Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 18.01.2005
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent - 5de kamer
Nr.1997/AR/1737
in de zaak van :
A. P., bediende, wonende voorheen te …, … en thans te …, …,
appellant,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. S. H., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de heer Ontvangerrekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Sint-Niklaas, waarvan de burelen gevestigd zijn te 9100 SINT-NIKLAAS, Casinostraat 10-bus 3,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. P., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 23.9.1991 dagvaardde de appellant de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde teneinde uitspraak te horen doen over zijn verzet tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) lastens hem uitgevaardigd door D. D. B., a.i. Ontvanger van het Btw-ontvangkantoor te Sint-Niklaas op 4.7.1991, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 8.7.1991 door R. A., hoofdcontroleur a.i. te controle BTW te Sint-Niklaas.
In het vermeld dwangbevel werd als schuld lastens de appellant opgenomen een bedrag van … (thans … EUR) aan BTW + … BEF (thans … EUR) geldboete, hetzij samen … BEF (thans … EUR), meer de intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.1.1988, de moratoire intresten op de nog verschuldigde geldboeten vanaf de kennisgeving en/of betekening, de vervolgingskosten.
De appellant vorderde dat het vermelde dwangbevel van generlei waarde zou worden verklaard en zou gezegd worden voor recht dat het geen uitwerking kan krijgen, tevens dat de geïntimeerde zou worden veroordeeld tot de kosten.
Bij vonnis van 12.11.1996 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, 13e kamer, werd de vordering van de appellant ontvankelijk, doch ongegrond verklaard en werd hij veroordeeld tot de kosten.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 3.7.1997 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.
Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellant er in zou hebben berust.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
De appellant streeft de vernietiging van het bestreden vonnis na, herneemt zijn oorspronkelijke vordering en vordert bijkomend dat zou gezegd worden voor recht dat hij geen BTW meer verschuldigd is, noch in hoofdsom, boetes, aankleven en/of kosten.
De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.
2. De appellant voert aan dat de toelating van de Procureur-generaal om de documenten in het strafdossier lastens P. d'A. aan te wenden enkel een toelating is in het kader van artikel 235 WIB/1964 en niet inzake BTW, tevens restrictief moet worden geïnterpreteerd in die zin dat de toelating enkel betrekking heeft op een welbepaalde belastingplichtige en niet op anderen. Deze stellingen dienen te worden afgewezen. Zowel artikel 243 WIB/1964, als artikel 336 WIB/1992, als artikel 211 van het Wb. van met het zegel gelijkgestelde taksen als artikel 93quaterdecies Btw-wetboek (inwerkingtreding vanaf 8.1.1990) voorzien o.m. dat elk door een ambtenaar van een fiscaal rijksbestuur bekomen procesverbaal door de Staat kan ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som. Dit houdt in dat de processenverbaal waarvoor toelating tot inzage werd bekomen met het oog op het opsporen van een bepaalde verschuldigde belasting kunnen aangewend worden voor het opsporen van een andere belasting. Dit houdt tevens in dat de gegevens uit een strafdossier met betrekking tot een bepaalde persoon of waarvoor toelating tot inzage met betrekking tot een bepaalde persoon werd gevraagd door de Staat kunnen aangewend worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten door een andere belastingplichtige persoon verschuldigde som. Hierbij is niet vereist dat de toelating van de procureur-generaal gegeven zou worden specifiek met het oog op belasting van die andere belastingplichtige.
Verder stelt de appellant dat de geïntimeerde bij gebruik van het strafdossier in de zaak d'A. dit onmiddellijk aan de appellant had dienen te melden ten einde verworpen. De appellant toont niet aan waaruit in concreto de beweerde schending van zijn rechten van verdediging bestaat. Hij behoudt immers de mogelijkheid om de gegevens geput uit het strafdossier te betwisten.
3. De appellant voert aan dat de geïntimeerde faalt in de op hem rustende bewijslast en niet aantoont dat de beweerde niet-officiële leveringen van bloem zijn gebeurd.
In de regel is het inderdaad aan de geïntimeerde om het bewijs te leveren van de meerwinst die hij wil belasten, en kan hij dit bewijs leveren door alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Het staat buiten kijf dat de N.V. N. M. van … en … bloem leverde in het zwart, gelet onder meer op het arrest van 22.11.1993 van het Hof van Beroep te Brussel inzake van d'A. e.a. (stuk 17 van de geïntimeerde), en de uittreksels uit het strafonderzoek voorgelegd door de administratie.
Te dezen dient echter door de geïntimeerde, om de door hem belaste meerwinst aan te tonen, in de eerste plaats bewezen te worden dat de appellant zoals andere bakkers bloem in het zwart heeft afgenomen en voor welke hoeveelheden, dit in de belaste periode.
