Gemene bepaling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 16 januari 2002

Zoeken

Gemene bepalingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/gemene-bepaling-hof-van-beroep-gent-2002-01-16-3279

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
16 januari 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

61 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 16.01.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent, 13e Kamer – Terechtzitting van 16-01-2002

na tussenarrest 18.04.2001

BELASTINGEN

1994/AR1795

In de zaak van :

De BELGISCHE STAAT, MINISTERIE VAN FINANCIEN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Wetteren, wonende te 9230 WETTEREN, Gentse Steenweg 93,

appellant van een vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, dertiende kamer van 08.02.1994,

hebbende als raadsman Mr. P. M., advocaat te …, …

tegen :

D. W., bakker, in leven wonende te …, …, ingeschreven in het HR te … onder het nr. …, overleden te … op 14 december 1997,

voor wie het geding hebben hervat de wettelijke erfgenamen bij akte van hervatting van geding neergelegd ter griffie d.d. 05.06.1998 :

1. B. J., wonende te …, …,

2. D. G., wonende te …, …, woonstkeuze doende bij B. J., wonende te …, …,

3. D. R., wonende te …, …,

geïntimeerden,

hebbende als raadsman Mr. D. V., advocaat te …, …

velt het Hof het volgend arrest :

In het tussenarrest d.d. 18 april 2001 werd het hoger beroep reeds ontvankelijk verklaard.

D. W., rechtsvoorganger van de huidige geïntimeerden, was een bakker. Zijn naam kwam voor op een klantenlisting van de NV N. M. van Gent en Brugge, aangetroffen tijdens een gerechtelijk strafonderzoek. Naast de naam van D. was een code aangebracht welke zou wijzen op de levering van bloem zonder factuur, samen met leveringen welke wel gefactureerd werden.

Omdat D. de - volgens de administratie verschuldigde - belasting niet vrijwillig betaalde werd tegen hem een dwangbevel uitgevaardigd waarbij een hoofdsom werd gevorderd van … fr. - … BEF boete en de interest.

Tegen dit dwangbevel heeft D. verzet aangetekend.

De eerste rechter heeft het verzet gegrond verklaard omdat, volgens hem, ten onrechte zou gebruik gemaakt zijn van de gegevens van het strafdossier omdat door de Procureur-generaal geen toelating werd verleend tot inzage van het strafdossier wat hem persoonlijk betrof.

In de beroepsakte roept de appellant in dat de toelating van de Procureur-generaal niet voor elke belastingplichtige afzonderlijk dient gevraagd en afgeleverd te worden.

De toelating tot inzage van een strafdossier is inderdaad algemeen en het gebruik van de aangetroffen gegevens is niet beperkt tot de personen welke werden genoemd in het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot inzage van het strafdossier.

Om de gegrondheid van de aanslag te staven legt de administratie enkel een fotokopie voor, welke een uittreksel is van een klantenlisting van de NV N. M., en waarop, naast de naam van D. een code voorkomt welke (volgens de verklaringen vervat in het strafdossier) er op zou wijzen dat bij elke bulklevering van bloem, welke werd gefactureerd, ook 1.000 kg bloem zou geleverd zijn welke niet werd gefactureerd. In conclusie wordt ook een beslissing aangehaald van de Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen waarin wordt verwezen naar een gistverbruik dat niet zou corresponderen met de gefactureerde hoeveelheid bloem.

Verder wijst de administratie op de bekentenissen van de leverancier, de NV N. M., het bestaan van regelmatige handelsbetrekkingen en het akkoord van andere bakkers welke in de fraudezaak betrokken waren.

De geïntimeerden bestrijden de aanslag om diverse redenen. Zij houden voor dat het proces-verbaal gesteund is op onrechtmatig bekomen bewijsmateriaal omdat :

- dat de BTW-ambtenaar geen onderzoeksbevoegdheid bezat om inzage te nemen van het strafdossier voor de inwerkingtreding van art. 93quaterdecies van het BTW-wetboek;

- de toelating niet werd verleend door de Procureur-generaal, in persoon, maar slechts door een magistraat van het Parket-generaal, terwijl de Procureur-generaal geen delegatiebevoegdheid bezat;

- de gegevens niet het gevolg kunnen zijn van toelatingen verleend in 1988 en 1989 omdat de stukken slechts op 12 februari 1990 bij het dossier werden gevoegd en de toelating enkel kan slaan op de stukken welke zich reeds in het dossier bevinden op het ogenblik waarop de toelating wordt verleend.

Ook stellen zij dat de gegevens enkel mogen gebruikt worden ten overstaan van de belastingplichtige welke met naam werd aangeduid in de toelating van de Procureur-generaal.

De processen-verbaal hebben, volgens de geïntimeerden, ook geen bijzondere bewijswaarde omdat ze geen letterlijke weergave zijn van het strafdossier maar een subjectieve weergave van hetgeen de verbalisanten hebben gemeend te kunnen concluderen.

Er wordt ook ingeroepen dat de administratie niet alle stukken voorbrengt. De geïntimeerden vragen dat, bij toepassing van art. 877 Ger. W., zou bevolen worden dat de ganse 'zwarte boekhouding' van de NV N. M. dient voorgelegd te worden.

