Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 02.11.1998
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het Hof van Beroep zitting houdende te Antwerpen, Vierde ter Kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, spreekt het volgende arrest uit :
In zake : 1994/AR/4289
C. D., bakker, wonende te …, …;
appellant tegen het vonnis uitgesproken op 5 december 1994 door de 16de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen;
vertegenwoordigd door mr. D. V. B., advocaat te …, …;
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registatie en Domeinen, in de persoon van de Ontvanger van het derde BTW-Ontvangkantoor, met kantoren te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het vonnis waartegen hoger beroep, waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, ingediend ter griffie van dit Hof op 30 december 1994, waardoor een naar vorm en termijn regelmatig en toelaatbaar hoger beroep werd ingesteld;
Overwegende dat appellant de hervorming nastreeft van het bestreden vonnis teneinde zijn verzet tegen het op 13 december 1991 uitgevaardigde dwangbevel gegrond te horen verklaren, dienvolgens dit dwangbevel van nul en generlei waarde te horen verklaren, hem te horen ontslaan van alle gevorderde sommen en geïntimeerde te horen veroordelen tot terugbetaling van alle eventuele in gehouden of toegekende sommen en tot betaling van de kosten van het geding in de beide instanties;
Dat hij in ondergeschikte orde het Hof verzoekt het lastens hem uitgevaardigde dwangbevel te vernietigen in de mate dat de opgelegde geldboete met 50 % werd vermeerderd;
Overwegende dat geïntimeerde geen grieven aanvoert tegen het bestreden vonnis;
Dat hij Hof verzoekt het hoger beroep ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en appellant te veroordelen tot de kosten van het geding;
Overwegende dat de eerste rechter het voorwerp van de vordering, de eraan ten grondslag liggende feitelijke omstandigheden en de door appellant aangevoerde grieven op overzichtelijke en passende wijze in het bestreden vonnis heeft uiteengezet;
Dat het Hof deze uiteenzetting bijtreedt en hier voor hernomen houdt;
Overwegende dat de navordering van geïntimeerde tot het betalen van niet afgedragen BTW en aanhorigheden, zoals bij op 13 december 1991 uitgevaardigd dwangbevel, is gesteund op de vaststellingen van de BTW-controleurs dat appellant in de jaren 1985, 1986 en 1987 telkens 13.200 kg bloem aankocht bij de NV N. M. V. G. EN B. hierna te noemen N.M.G.B. - zonder factuur;
Dat deze gegevens werden afgeleid uit een lastens de heer d'A. en de N.M.G.B. opgestelde strafonderzoek, waaruit bleek dat ingevolge de vermelding van een wel bepaalde code in de klantenlistings achter de naam van appellant bij iedere regelmatige bloemlevering tevens 2.000 kg zonder factuur - aldus in 't zwart - werd geleverd;
Overwegende dat appellant deze navordering nadrukkelijk betwist en aldus concludeert tot de gegrondheid van het door hem bij dagvaarding d.d. 14 januari 1992 ingestelde verzet tegen dit dwangbevel;
Dat hij daartoe, deels met herneming van de middelen ingeroepen voor de eerste rechter, aanvoert dat de bewijsgaring onregelmatig is en dat de verleende machtiging tot inzage van het strafdossier, zowel als de inzage en kopiename zelf, niet beantwoorden aan de vereiste gesteld bij de wet van 28 juli 1938; dat hij zich beroept op het feit dat de Procureur-generaal in persoon de kwestieuze machtiging dient te verlenen en dat enkel in geval van wettelijke verhindering, die dient aangetoond, de Eerste Advocaat-generaal ter zake kan optreden voor zover bovendien bewezen is dat de continuïteit van de openbare dienst zulks vereist;
