Gerechtelijke procedure, Stilzwijgend afstand van geding, Vennootschap in vereffening · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Bergen 26 maart 2019

Zoeken
Tekst in het Frans

Gerechtelijke procedure, Stilzwijgend afstand van geding, Vennootschap in vereffening

https://juriel.be/nl/rechtspraak/gerechtelijke-procedure-stilzwijgend-afstand-geding-rechtbank-bergen-2019-03-26-b403

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Bergen
Datum
26 maart 2019

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

54 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Henegouwen, afdeling Bergen d.d. 26.03.2019

WF 705-15-17/054133

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Gerechtelijke procedure - Stilzwijgend afstand van geding - Vennootschap in vereffening - Bevoegdheid van de curator

Wettelijke bepalingen

Artikelen 823 en 824 van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 2 :76, Art. 2 :100, Art. 2 :102 en Art. 2:143 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen

(Artikelen 183, 194, 195 en 198 van het gewezen Wetboek van Vennootschappen)

Samenvatting

De administratie heeft de rechtbank van eerste aanleg verzocht om het stilzwijgend afstand van geding door de curator van de verzoekende belastingplichtige wiens faillissement is beëindigd, vast te stellen.

Indien het afstand van geding in enige aangelegenheid wordt toegelaten, bepaalt artikel 824 van het Gerechtelijk Wetboek dat " Stilzwijgende afstand mag alleen worden afgeleid uit akten of uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering”. Een dergelijke afstand van geding kan enkel worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn (Cass., 07.03.2002, Pas., 2002, nr. 166, p. 725, http://jure.juridat.just.fgov.be).

Overeenkomstig artikel 198, §1, derde streepje, van het Wetboek van Vennootschappen, kunnen rechtsvorderingen tegen de vereffenaars als zodanig, dit wil zeggen als orgaan van de vennootschap, worden ingesteld tot uiterlijk vijf jaar na de bekendmaking van de sluiting van de vereffening. Hieruit volgt dat de vereffende vennootschap geacht wordt voort te bestaan om zich te verweren tegen vorderingen die de schuldeisers tijdig hebben ingesteld tegen de vennootschap (Cass., 22.03.1962, Pas. 1962, p. 807 en Cass. 17.04.2008, C.07.0054.N, Pas. 2008, nr. 231, p. 948, http://jure.juridat.just.fgov.be).

Dit begrip "verweren" moet ruim worden geïnterpreteerd. Bijgevolg moet een betwisting voor de rechtbank van een aanslag tegen een belastingplichtige worden beschouwd als een verweer tegen de schuldvordering die door de belastingadministratie is uitgereikt.

De vereffenaars hebben niet alleen het recht maar ook de plicht om alle rechtsmiddelen aan te wenden die door de wet zijn toegestaan om zich te verzetten tegen de aanslagen die door de administratie tijdens het passieve voortbestaan van de vennootschap zijn gevestigd (Cass., 08.11.1960, Pas., 1961, l, p. 214, http://jure.juridat.just.fgov.be).

In het onderhavige geval werd het betwiste dwangbevel uitgereikt vooraleer het faillissement van de belastingplichtige werd uitgesproken, en, a fortiori, voordat het faillissement werd afgesloten.

Bijgevolg kan de beslissing van de curator van het faillissement van eiseres - als zodanig optredend als gerechtelijk mandataris van de schuldeisers en van de gefailleerde - om zonder enig voorbehoud, de vereffening te aanvaarden ook al werd het hiervoor vermeld hangende fiscaal geschil niet uitgesproken, niet worden beschouwd als een stilzwijgend afstand van geding door de eiseres, d.w.z. een impliciet, maar zeker afstand van geding om de reeds ingeleide procedure voort te zetten (Cass., 3 november 1992, Pas. 1992, I, blz. 1275, http://jure.juridat.just.fgov.be).

Tekst van het vonnis

Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Tekst van de beslissing

Tribunal de première instance du Hainaut, Division de Mons, 36ème Chambre, Section civile

Rôle : 17/2050/A

En cause de:

La S.P.R.L. H.O., société dissoute et immédiatement liquidée par jugement du 12 février 2018 rendu par le Tribunal de Commerce du Hainaut - Division de Mons, ayant eu son siège social à ... et dont le numéro d'entreprise était 0897...., demanderesse, non représentée à l'audience,

Contre:

L'ETAT BELGE, SPF Finances, représenté par Monsieur le Ministre des Finances, dont le cabinet est sis à 1000 BRUXELLES, rue de la Loi, 12, poursuites et diligences du Conseiller général, Directeur du Centre PME Mons, dont les bureaux sont établis à 7000 MONS, rue des Trois Boudins, 10, Défendeur, Représenté à l'audience par Madame ..., attachée, son agent,

 la requête introductive d'instance déposée au greffe du tribunal le 14 août 2017;

 la fixation de la cause sur pied de l'article 747 du Code judiciaire;

 les conclusions du défendeur déposées le 24 janvier 2019 et son dossier de pièces;

Il a entendu la représentante de l'ETAT BELGE, en ses explications, les débats ayant ensuite été déclarés clos et la cause prise en délibé le 28 février 2019.

I. Objet

La demanderesse a formé opposition à la contrainte TVA n°500/... décernée à sa charge le ...2017, visée et rendue exécutoire le ...2017, et lui notifiée le ...2017.

II. Décision

Compté tenu de la clôture de la faillite de la demanderesse, le défendeur a demandé lors de l'audience au tribunal de bien vouloir prendre acte du désistement d'instance tacite de la demanderesse qu'il a déclaré accepter.

