Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 23.02.2001
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V0NNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op drieëntwintig februari tweeduizend en één in openbare zitting van de eerste F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
L. B., enig rechter,
G. G., griffier.
In zake : A.R. Nr. 96/11922/A
Samenwerkende Vennootschap Van de Antwerpse R.- en V.- bond CV .. in het kort S.A.F. C.V.,
ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,
eisende partij,
- verschijnende bij Meester F. V., advocaat, loco Meester E. G., advocaat, kantoorhoudende te …, …,
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Heer Gewestelijk Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de ontvanger-rekenplichtige van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4,
verwerende partij,
- verschijnende bij Meester L. M., advocaat, loco Meester M. V. B., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder M. R. P. te Antwerpen op 5 juni 1996;
- de beschikking gewezen conform artikel 747, § 2 Ger. W. van 29 februari 2000, waarbij de conclusietermijnen werden bepaald; , .
- de beschikking gewezen conform artikel 747, § 2 Ger. W. van 29 november 2000, waarbij de rechtsdag werd bepaald;
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 26 januari 2001.
Gegevens en voorgaanden
1. Een BTW-controle in verband met ene N.V. O. - een toen reeds failliet verklaarde handelaarster in plastiekverpakking en catering voor horecabedrijven, en voorheen een gebruikelijke leverancier van eiseres - is aanleiding geweest tot twee processen-verbaal d.d. 11 januari 1996 inzake BTW ten name van eiseres (deze laatste is BTW-belastingplichtige onder nr. …);
Het ene proces-verbaal van die datum (stuk 1 voor eiseres = stuk II voor verweerder) verwijst enerzijds naar de inzage "op grond van artikel 93quaterdecies Wetboek BTW” van het dossier gehouden door de administratie der directe belastingen ten name van genoemde leverancier, en verwijst anderzijds naar een controle bij eiseres ter plaatse verricht op 3 juli 1995 door de verbaliserende ambtenaar. Dit P.V. behelst afnames die eiseres bij genoemde leverancier zou hebben verricht in diverse periodes binnen de jaren 1991, 1992, 1993, meer bepaald van 6 mei 1991 tot 21 april 1993.
Het andere proces-verbaal van dezelfde datum wordt een P.V. "van vaststelling" genoemd (stuk 2 voor eiseres, niet onder de stukken voor verweerder) en het verwijst naar de reeds hogerop vermelde controle bij eiseres d.d. 3 juli 1995, slaande op de periode 1 januari 1991 tot en met 31 december 1993. Dit P.V. behelst het niet bijhouden en voorleggen van bestelbons enerzijds, en overtredingen inzake facturatieplicht anderzijds.
2. Met aangetekende brief van 11 maart 1996 gaf de vierde B.B.l.-Hasselt aan eiseres het voornemen te kennen, een aanslag van ambtswege te zullen vestigen (stuk IV voor verweerder = stuk 4 voor eiseres), gevolgd door een aangetekend antwoord vanwege de raadsman van eiseres (stuk 5 voor eiseres).
3. Daaropvolgend werd een derde proces-verbaal inzake BTW ten name van eiseres opgesteld, zulks op 24 april 1996 (stuk 6 voor eiseres = stuk III voor verweerder), meer bepaald in verband met de hogerop reeds vermelde overtredingen van eiseres in verband met de facturatieplicht onder artikel 1, § 2, 2·tot 6·K.B. nr. 1 BTW.
4. Op 8 mei 1996 werd de ambtelijke aanslag opgesteld (stuk 7 voor eiseres = stuk IV voor verweerder), en er volgde een dwangbevel als invorderingstitel op 20 mei 1996 (stuk 8 voor eiseres = stuk I voor verweerder), dat aan eiseres aangetekend werd betekend met zending d.d. 3 juni 1996 (stuk 9 voor eiseres).