Dat hij bovendien aanvoert dat ter zake gebruik werd gemaakt van stukken die op het tijdstip der verleende machtiging nog geen deel uitmaakten van het gerechtsdossier;
Dat appellant tevens de bewijswaarde van de opgestelde processen-verbaal in twijfel trekt en aanvoert dat de bewering, als zouden de leveringen hebben plaatsgevonden zonder factuur, niet berusten op persoonlijke vaststellingen, doch op deductie;
Dat appellant verder de conclusies getrokken door de eerste rechter uit de aangetroffen klantenlistings bestrijdt, stellende dat geen zwarte boekhouding aanwezig is;
1. BETREFFENDE DE ONREGELMATIGE BEWIJSVOERING
Overwegende dat het Hof, na onderzoek van de door partijen aangevoerde middelen, vaststelt dat de eerste rechter om de oordeelkundige redengeving van het bestreden vonnis - die het Hof tot de zijne maakt en hier voor herhaald houdt - m.b.t. de regelmatige bewijsgaring door geïntimeerde juist heeft geoordeeld, en terecht de door appellant geformuleerde opmerkingen als ongegrond heeft afgewezen;
Overwegende dat het Hof hieraan toevoegt dat de bevoegdheid van de Eerste Advocaat-generaal om uit naam van de Procureur-generaal inzage te verlenen aan de ambtenaren van het fiscaal bestuur in een strafdossier berust op de eenheid en on deelbaarheid van het Openbaar Ministerie;
Dat deze ondeelbaarheid gekenmerkt wordt door de ontstentenis van onderscheid of splitsing tussen alle magistraten van die instelling, welke door de wet gemachtigd zijn een ambtelijke handeling te verrichten bij een bepaald gerecht;
Overwegende dat de magistraten binnen de perken van hun wettelijke attributies nimmer uit eigen naam doch uit naam optreden van het parket waaraan zij verbonden zijn;
Dat alle leden die deel uitmaken van het parketgeneraal de vertegenwoordigers zijn van de Procureur-generaal en handelen in zijn naam; de vervolgingen die zij instellen, conclusies die zij nemen en alle handelingen die zij stellen gebeuren uit naam van de Procureur-generaal;
Overwegende inderdaad dat de continuïteit en de universaliteit van de bescherming van de gemeenschap, welke die opdracht rechtstreeks en persoonlijk aan het Openbaar Ministerie heeft toevertrouwd, de permanentie in de actie impliceert alsof deze het feit ware van één enkele bewuste wil;
Overwegende dat de eerste rechter dan ook terecht op grond van zijn overwegingen geoordeeld heeft dat de wetgever in de wet van 28 juli 1938 de functie van Procureur-generaal heeft bedoeld en de administratie niet hoeft te bewijzen dat de Procureur-generaal afwezig was;
Dat het aangevoerde middel dan ook elke pertinentie mist;
Overwegende dat de ambtenaren van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ongeacht of ze al dan niet ter beschikking werden gesteld van de B.B.I. sinds de invoering van artikel 93quaterdecies W.BTW over de mogelijkheid beschikken tot inzage van het gerechtsdossier;
Dat deze mogelijkheid echter reeds vóór de invoeging van het bewuste wetsartikel haar oorsprong vond in de bepalingen van artikel 1 de wet van 28 juli 1938, gewijzigd bij artikel 34 van de wet van 20 augustus 1947, die als gemeenschappelijke bepalingen gelden voor alle rijksbelastingen inclusief de belasting over de toegevoegde waarde, zonder dat vereist is dat zij in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde zijn opgenomen;
Dat appellant thans hieromtrent geen betwisting meer voert en de bevoegdheid van de BTW-ambtenaren niet langer aanvecht;
Overwegende dat de toelating tot inzage van het gerechtsdossier d'A. wel degelijk dienstig is tot het verzamelen van gegevens lastens derden zoals appellant;
Overwegende inderdaad dat artikel 1 van de wet van 23 juli 1938, zoals gewijzigd door de wet van 20 augustus 1947, in zijn paragraaf 1 geen enkele beperking oplegt omtrent de personen op wie de inlichtingen en bescheiden, die kunnen worden geraadpleegd en gekopieerd, betrekking hebben;
