoitlaan 4,

appellant,

hebbende als raadsman Mr. D. C., advocaat te …, …

tegen :

M.-V. L. M., zelfstandige, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Veurne onder het nr. …

geïntimeerde,

hebbende als raadsman Mr. M. M., advocaat te …, …

Velt het Hof het volgend arrest :

Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op maandag 16 augustus 1999 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 11 juni 1999 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Veurne, vijfde kamer, A.

Dit vonnis werd aan de appellant betekend op 14 juli 1999.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De feiten

Mevrouw M. was van 1 mei 1991 tot eind 1996 belastingplichtige : zij baatte een herberg uit en zou (volgens de administratie) vanaf halfweg 1994 ook een activiteit als restaurantuitbater uitgeoefend hebben.

Als café-uitbaatster was zij onderworpen aan de forfaitaire regeling. Mevrouw M. beweert dat zij slechts lichte maaltijden verschafte zodat de forfaitaire regeling ook in het jaar 1994 van kracht bleef.

Op 29 januari 1996 werd door de BTW-controleur een controle uitgevoerd in verband met de jaren 1992, 1993 en 1994. Mevrouw M. werd tijdens deze controle bijgestaan door haar boekhouder die krachtens een onderhandse volmacht gemachtigd was alle verrichtingen te doen, ook met betrekking tot het indienen van bezwaarschriften en het voeren van onderhandelingen, in verband met de BTW.

Uit nazicht van de bankuittreksels van Mevrouw M. zou gebleken zijn dat daarop voorkomende stortingen van gelden niet konden verklaard worden aan de hand van de aangegeven (d.i. uit de forfaitaire afrekening blijkende) ontvangsten.

De administratie beweert dat na discussie werd overeengekomen het ontvangstcijfer met … fr. te verhogen voor het jaar 1992, met … fr. voor het jaar 1993 en met … fr. voor het jaar 1994. Mevrouw M. ontkent evenwel dat een mondeling akkoord werd gegeven.

Volgens de administratie heeft de controleur dit akkoord op schrift gesteld en heeft hij het twee dagen na de controle, persoonlijk aan de geïntimeerde voorgelegd ter ondertekening. De geïntimeerde zou dit stuk ondertekend hebben in haar herberg en in aanwezigheid van derden.

Mevrouw M. beweert dat de controleur op dat ogenblik een ongeoorloofde druk heeft uitgeoefend, zodanig dat zij heeft getekend onder dwang.

Mevrouw M. heeft de verschuldigde bedragen betaald.

Zij beweert dat zij zich later gerealiseerd heeft dat de controleur op een onwettige wijze had gehandeld.

Zij heeft dan ook een vordering ingeleid strekkende tot de· terugbetaling van de betaalde belastingen.

De argumenten ingeroepen voor de eerste rechter

Mevrouw M. stelde dat het door haar ondertekend akkoord was bekomen onder ongeoorloofde dwang zodat het was aangetast door een wilsgebrek en derhalve nietig was.

De appellant hield voor dat het akkoord regelmatig en geldig was gesloten, dat het enkel de vaststelling van de belastbare grondslag betrof en derhalve niet verboden en dat het in hoofde van de geïntimeerde een schulderkentenis inhield welke in beginsel onherroepbaar is.

De appellant beweerde ook dat de toestemming van de geïntimeerde niet werd bekomen onder dwang en dat een morele druk van de controleur niet als dusdanig kan aangezien worden. Er wordt ook beweerd dat het mondeling akkoord werd bekomen in aanwezigheid van de boekhouder, dat de nettowinst van de uitbating onwaarschijnlijk laag was in vergelijking met gelijkaardige uitbatingen in de omgeving en dat de levensstandaard van de geïntimeerde niet kon verklaard worden aan de hand van de aangegeven bedragen. De ambtenaar berekende het te rechtvaardigen verschil op … fr. voor het jaar 1992, … fr. voor het jaar 1993 en … fr. voor het jaar 1994, waarn de omzetverhoging werd bepaald op de reeds hoger vermelde bedragen, d.i. respectievelijk … fr., … fr. en … fr. Verder wordt gesteld dat het akkoord niet onmiddellijk werd ondertekend omdat de controleur het diende te verwerken in een gestandaardiseerde opgave. Toen hij het stuk ter ondertekening voorlegde, zou de ambtenaar de geïntimeerde gewaarschuwd hebben dat, bij niet-ondertekening, een proces-verbaal zou opgesteld worden waarbij geen rekening meer zou gehouden worden met de gedane toegevingen en met toepassing van een boete van 50 %.