Volgens de verklaring afgelegd door zekere F. V. D. B.C. op 18.11.1987 (zich bevindend in stuk 2 van de geïntimeerde) tijdens het gerechtelijk onderzoek ten laste van P. d'A. e.a., gebeurden de leveringen in het zwart op basis van een listing van alle klanten, door hem vertoond aan de onderzoekers. Volgens die verklaring staat naast de meeste klanten op de listings een code in potlood, en die codes betekenen dat een bepaalde hoeveelheid bloem in het zwart moet geleverd worden aan die klant. Volgens de door zelfde persoon opgegeven betekenis van die codes dienden aldus de klanten met de code " 8 " naast hun naam behoudens tegenbericht een hoeveelheid van 750 kg bloem in het zwart in meer geleverd te krijgen. Steeds volgens zelfde persoon bracht hij dan, in functie van de te leveren hoeveelheid bloem in meer, bepaalde tekens op het vervoerdocument aan, zoals een papierklem voor 1 ton, een omgekeerde papierklem voor 500 kg, een geplakt klein papiertje voor een kleine hoeveelheid.
Dit systeem met de papierklemmen vindt bevestiging in de verklaring van zekere M. C. op 18.11.1987 (zich bevindend in stuk 2 van de geïntimeerde) tijdens zelfde gerechtelijk onderzoek.
Volgens fotokopie van de " alfabetische kataloog klanten " zich bevindend in het strafdossier (stuk 13 van de geïntimeerde) staan naast de naam van de appellant de code " 8 " geschreven, wat volgens de hoger aangehaalde verklaring van F. V. D. B.-C. zou inhouden dat bij leveringen van bloem aan de appellant telkens 750 kg bloem in meer, in het zwart, zou moeten geleverd worden, behoudens tegenbericht.
Op basis van deze gegevens heeft de geïntimeerde bepaald hoeveel kg bloem de appellant in het zwart zou hebben afgenomen in de periode 1986-1987, en vervolgens de meerwinst berekend die met deze afname overeenstemt. Hiertoe is de geïntimeerde uitgegaan van de officiële aankopen van bloem voorkomend in de boekhouding van de appellant over de periode 1986-1987 en, in acht genomen hetgeen hoger werd uiteengezet, aangenomen dat bij elk van deze officiële leveringen ook een levering van 750 kg bloem in het zwart geschiedde. Aldus rekende de geïntimeerde uit dat in 1986 22 bulkleveringen gebeurden en in 1987 20 bulkleveringen, zodat volgens de geïntimeerde dan bloem in het zwart werd geleverd voor een hoeveelheid van (zie het proces-verbaal van 24.4.1991, stuk la van de geïntimeerde) :
- 1986 : 22 leveringen x 750 kg= 16.500 kg of 165 zakken (a rato van 100 kg per zak)
- 1987 : 20 leveringen x 750 kg = 15.000 kg of 150 zakken (a rato van 100 kg per zak)
op basis waarvan dan de volgens de geïntimeerde niet aangegeven omzet wordt berekend volgens de forfaitaire regeling waaraan de appellant onderworpen is.
Zo uit de vermelding " 8 " op de klantenlisting wel moet afgeleid worden dat de appellant ooit leveringen van 750 kg bloem in het zwart heeft afgenomen van de N.V. N. M. van … en …, staat te dezen nog niet vast dat dergelijke hoeveelheid effectief werd geleverd bij elke officiële levering in 1986 en 1987. In dit verband kan de bewijswaarde van het opgestelde proces-verbaal niet worden ingeroepen : het betreft immers een deductie, geen vaststelling.
Uit de reeds aangehaalde verklaring van F. V. D. B.-C. volgt dat de vooropgestelde hoeveelheid van 750 kg per levering slechts een theoretisch principiële leveringshoeveelheid is: uit deze verklaring volgt dat dit kan gewijzigd worden, onder meer via mededeling door de reiziger of via de telefoon (stuk 2 van de geïntimeerde, 10° blad onderaan en 11° blad bovenaan), en de vermelding van de code " 8 " bij de naam van de appellant geen zekerheid geeft omtrent een levering in het zwart bij iedere officiële levering.
Enkel de vermelding op de voorgelegde listing bij de naam van de appellant van de code " 8 ", in potlood, zonder dat dit bevestigd wordt door andere gegevens specifiek met betrekking tot de appellant, is te dezen ontoereikend is om tot het besluit te komen dat de appellant bloem in het zwart heeft afgenomen voor de hoeveelheid van 750 kg per levering.
Uit dit alles moet worden afgeleid dat de geïntimeerde er niet in slaagt te bewijzen dat de appellant bloem in het zwart heeft afgenomen in de mate en in de periode zoals door de geïntimeerde aangenomen.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond.
Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar dit de vordering ontvankelijk verklaart, en opnieuw wijzende,
Verklaart gegrond het verzet van de appellant tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) lastens hem uitgevaardigd door D. D. B., a.i. Ontvanger van het Btw-ontvangkantoor te Sint-Niklaas op 4.7.1991, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 8.7.1991 door R. A., hoofdcontroleur a.i. 1e controle BTW te Sint-Niklaas.
Zegt voor recht dat dit dwangbevel van generlei waarde is en geen uitwerking kan krijgen, tevens dat de appellant de in het dwangbevel opgenomen BTW niet verschuldigd is, in hoofdsom, boetes, aankleven en/of kosten.
Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, als volgt begroot :
- aan de zijde van de appellant : op … EUR dagvaarding + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening debatten eerste aanleg + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;
- aan de zijde van de geïntimeerde op : … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening debatten eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, op ACHTIEN JANUARI TWEEDUIZEND EN VIJF.
Aanwezig de Heren :
G. T., Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,
M. V., griffier.
M. V. G. T.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.