Dat voornoemde paragraaf niet oplegt dat uitsluitend de griffie of het parket inzage of kopie moet verschaffen, maar wel "de bestuursdiensten van de Staat met inbegrip van de parketten en de griffies";
Dat derhalve in voornoemde wetsbepaling nergens de precieze hoedanigheid wordt aangeduid van degene die inzage of kopiename kan of moet verlenen en het volstaat dat die persoon behoort tot de bestuursdiensten van de Staat, parketten, de griffies enz. …
Overwegende dat het gebruik van de uit het strafdossier genomen inlichtingen, uittreksels en afschriften geregeld wordt door de bepalingen van paragraaf 2, eerste lid, van voormeld wetsartikel naar luid waarvan elke inlichting, stuk, proces-verbaal, of akte ontdekt of bekomen in het uitoefenen van zijn functies door de ambtenaar van een fiscaal Rijksbestuur hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomt van een der hierboven aangeduide diensten door de Staat kan ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som;
Overwegende dat de tekst van die bepaling geen enkele beperking inhoudt m.b.t. de persoon lastens wie de ontdekte of bekomen inlichtingen, stukken, processen-verbaal, of akten kunnen worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som;
Dat via de toelating van de Procureur-generaal bekomen inlichtingen door de Staat kunnen ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som ten aanzien van om het even welke persoon op wie die inlichtingen betrekking hebben;
Overwegende dat appellant vergeefs aanvoert dat de verleende machtigingen niet dienstig zouden zijn omdat de inzage en kopiename van de zwarte boekhoudingen van de NV N.M.G.B. verricht werden op 6 november 1989, datum waarop de klantenlistings nog niet tot het gerechtsdossier behoorden;
Overwegende inderdaad dat naar luid van artikel 1, § 1 van de wet van 28 juli 1938 het recht tot inzage en kopiename verruimt tot geschriften of inlichtingen die in verband staan met de gerechtelijke procedure;
Dat dienvolgens niet vereist wordt dat de bewuste stukken deel uitmaken van het gerechtsdossier;
Overwegende dat uit het proces-verbaal nr. … d.d. 18 november 1987 dient afgeleid dat de twee betrokken klantenlistings reeds op deze datum deel uitmaakten van het gerechtelijk dossier en dat de toestemmingen tot inzage pas na deze datum door de Procureur-generaal werden verleend respectievelijk op 21 december 1987, 25 februari 1988 en 29 april 1988 (zie P.V. hoofdcontroleur UYTTSRSPROT van de 8ste B.B.I. Brussel);
Overwegende dat het feit dat deze listings pas op 12 februari 1990 ter griffie werden neergelegd geenszins inhoudt dat de inzage en kopiename op onrechtmatige wijze zouden gebeurd zijn nu blijkt dat zij al sinds 18 november 1987 tot het gerechtsdossier behoorden;
Overwegende dat artikel 1 van de Wet van 28 juli 1938, zoals gewijzigd door de wet van 20 augustus 1947, geenszins oplegt dat de stukken behorende t:ot het gerechtsdossier ter griffie moeten worden geraadpleegd en gekopieerd en geenszins bepaalt dat de inzage en kopiename wederrechtelijk zijn indien ze op een andere plaats dan de griffie geschieden;
Dat de toelatingen verleend door de Procureurgeneraal evenmin dergelijke restricties opleggen;
Overwegende dat door de Procureur-generaal nog bijkomende toelatingen tot inzage en kopiename verleend werden namelijk op 25 mei 1989 en 21 februari 1990;
Overwegende dat deze laatste toelating dus dateert van negen dagen na de neerlegging ter griffie van twee klantenlistings zodat het vermoeden van appellant dat de Procureur-generaal van deze stukken geen kennis kon gehad hebben hierdoor ontzenuwd wordt;