Verder wordt gesteld dat de aanslag willekeurig is omdat hij steunt op een opeenstapeling van vermoedens en dat niet werd nagegaan of ook boter, vet, zout en andere benodigdheden zouden aangekocht zijn zonder factuur. Er wordt op gewezen dat, blijkbaar, bij de NV N. M. geen zwarte boekhouding werd aangetroffen doch slechts twee klantenlistings waaruit conclusies werden getrokken.

En tenslotte wordt ook de boeteverhoging betwist welke werd opgelegd wegens het toezenden van een dwangbevel; dit werd in strijd geacht met art. 6 van het EVRM.

In latere conclusie wordt ook beweerd dat de silo waarover D. beschikte onvoldoende capaciteit had om naast de officiële leveringen ook nog 1.000 kg bloem (welke zonder factuur zou geleverd zijn) op te slaan.

Beoordeling

Hierboven werd reeds gezegd dat de administratie de gegevens van het strafdossier - waarvan zij op regelmatig wijze inzage heeft genomen - ook mag gebruiken tegenover derden.

Dat het bestaan van het fraudemechanisme werd erkend door de verantwoordelijken van de NV N. M. en door meerdere (maar niet alle) bakkers naast wiens naam een code werd aangetroffen op de klantenlisting en dat de D. een regelmatige klant was van deze leverancier, kan ten overstaan van de rechtsvoorganger van de geïntimeerden geen vermoeden scheppen omdat deze beweringen geen elementen bevatten welke toelaten aan te nemen dat ook D. niet betaalde leveringen zou ontvangen hebben.

De enige vaststaande gegevens zijn dat op de klantenlisting van de NV N. M. (st. 15 van de appellant),opgesteld op 22 november 1985 en door de administratie aangetroffen op 18 november 1987, naast de naam van D., in potlood, de code 'GV' werd aangebracht, wat (blijkens verklaringen van de verantwoordelijken van de NV N. M.) wijst op het feit dat 'zonder tegenbericht' bij elke officiële levering ook een deel zonder factuur zou geleverd worden.

Deze listing, welke werd opgemaakt zonder enige tussenkomst van de betrokken bakker, vormt geen vaststaand bewijs maar is slechts een vermoeden dat op zeker ogenblik - te weten op de datum waarop de vermelding op de listing werd aangebracht - een akkoord bestond om ook bloem te leveren zonder factuur Op welke datum deze vermelding precies werd aangebracht, kan echter niet worden uitgemaakt; alleszins kan ze niet zijn aangebracht voor 22 november 1985 of na 18 november 1987. Dit gegeven laat evenwel niet toe met een voldoende zekerheid aan te nemen dat voor elke officiële levering in 1986 en 1987 ook een deel in het zwart werd geleverd; het is immers mogelijk dat de vermelding pas werd aangebracht in de loop van het jaar 1987 ....

De tweede listing waarop de naam van D. voorkomt met daarnaast een vermelding 'GV' draagt geen datum en kan dan ook geen bijkomend bewijs leveren.

Het vermoeden geput uit de vermelding 'GV' op de Iisting is op zich dan ook onvoldoende om aan te nemen dat aan de geïntimeerde, in de jaren 1986 en 1987 bij elke gefactureerde levering, 1.000 kg bloem werd geleverd, zonder factuur. Dit vermoeden moet, om het bewijs te kunnen leveren, noodzakelijkerwijze worden aangevuld door andere vermoedens.

Voor het vestigen van de aanslag en de berekening van de verschuldigde belasting - zie het proces-verbaal en dwangbevel - werd niet gesteund op een gistverbruik dat niet zou kunnen verantwoord worden door het gekend verbruik van meel. Dit gegeven werd pas later ingeroepen inzake de inkomstenbelastingen en daarna, in conclusie, overgenomen door de BTW-administratie. Deze berekening is te dezen niet relevant omdat de vaststellingen inzake het gistverbruik niet werden opgenomen in het huidig dossier en derhalve te dezen niet bewezen worden.

Alleen al het feit dat de administratie het thans nodig acht bijkomende 'vermoedens' in te roepen, toont aan dat zij zelf van mening is dat de 'vermoedens' waarop de aanslag steunde, onvoldoende waren.

Uit dit alles volgt dat de aanslag niet op dienende vermoedens was gesteund maar slechts op veronderstellingen. Een dergelijke aanslag kan niet aangenomen worden.

Nu het dwangbevel om deze reden moet vernietigd worden, is het niet dienend de andere argumenten, voorgedragen door de geïntimeerden, te bespreken daar zij niet kunnen leiden tot een voor hen meer gunstige beslissing.

Beschikkend gedeelte

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Geeft aan B. J., D. G. en D. R. akte van de hervatting van het geding.

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond om andere redenen dan deze ingeroepen door de eerste rechter.

Veroordeelt de appellant tot de kosten van de aanleg in zijnen hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en in hoofde van de geïntimeerden begroot op € … rechtsplegingvergoeding, volgens opgave.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, dertiende kamer, recht doende in burgerlijke zaken van zestien januari tweeduizend en twee.

Aanwezig :

de heer L. G., Kamervoorzitter, alleenrechtsprekend en

mevrouw M. V., griffier.

M. V. L. G.

Aangehaalde teksten

1

Vergelijkbare beslissingen

8