5. Eiseres voorzag zich daartegen bij de rechtbank met dagvaardingsexploot d.d. 5 juni 1996.
Ten gronde
I. Standpunt eiseres
1. Eiseres betwist de wettigheid op zich van de verkrijging door verweerder van informatie met betrekking tot de leverancier N.V. O..
Eiseres betwist daarop ondergeschikt de bewijskracht te haren opzichte van de aldus bekomen gegevens.
Deze betwisting is geventileerd als volgt :
- de bij derden louter eenzijdig gehaalde informatie kan geen basis vormen voor het bestaan van een geldig vermoeden in hoofde van eiseres, zonder dat daarover overeenstemmend onderzoek is verricht dat deze informatie bevestigt;
- door het niet bewezen zijn van zwartaankopen bij de leverancier, kan daardoor ook niet worden besloten tot verschuldigdheid van BTW op zulke aankopen, wegens hoofdelijke aansprakelijkheid met de leverancier-medecontractant voor die BTW onder toepassing van art. 51bis Wetboek van de BTW (hierna : W.BTW), dit laatste dan tegelijk gekoppeld aan afwezigheid van aftrekrecht in hoofde van eiseres wegens het ontbreken van inkomende facturen;
- door het niet bewezen zijn van zwartaankopen bij de leverancier, kan ook niet worden besloten tot professionele doorverkopen door eiseres van zulke zwartaankopen (onder aanwending van het vermoeden van art. 64, § 1 W.BTW) onder het verschuldigd worden van BTW daarop;
- zelfs bij verondersteld bewezen professionele doorverkopen, werden ondergeschikt de gegevens ter bepaling van de omzet die zou zijn behaald bij zulke doorverkopen, in concreto onjuist berekend (volgens de administratieve nota die was gevoegd bij het voornemen tot ambtshalve aanslag, blz. 3 medio van stuk 3 voor eiseres: enerzijds de verkoopprijs excl. BTW voor gelijkaardige producten in vergelijking voorkomend in uitgeschreven facturen, anderzijds de gemiddelde winstmarge voor het desbetreffende jaar voor als niet geïndividualiseerd omschreven producten met speciale maten);
- het hoe dan ook ten onrechte in hoofde van eiseres aanwenden van een ambtelijke aanslag voor de toepassing van de hoofdelijkheid met de leverancier (medecontractant) sub art. 51bis W.BTW, zulks zowel wat betreft hoofdsom en toebehoren als wat betreft de boete en toebehoren.
Zij stelt bijaldien dat de ambtshalve aanslag geen geldige opbouw heeft gekend, zodat hij als willekeurig moet worden beschouwd, waaruit dan volgt dat bij gebrek aan geldig geleverd hoofdbewijs, tegenbewijs niet hoeft, gezien het tegenbewijs dan zonder voorwerp is.
2. Eiseres voert ook aan dat de strikte procedureregels in verband met de ambtshalve aanslag onder art. 66-67 W.BTW en Uitvoeringsbesluit nr. 9 (hierna : K.B. nr. 9) niet zijn nageleefd.
3. In verband met de niet aanwezige boekhoudkundige stukken waarvoor forfaitaire boetes werden opgelegd, pleit ze het onbedoeld tenietgaan van deze stukken, wat zij "met ontzetting" zou hebben vastgesteld.
4. Wat betreft de boete, die zelf het wettelijk gevolg is van de rechtstreeks te haren laste nagevorderde hoofdsom, verwijst eiseres tenslotte nog meer ondergeschikt naar de volledige rechtsmacht van de rechtbank ter beoordeling dezer boete.
III. Standpunt verweerder
1. Verweerder houdt voor dat hij wel degelijk niet alleen de tot het belasten dienstige gegevens op wettige wijze heeft bekomen, maar ook dat hij met de door hem bekomen en voorgelegde gegevens, een geldig wettelijk vermoeden heeft opgebouwd (art. 66 W.BTW : "vermoedelijk bedrag van de belastbare handelingen") dat slechts kan worden aangetast door middel van een tegenbewijs (art. 67 W.BTW : "dat deze aanslag overdreven is").