Overwegende dat het bestuur dan ook zorgvuldig is tewerkgegaan door telkens nieuwe machtigingen aan te vragen zodat de door haar gevoerde bewijsgaring volledig regelmatig voorkomt;
Overwegende dat, aangezien de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën krachtens artikel 59, § 1 W.BTW niet alleen feiten kunnen bewijzen die de verschuldigdheid van de BTW of een geldboete aantonen doch bovendien toelaten om feiten te kunnen bewijzen die ertoe bijdragen de verschuldigdheid aan te tonen, zij in casu de basis vormen waarop de vermoedens zijn gesteund dat appellant inderdaad de bepalingen van het W.BTW heeft overtreden;
Overwegende dat het bestuur zo onder meer gegevens mag putten uit het fiscaal dossier van de belastingplichtige zelf, als uit de stukken opgemaakt, ontvangen of gehouden door derden, in casu de NV N.M.G.B. welke leverancier is van appellant, wanneer het daarmee kan bewijzen of kan helpen bewijzen (door middel van vermoedens) dat appellant niet al zijn belastbare handelingen heeft aangegeven voor de heffing van de BTW en dienvolgens de over deze niet aangegeven omzet verschuldigde BTW niet aan de Schatkist heeft voldaan;
Overwegende dat dan ook het Hof met de eerste rechter vaststelt dat te dezen aan geïntimeerde geen enkele onregelmatigheid m.b.t. de bewijsgaring en het verzamelen van bewijsgegevens kan worden toegeschreven;
Dat alle door appellant ingeroepen middelen niet vermogen afbreuk te doen aan de door de eerste rechter en de hierboven gedane vaststellingen, en derhalve als niet ter zake dienend worden afgewezen;
2. BETREFFENDE DE OVERLEGGING VAN STUKKEN
Overwegende dat appellant vordert dat geïntimeerde met toepassing van art. 877 Ger.W. zou bevolen worden de klantenlijsten van de N.V. N.M.G.B. integraal over te leggen; dat geïntimeerde aanvoert dat deze stukken door hem niet volledig worden voorgebracht omwille van het beroepsgeheim ten aanzien van de andere belastingplichtigen;
Overwegende dat de grond van de vordering van geïntimeerde moet beoordeeld worden op basis van de overgelegde stukken; dat geïntimeerde hierbij vrij de stukken als bewijs kan overleggen die hij nuttig acht om naar zijn eigen inzicht te voldoen aan de bewijslast; dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de stukken waarvan hij de integrale overlegging vordert het bewijs zouden kunnen inhouden van een ter zake dienend feit; dat zijn bewering; dat aldus de onderlinge tegenstrijdigheid van de stukken van appellant aantoonbaar zou worden, geen ter zake dienend feit heeft uitgewezen, doch slechts een verhoopte gevolgtrekking uit een niet omschreven feit heeft verwoord;
Dat er derhalve geen gegronde reden aangetoond is om, alvorens verder recht te doen, de overlegging van bijkomende stukken ten laste van geïntimeerde te bevelen;
Overwegende dat de betwiste aanslag gevestigd werd op basis van het P. V. opgesteld op 4 juli 1991 door R. B., controleur van de BTW te Mechelen; dat in dit P.V. verwezen werd naar het P.V. opgesteld door de hoofdcontroleur van de B.B.I. op 24 juni 1991 dat als bijlage blijvend aan het P.V. in kwestie werd gehecht;
Overwegende dat in dit P.V. van 24 juni 1991 een aantal verklaringen en vaststellingen zijn weergegeven, geput uit het strafdossier opgesteld lastens NV N.M.G.B., die de betrokken ambtenaar relevant achtte;
Overwegende dat de controleur van BTW in zijn P.V. van 4 juli 1991 vermeldt : "Met verwijzing naar het proces-verbaal in bijlage, blijkt aldus dat aan de heer C. in 1985, 1986 en 1987 volgende leveringen van bloem in bulk zonder factuur werden gedaan :
1985 : 13.200 kg (6 leveringen)
1986 : 13.200kg (6 leveringen)
1987 : 13.200 kg (6 leveringen)”;