De administratie houdt ook voor dat de geïntimeerde haar akkoord heeft bevestigd door de betaling van de schuld.

Het bestreden vonnis

De eerste rechter heeft een getuigenverhoor bevolen. De boekhouder en de controleur werden door de rechter gehoord.

De ambtenaar erkende dat een geschreven nota (welke door de geïntimeerde wordt voorgelegd) door hem werd opgesteld als een 'kladberekening' welke had gediend om tot een akkoord te komen. Op dit stuk komen de hierboven reeds vermelde bedragen voor.

Verder beweerde de ambtenaar dat naar aanleiding van een BTW-controle steeds een 'zijdelingse berekening' wordt gemaakt, welke er in bestaat de bankuittreksels van de belastingplichtige te controleren en de gedane stortingen voor het gehele jaar te globaliseren. Het hoogste bedrag (voor elk jaar) is, volgens hem, het aanvankelijk niet gerechtvaardigd verschil tussen de omzet vermeerderd met de BTW volgens de aangiften en anderzijds de vermoedelijke ontvangsten; het lager bedrag is hetgeen uiteindelijk werd weerhouden en waarop de BTW zou berekend worden. De boekhouder zou deze berekening als redelijk beschouwd hebben en ze ook goedgekeurd hebben. Twee dagen later zou hij dan, tijdens de normale diensturen, het stuk aan de geïntimeerde hebben voorgelegd in haar herberg, en in aanwezigheid van klanten en van een bierleverancier. Hij erkende dat hij aan Mevrouw M. had gezegd dat, indien zij deze bedragen niet zou aanvaarden, de hogere bedragen zouden in aanmerking genomen worden.

De boekhouder verklaarde dat hij, tijdens de controle, aan de geïntimeerde had gezegd dat zij niet mocht tekenen en dat de controleur de zaak voorstelde "als een keuze voor het minste kwaad. Er was dus weinig keuze, het was te nemen of te laten".

Op grond van deze gegevens heeft de eerste rechter geoordeeld dat de controleur in werkelijkheid een, inzake de BTW niet toegelaten, indiciaire methode had toegepast, dat de handtekening van Mevrouw M. werd bekomen buiten de aanwezigheid van haar boekhouder, dat wijzigingen normaal schriftelijk worden ter kennis gebracht met een bedenktijd voor de belastingplichtige. De rechter stelde ook dat het een blijk was van onbehoorlijk bestuur dat de belastingplichtige voor de keuze werd gesteld en dat zij moest kiezen tussen twee 'kwaden' en dat het akkoord van de geïntimeerde niet vrijelijk werd gegeven en was aangetast door een wilsgebrek, zodat het nietig was. De appellant werd dienvolgens veroordeeld tot de terugbetaling van … fr., vermeerderd met de moratoire interest vanaf 30 oktober 1996 tot de dag van het vonnis en de gerechtelijke interest vanaf dat ogenblik.

Het hoger beroep

De administratie herhaalt de argumenten welke zij heeft voorgelegd aan de eerste rechter.

Zij stelt dat het forfait een methode is voor de bepaling van de belastbare materie of van bestanddelen ervan, door een schatting die gemaakt wordt op basis van de door de belastingplichtige verstrekte gegevens, zoals aankoopcijfers. In de forfaitaire regeling voor caféhouders wordt de belastbare omzet vastgesteld, deels op basis van de aangekochte hoeveelheden dranken en deels op basis van het bedrag van de aankopen. De belastingplichtige dient zijn omzetten niet te noteren in een ontvangstenboek. De administratie erkent dat, ondanks het feit dat door de aard zelf van het belastingregime, het omzetcijfer noodzakelijkerwijze steeds op een raming berust, de gehanteerde winstmarges in principe bindend zijn voor zowel de belastingplichtige als de administratie.