2. Verweerder stelt voorts dat de ambtshalve aanslag volledig conform de wettelijke procedurele vereisten is geschied, en trouwens wettelijk niet aan plechtige vormvereisten is onderworpen.
3. In verband met de niet aanwezige boekhoudkundige stukken, pleit hij het behoud van de van rechtswege daaruit volgende forfaitaire boetes.
4. Hetzelfde stelt hij in verband met de ten laste van eiseres gevorderde boetes op de tekort-aangiftes, zoals ze reeds hierboven onder punt I.1 zijn omschreven. Wel sluit hij zich aan bij de grief van eiseres dat de Wet niet in de mogelijkheid voorziet om BTW en boete uit hoofde van art. 51bis juncto art. 70, § 1 W.BTW (hoofdelijke gehoudenheid met de leverancier) te vorderen door middel van een aanslag van ambtswege (syntheseconclusie bladzijde 23 bovenaan).
lIl. Onderzoek
1. (On)wettige verkrijgingen en (niet-)aanwendbaarheid van bewijsmateriaal
Eiseres betwist niet dat de taxatieambtenaar geldig het recht had bekomen om gebruik te maken van informatie, aangetroffen in het gerechtsdossier bij haar leverancier, N.V. O..
Eiseres stelt echter wel dat de taxatieambtenaar kennis heeft genomen van het bij de faillissementscurator van de leverancier berustende computerprogramma "buiten het ingeroepen gerechtsdossier" (aanvullende conclusie, bladzijde 14 bovenaan).
Ongetwijfeld had de curator als vertegenwoordiger van het faillissementsvermogen, vanuit zijn gerechtelijk mandaat het recht en vanuit zijn wettelijke opdracht de bevoegdheid, om de onderzoeker(s) toelating te geven tot inzage van het bij hem in het kader van zijn gerechtelijk mandaat berustende boekhoudkundige materiaal. De zich bij de curator aanbiedende taxatieambtenaar moet zijn/haar bevoegdheid aanwenden binnen de wettelijke grenzen. Waar het tweede lid van art. 61, § 1 W.BTW in beginsel deze ambtenaar slechts het recht bezorgt om zich informatie te doen voorleggen, kon de curator in zijn hogerop vermelde hoedanigheid echter aan de ambtenaar uit vrije wil toestaan om zelf informaticabewerkingen uit te voeren in de bestanden en in het systeem. Daarover heeft eiseres als derde geen inspraak of zeggenschap.
Waar echter in de wettelijk bepaalde regel van het zich doen voorleggen van de hogerop vermelde informatie, de belastingplichtige zelf (N.V. O. of haar curator) zicht en opmerkingsrecht behoudt op wat hem wordt gevraagd als informatie, en alzo tegelijk op wat hij effectief en precies op vraagstelling voorlegt, heeft eiseres als derde ten opzichte van een ongecontroleerde, weliswaar toegelaten, algemene toegang tot het systeem van N.V. O. - zonder dat daarbij enerzijds concreet wordt vastgesteld wat bij de bewerkingen wel of niet wordt aangetroffen en op wat wel of niet daarvan wordt weerhouden, en ook zonder dat daarbij anderzijds door de gecontroleerde leverancier .zelf enig opmerkingsrecht wordt uitgeoefend - te dien tijde en plaatsegeen recht op wederspraak gehad.
Het is niet in betwisting dat de taxatieambtenaar zich naar de curator begaf met het oog op een gerichte controle ten aanzien van (onder meer) eiseres, vertrekkend vanuit het ingekeken gerechtsdossier.