Overwegende dat dit besluit van de controleur gebaseerd is op het gebruik van een bepaalde code bij de naam van appellant vermeld op de door de bloemleverancier gehanteerde klantenlisting, op de betekenis van deze code (in casu levering van 2.200 kg bloem "in het zwart") en op het aantal in bulk gedane bloemleveringen in de betrokken periode, zijnde telkens +6;
Overwegende dat de controleur er aldus van uitgaat dat bij elke levering een hoeveelheid bloem zonder factuur werd geleverd;
Dat evenwel uit de .stukken die appellant overlegt, te weten een kopie van verklaringen van betrokkenen afgelegd in hetzelfde strafonderzoek, blijkt dat er niet automatisch bij iedere bestelling een zwarte bestelling volgens de codelijst bijkomt en dat er onderbrekingen worden opgelegd voor de zwarte leveringen (P.V. nr. … d.d. 21 november 1987 van de Rijksdienst te Brussel);
Overwegende dat daarmee is aangetoond dat de door de controleur gemaakte gevolgtrekking inzake de hoeveelheid van de geleverde bloem zonder factuur gesteund is op onvolledige gegevens vervat in het P.V. van de hoofdcontroleur van de B.B.I.;
Dat inderdaad appellant zeer terecht inroept dat bij hemzelf geen bijkomende verificaties werden verricht die de juistheid van de bevindingen bij de NV N.M.G.B. te zijnen laste zouden bevestigen;
Dat dan ook te dezen geenszins vaststaat dat werkelijk telkens bij iedere officiële bloemlevering in bulk 2.200 kg extra, zonder factuur, werd geleverd; dat immers appellant stelt slechts over een bloemsilo met een capaciteit van 5.000 kg te beschikken - bewering die door geïntimeerde niet ernstig wordt tegengesproken en waaromtrent door zijn ambtenaren geen controle werd uitgevoerd - zodat het derhalve materieel geheel onmogelijk is, gelet op het feit dat niet bij elke levering de silo volkomen leeg is, naast de officiële leveringen - zoals opgegeven in het P.V. van 4 juli 1991 - telkens bijkomend 2.200 kg extra te stockeren;
Overwegende dat appellant bovendien terecht opmerkt dat geen enkel objectief en vaststaand gegeven uitwijst dat m.b.t. de jaren 1986 en 1987 - waarop de navordering betrekking heeft, rekening gehouden met de verjaring voor het jaar 1985 - de op de voor het jaar 1985 geldende klantenlisting gestelde vermeldingen inzake de codes nog geldend en van toepassing waren;
Dat immers uit de door appellant overgelegde verklaringen van personeelsleden blijkt dat niet steeds een zwarte levering werd gedaan en dat er onderbrekingen in het systeem werden doorgevoerd;
Overwegende dat, rekening houdende met vorenstaande vaststellingen, appellant terecht aanvoert dat in casu het bestaan van bloemleveringen zonder factuur niet is bewezen, daar de bewijsvoering door vermoedens onjuist werd toegepast, omdat ter zake onvoldoende bekende en vaststaande gegevens als basis voor die vermoedens werden gehanteerd;
Dat immers, krachtens art. 1349 B.W., vermoedens gevolgtrekkingen zijn die de wet of ede rechter afleidt om te besluiten tot een onbekend feit; dat dan de gehanteerde gegevens zelf niet op loutere vermoedens of mogelijkheden mogen steunen, doch noodzakelijkerwijze het voorafgaande bewijs onderstellen van vaststaande feiten en concrete elementen;
Dat het voor vermoedens - als bewijstechniek - essentieel is dat het bekend feit of de bekende feiten ook werkelijk "bekend" zijn, d.w.z. dat het een feit of feiten betreft die buiten kijf staan of waaromtrent geen betwistingen bestaan nopens de materiële werkelijkheid;
Overwegende dat te dezen, uit de overgelegde stukken - inzonderheid de gegevens geput uit het gerechtsdossier ten laste van de NV N.M.G.B. - weliswaar komt vast te staan dat primo op de op 22 november 1985 opgestelde klantenlisting codes werden vermeld, en secundo dat n.a.v. bloemleveringen in bulk niet gefactureerde leveringen werden gedaan;