De administratie stelt evenwel dat zulks niet verhindert dat het aangegeven cijfer kan betwist worden ter gelegenheid van een fiscaal toezicht en dat, wanneer tekortkomingen worden vastgesteld, de administratie de omzet op een andere wijze kan bewijzen.

In casu heeft (aldus de appellant) - de controleambtenaar vastgesteld dat de spaarrekeningen en andere rekeningen, onmogelijk konden verklaard worden aan de hand van de inkomsten welke bleken uit de forfaitaire regeling; hij oordeelde dat daaruit bleek dat een deel van de aankopen niet werd ingeschreven in de boekhouding.

De administratie beweert ook dat, nu uit het getuigenverhoor is gebleken dat de boekhouder aan de geïntimeerde had aangeraden niet te ondertekenen, en zij toch ondertekend heeft, moet besloten worden dat haar akkoord niet was aangetast door een wilsgebrek.

Ten gronde houdt de administratie staande dat zij niet verplicht is de juistheid van de boekhouding te aanvaarden, dat zij niet een indiciaire methode heeft toegepast, maar de omzetverhoging heeft vastgesteld door vergelijking en vermoedens, dat de controleur de tussenkomst had kunnen vragen van de diensten van de directe belastingen die een indiciaire afrekening hadden kunnen opmaken waarna de BTW op haar beurt de bekomen resultaten had kunnen gebruiken en dat de berekening op grond van vermoedens werd bevestigd door het akkoord van de belastingplichtige.

Verder wordt gesteld dat het sluiten van een akkoord in verband met de feitelijke belastbare grondslag niet strijdig is met het karakter van openbare orde van de belastingwetgeving en dat de belastingplichtige steeds het tegenbewijs kan leveren dat de omzetramingen van de administratie overdreven zijn.

De appellant erkent wel dat een akkoord kan herroepen worden wanneer het is aangetast door een wilsgebrek, maar stelt dat het uitoefenen van, zelfs misplaatste, druk geen wilsgebrek schept. De handelwijze van de ambtenaar, te weten het feit dat hij aan de geïntimeerde zou medegedeeld hebben dat bij niet-ondertekening het volledig tekort zou aangerekend worden en dat een boete van 50 % zou opgelegd worden, wordt als een terechte waarschuwing omschreven en niet als een bedreiging.

De administratie houdt ook staande dat geen inbreuk werd gepleegd op de regels van behoorlijk bestuur omdat niet is voorgeschreven dat aan de belastingplichtige een termijn van beraad moet gelaten worden en dat te dezen geen termijn werd toegestaan omdat het enkel de bevestiging van een mondeling akkoord betrof.

In conclusie wijst de appellant er ook op dat de verschuldigde sommen werden betaald zonder enig voorbehoud.

En tenslotte bestrijdt de appellant dat het hoger beroep tergend en roekeloos zou ingesteld zijn, zoals door de geïntimeerde werd aangevoerd in conclusie.

De geïntimeerde houdt voor :

- dat de belastingplichtige kan terugkomen op een akkoord met de fiscus wanneer dit akkoord is aangetast door een wilsgebrek;

- dat geen opmerkingen werden gemaakt met betrekking tot de diverse aangiften;

- dat de controleur ten onrechte de rekeninguittreksels heeft nagezien omdat zulks in een forfaitair stelsel niet dienend is;

- dat zij steeds onderworpen is geweest aan het forfaitair stelsel voor café­ uitbaters ook voor de periode waarin zij lichte maaltijden verschafte;

- dat de controleur misbruik heeft gemaakt van zijn onderzoeksmacht door een indiciaire afrekening op te maken terwijl zulks niet wordt toegelaten door de BTW-wetgeving:

- dat de controleur wel een beroep had kunnen doen op de diensten van de directe belastingen en dat deze een indiciaire afrekening hadden kunnen opmaken, maar dat dit de controleur niet de macht en bevoegdheid geeft om het zelf te doen, zonder enige tussenkomst van de administratie der directe belastingen;

- dat Mevrouw M. onder een ongeoorloofde druk werd gezet doordat toepassing werd gemaakt van een niet-geoorloofde taxatiemethode en doordat de controleur zich na de controle, waarop geen akkoord werd bekomen, toch heeft aangeboden met een correctieopgave, waarbij hij dwang uitoefende om deze te doen ondertekenen;

- dat de controleur de beginselen van behoorlijk bestuur had geschonden doordat door de administratie zelf wordt voorgeschreven dat aan de belastingplichtige een bedenktijd van 20 dagen dient verleend te worden om de correctieopgave te onderzoeken en goed te keuren, terwijl te dezen de onmiddellijke ondertekening werd geëist;

- dat de fiscale wet van openbare orde is en dat een onderzoek slechts kan leiden tot een, en niet tot twee verschillende, omzetcijfers;

- dat het opleggen van een verhoging van 50 % strijdig is met art. 6, lid 1 van het E.V.R.M.

Bij tussenvordering (tegenvordering genoemd) vordert de geïntimeerde een schadevergoeding van … fr. wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

Beoordeling

De minnelijke inregelstelling is een fiscaal compromis omtrent een feitenkwestie. wat niet verboden is.

Waar de appellant in conclusie stelt : "Het feit dat geïntimeerde haar akkoord wilde gestand doen blijkt ook uit het feit dat de verschuldigde sommen zonder voorbehoud betaald werden" beroept hij zich op de bevestiging van de overeenkomst, nadat het geweld had opgehouden te bestaan.

Art. 1115 B.W. bepaalt dat niet meer kan opgekomen worden tegen een overeenkomst uit hoofde van geweld, wanneer deze overeenkomst, sinds het ophouden van het geweld, hetzij uitdrukkelijk, hetzij stilzwijgend, werd goedgekeurd.

De geïntimeerde kan niet betwisten dat zij de verschuldigde bedragen heeft betaald vooraleer tegen de taxatie werd opgekomen. Zij kan evenmin betwisten dat het geweld - dat, volgens haar, zou uitgeoefend zijn door de controleur - had opgehouden te bestaan onmiddellijk na de ondertekening van de dading omtrent de belastbare grondslag. De geïntimeerde had sindsdien zeker de nodige tijd en de gelegenheid om haar boekhouder te raadplegen, en om zich te beraden, alvorens te betalen. De betaling geschiedde dan ook niet onder dwang en moet derhalve aangezien worden als de stilzwijgende goedkeuring van de dading. De geïntimeerde kan dientengevolge, niet meer opkomen tegen deze overeenkomst uit hoofde van geweld (toepassing van art. 1115 B.W.).

Deze vaststelling maakt het overbodig te onderzoeken of de controleur zich al dan niet zou te buiten gegaan zijn aan ongeoorloofde handelingen om de ondertekening van de dading 'af te dwingen' : immers, zelfs wanneer er dwang zou uitgeoefend zijn, dan kan deze niet meer ingeroepen worden door de geïntimeerde.

De geïntimeerde - op wie deze bewijslast rust - bewijst niet dat de overeenkomst zou zijn aangetast door een vergissing in feite of door een rechtsdwaling.

Het hoger beroep is om deze reden gegrond.

Beschikkend gedeelte

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende : verklaart de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt de geïntimeerde tot alle kosten. deze in haren hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en deze in hoofde van de appellant begroot op … fr. rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, … fr. aanvullende rechtsplegingsvergoeding, … fr. getuigengeld, … fr. uitgavenvergoeding hoger beroep en … fr. rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, dit alles volgens opgave.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, DERTIENDE KAMER rechtsprekende in burgerlijke zaken, heden 6 DECEMBER TWEEDUIZEND, door :

alleenrechtsprekend Kamervoorzitter L. G.,

bijgestaan door griffier C. S.

S. G.