Dat de taxatieambtenaar zich ter toegang tot het informaticasysteem heeft laten bijstaan door een vroegere verantwoordelijke van N.V. O., die echter (in tegenstelling met de curator) geen bevoegdheid bezat en slechts dienstig was voor het uitleggen van het gebruikte systeem, neemt dan ook niet weg dat eiseres op dat ogenblik concreet is geschaad in haar rechten van verdediging (aanvullende conclusie, bladzijde 14) door het naderhand slechts passief moeten ondergaan van de door de taxatieambtenaar voorgelegde aangewende gegevens, waarvan de juistheid en de volledigheid bij gebrek aan tegenspraak op het ogenblik van de vaststellingen, niet kan worden nagegaan.
De posterieure opgave door verweerder van de wijze van toegang en van de toen verrichte computerbewerkingen, biedt geen waarborg over naar wat toen precies werd gezocht, wat er werd aangetroffen en wat daarvan wel of niet is aangewend. De bij verweerder berustende bewijslast doet weliswaar geen afbreuk aan de wettelijk vermoede goede trouw van de toen optredende taxatieambtenaar, maar leidt wel tot de gevolgtrekking van geschaad recht van verdediging in hoofde van eiseres.
Een en ander geldt zelfs al is de latere opgave door de taxatieambtenaar, omtrent de gegevens en omtrent de door de leverancier gevolgde, werkwijze (P-Code en dergelijke) op zich, ingegeven door een logica en samenhang die treffend zijn.
De door de taxatieambtenaar onder schending van de rechten van verdediging aangewende gegevens kunnen daardoor niet dienen tot een geldige opbouw voor het ontwikkelen van het wettelijk vermoeden in een aanslag van ambtswege, zodat deze aanslag als willekeurig moet worden beschouwd en bijgevolg nietig is en geen rechtsgevolg kan teweegbrengen, noch in hoofdsom en toebehoren, noch inzake correlatieve boetes en toebehoren, onverminderd echter wat hierna sub 2 wordt uiteengezet.
2. Eigen vaststellingen door controle bij eiseres
Uit de specifiek desbetreffend wel bewijskrachtige (reeds hoger vermelde) twee processen-verbaal d.d. 11 januari 1996, is gebleken dat de taxatieambtenaar bij een controle ter plaatse bij eiseres, heeft vastgesteld dat laatstgenoemde de bestelbons niet had bijgehouden met betrekking tot de jaren 1991 en 1992. De vermelde processen-verbaal leveren het bewijs op van deze vaststellingen.
De daaraan door eiseres in haar verweer gegeven verklaring (punt 4 van de inleidende dagvaarding) dat die stukken per vergissing ter verbranding waren overgemaakt aan de intercommunale verbrandingsoven, is ten zeerste bevreemdend en kan niet ernstig worden genomen. Die overmaking ter vernietiging van precies die documenten gebeurde immers ongeveer twee maand na de vermelde controle d.d. 3 juli 1995, wat wijst op het niet toevallige ervan, zulks zelfs al stelt eiseres dat haar niet werd gevraagd naar die stukken ter gelegenheid van het controlebezoek d.d. 3 juli zelf, maar zulks pas na de vernietiging van de documenten.
Het stond de taxatieambtenaar vrij om de verschuldigdheid van deze sommen vast te stellen door middel van een ambtshalve aanslag, vermits deze keuze hem binnen de wettelijke grenzen discretionair toekomt.
K.B. nr. 9 in uitvoering van artikel 66 W.BTW vereist dat de beoogde belastingplichtige (aangetekend) in kennis wordt gesteld omtrent een aantal aldaar opgesomde in zijnen hoofde in aanmerking genomen elementen ter voorgenomen taxatie. Het bepaalt verder dat de als schuldenaar aangewezen belastingplichtige over een termijn van een maand beschikt om schriftelijk zijn opmerkingen te doen kennen en dat de ambtelijke aanslag boe dan ook pas kan worden opgelegd na het verstrijken van die maand.