En vertu de l'article 823, alinéa 2, du Code judiciaire, le désistement d'instance (soit la renonciation par la partie sollicitant le désistement à la procédure qu'elle a engagée sans renonciation au fond du droit - cf. article 821 du Code judiciaire} est admis en toutes matières.

L'article 824 du Code judiciaire admet que pareil désistement puisse être tacite. Selon l'alinéa 3 de cet article, « le désistement tacite ne peut être déduit que d'actes ou de faits précis et concordants qui révèlent l'intention certaine de la partie d'abandonner l'instance (...) ». Pareil désistement ne peut se déduire que de faits non susceptibles d'une autre interprétation (Cass., 7 mars 2002, Pas., 2002, 1, p. 664).

La loi sur les faillites dispose :

- en son article 73, alinéa 2, que la décision de clôture des opérations de la faillite dissout la personne morale et emporte clôture immédiate de sa liquidation lorsqu'il est reconnu que l'actif ne suffit pas pour couvrir les frais présumés d'administration et de liquidation de la faillite ;

- en son article 81, que la personne morale faillie ne peut pas être déclarée excusable ;

- en son article 83, que la décision de clôture des opérations de la faillite d'une personne morale la dissout et emporte clôture immédiate de sa liquidation.

En vertu de l'article 183, § 1er, du Code des sociétés, les sociétés sont, après leur dissolution, réputées exister pour leur liquidation. La clôture de la liquidation d'une société conformément aux articles 194 et 195 du Code des sociétés met en principe fin à l'existence et à la personnalité juridique de cette société. La disparition de la personne juridique n'est toutefois pas absolue. 1 Conformément à l'article 198, § 1er, troisième tiret, du Code des sociétés, les actions en justice contre les liquidateurs en tant que tels, c'est-à-dire en tant qu'organes de la société, peuvent être intentées au plus tard cinq ans après la publication de la clôture de la liquidation. Il s'ensuit que la société liquidée est censée continuer à exister pour se défendre contre les actions intentées contre elle en temps utile par les créanciers (Cass., 22 mars 1962, Pas., 1962, 1, p. 807 et Cass., 17 avril 2008, C.07.0054.N, www.cass.be).

Cette notion de défense doit s'interpréter largement. Bien que sur Je plan processuel, compte tenu du privilège du préalable dont dispose le fisc, le contribuable revête la qualité de demandeur dans le cadre Ide la contestation en justice d'une cotisation établie à sa charge, il doit, sur le plan matériel, être considéré comme se défendant contre le titre de créance que s'est décerné l'administration fiscale.

La Cour de cassation a d'ailleurs expessément jugé que les liquidateurs avaient non seulement le droit mais l'obligation de s'opposer par tout moyen de droit aux cotisations établies par l'administration durant la survie passive de la société (Cass., 8 novembre 1960, Pas., 1961, 1, p. 252).

Le tribunal constate toutefois en l'espèce que la contrainte qui était contestée a été décernée avant que la faillite de la demanderesse ne soit prononcée, et, a fortiori, avant que celle-ci ne soit clôturée.

La décision du curateur à la faillite de la demanderesse, mandataire de justice agissant en tant que représentant des créanciers et du failli, d'accepter, sans la moindre réserve, que la clôture de la liquidation soit annoncée en dépit de la contestation fiscale pendante précitée, ne peut s'analyser que comme un désistement d'instance tacite de la demanderesse, soit une renonciation implicite mais certaine à poursuivre la procédure engagée (cf. en ce sens notamment è:ass., 3 novembre 1992, Pas. 1992, 1, p. 1228; Gand, 24 février 2000, cité dans jle Fiscologue, n° 747 du 31 mars 2000, p. 11; Gand, 25 mai 2000, RG 1996/FR/120, www.fiscalnet.be ; Gand, 5 octobre 2000, cité dans R. W., 2003-2004, p. 1139, dans R.C.J.B., 1er trimestre 2014, p. 249 et dans Le Fiscologue, n° 779 du 8 décembre 2000, p. 11; Bruxelles, 28 février 2003, RG 1999/FR/155, www.fiscalnet.be ; Bruxelles, 14 mai 2009, suivi d'une note de C. HOTTERBEEKX, « Kan een vennootschap zich na de sluiting van haar vereffening nog verder verweren tegen de fiscus », T.F.R. 2009/68, n° 370, novembre 2009, pp. 889 et s.; Bruxelles, 4 mars 2010, J.D.F., 2010, p.p. 209 et s.).

Le désistement d'instance tacite de la demanderesse est, en l'espèce, accepté par le défendeur.

Le désistement d'instanc e emporte la soumission à payer les dépens (article 827 du Code judiciaire).

La demanderesse sera dès lors condamnée aux dépens de l'instance du défendeur, taxés à zéro euro, le défendeur, non représenté par un avocat, ne pouvant prétendre à une quelconque indemnité de procédure.

Beschikkend gedeelte

Par ces motifs,

Le tribunal,

Statuant contradictoirement et en premier ressort;

Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935 dont il a été fait application;

Donne acte aux parties du désistement d'instance tacite de la demanderesse, accepté par le défendeur;

Condamne la demanderesse aux entiers frais et dépens de l'instance, liquidés à zéro euro.

Ainsi jugé et prononcé en langue française et en audience publique au Palais de Justice de Mons, province de Hainaut, les jour, mois et an que dessus, par la 35ème chambre fiscale du tribunal susdit où siégeaient: ...

Signatures