De aangetekende kennisgeving tot ambtelijke aanslag dateert van 11 maart 1996 (stuk IV voor verweerder = stuk 4 voor eiseres) en het antwoord op die kennisgeving dateert van 10 april 1996 (stuk 5 voor eiseres), maar dit antwoord is nog gevolgd door een, volgens de eigen bewoordingen ervan, "aanvullend" proces-verbaal van vaststelling d.d. 24 april 1996 (stuk III voor verweerder = stuk 6 voor eiseres), dat echter geen betrekking heeft op de voorgenomen boete wegens het niet voorleggen van (de hogerop vermelde, vernietigde) bestelbons, zodat eiseres zich niet alleen volop heeft kunnen verweren op dit punt van de kennisgeving d.d. 11 maart 1996 (stuk IV voor verweerster, juncto stuk 5 voor eiseres, blz. 10), maar dat trouwens ook effectief deed in haar antwoordschrift d.d. 10 april 1996 (stuk 5 voor eiseres).
Het argument van eiseres dat een ambtelijke aanslag inzake BTW één en ondeelbaar” is( eerste conclusie eiseres, bladzijde 13) blijkt niet en volgt niet uit de Wet voor wat betreft een duidelijk onderscheiden voorgenomen taxatie, die zelfstandig staat en los van de andere, in de kennisgeving tot ambtshalve aanslag voorkomende, voorgenomen taxatie-elementen.
De ambtelijke aanslag is bijgevolg op dit duidelijk afzonderlijke punt van belastingheffing niet aangetast door willekeur en niet nietig.
De opgelegde boete van … BEF is verder bedragsmatig niet alleen wetsconform, maar tevens terecht, gezien de hogerop uiteengezette omstandigheden van voortijdige vernietiging van de vernoemde documenten.
3. De vernietiging van het dwangbevel in zoverre het voortgaat op bewijsmateriaal dat werd aangewend onder schending van de rechten van verdediging, maakt het onderzoek van de andere desbetreffende grieven en wederzijds aangevoerde argumenten zonder voorwerp.
Het dwangbevel en zijn rechtskracht moet echter worden behouden in zoverre en in de mate dat het overgaat tot heffing van een administratieve boete van … BEF en toebehoren.
Beschikkend gedeelte
0M DIE REDENEN,
DE RECHTBANK,
rechtdoende op tegenspraak,
alle andere en strijdige middelen verwerpend.
Verklaart de vordering in verzet tegen dwangbevel toelaatbaar.
Verklaart de vordering ongegrond in zoverre en in de mate dat ze betrekking heeft op de in het dwangbevel van verweerder d.d. 20 mei 1996 (Reg. 127/24.96, RCIV …, uitvoerbaar verklaard op 29 mei 1996) gevorderde boete van … BEF en toebehoren, zodat het dwangbevel binnen die perken volledige rechtskracht en uitvoerbaarheid behoudt, met inbegrip van de kosten ervan.
Verklaart de vordering voor het overige gegrond, verklaart het vermelde dwangbevel onwettig en nietig en verbiedt de uitvoering ervan, echter slechts in zoverre en in de mate dat het geen betrekking heeft op zowel de erin gevorderde boete van … BEF met toebehoren, als de kosten van het dwangbevel en van de betekening ervan.
Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van elke uit hoofde van het onwettig en nietig verklaarde gedeelte van het dwangbevel geïndexeerd en/of ingevorderde som, zulks te vermeerderen met de wettelijk bepaalde intrest vanaf elke inning en/of invordering.
Stelt vast dat de oorzaak van de weerhouden fiscale administratieve boete zich heeft voorgedaan voor 1 januari 1999, en zegt voor recht dat er geen reden voorligt om huidig vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad.
Veroordeelt elke partij tot de helft der kosten, deze op heden door eisende partij begroot op … BEF dagvaardingskosten en door de rechtbank vereffend op hetzelfde bedrag.
Slaat de rechtsplegingsvergoedingen om.
G. G. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.