Dat evenwel enkel de beide voornoemde gegevens werkelijk vaststaan en aldus de in art. 1349 bedoelde bekende feiten uitmaken;
Dat uit het onderzoek blijkt dat geïntimeerde zijn vordering steunt op het gegeven dat ook in de jaren 1986 en 1987 de kwestieuze code van toepassing was en dat bij elke levering in bulk een niet gefactureerde hoeveelheid werd geleverd;
Dat echter deze gegevens geen onbetwistbaar vaststaande gegevens of de werkelijk bekende feiten uitmaken, doch zelf reeds veronderstellingen of afleidingen uit de werkelijk bekende gegevens zijn;
Dat dienvolgens appellant zeer terecht stelt dat de te zijnen laste gedane vaststellingen dat n.a.v. de 6 bulkleveringen in de jaren 1986 en 1987 telkens 2.200 kg extra - in 't zwart - werd geleverd, zelf berusten op door middel van vermoedens (cf. supra) bewezen geachte feiten; dat derhalve in casu de lastens appellant gestelde vordering uitsluitend wordt aangetoond door een cascade van vermoedens, wat strijdig is met de voorschriften van art. 1349 B.W.;
Overwegende dat, rekening houdende met vorenstaande vaststellingen, in casu de in het P.V. van 4 juli 1991 berekende meeromzet van appellant - vastgesteld aan de hand van de forfaitaire regeling voor de bakkers zoals bedoeld in art. 56, § 1 W.BTW. en de voorgehouden hoeveelheden niet gefactureerde bloem - berust op gegevens die niet door de verbalisant zelf werden vastgesteld, doch door hem slechts als vaststaand werden opgenomen op grond van onvoldoende geverifieerde gegevens afkomstig uit een strafdossier;
Dat derhalve, niettegenstaande art. 59, § 1, in fine W.BTW bepaalt dat de processen-verbaal het bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen, te dezen aan het kwestieuze P. V. geen bewijswaarde kan worden toegekend, daar het geenszins de aan appellant verweten inbreuk door middel van bewijskrachtige gegevens vaststelt;
Dat er dan ook dienaangaande niet werd gesteund op bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens, zodat de berekende meeromzet op willekeurige wijze werd vastgesteld; dat dienvolgens de ingestelde navordering alle grond mist en het kwestieuze dwangbevel niet kan behouden blijven;
Overwegende dat de door geïntimeerde ter verdediging van zijn vordering geformuleerde opmerkingen niet van aard zijn de vorenstaande vaststellingen te ontkrachten of te weerleggen;
Dat derhalve het verzet van appellant tegen het uitgesproken dwangbevel gegrond is;
Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, het bestreden vonnis op onjuiste gronden werd gewezen en in vorenstaande zin dient hervormd;
Dat het hoger beroep van appellant derhalve gegrond is, en geïntimeerde in de kosten, zoals hierna begroot, dient verwezen;
Dat evenwel de vordering minder dan … fr. bedraagt, zodat de door appellant in rekening gebrachte rechtsplegingsvergoedingen overeenkomstig art. 2 van het K.B. van 30 november 1970 dienen verminderd;
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend;
Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond;
Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het het verzet van appellant ontvankelijk verklaart;
Wijzigt het bestreden vonnis voor het overige en opnieuw rechtdoende;
Verklaart het verzet van appellant tegen het op 13 december 1991 uitgevaardigde dwangbevel gegrond;
Doet dit dwangbevel teniet en ontslaat appellant van iedere betaling der gevorderde bedragen;
Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van alle eventueel reeds krachtens dit dwangbevel geïnde of ingehouden bedragen;
Verwijst geïntimeerde in de kosten van de beide instanties, tot op heden aan de zijde van appellant, na herleiding, in totaal begroot op :
- dagvaarding in verzet : … fr.
- R.P.V. eerste aanleg : … fr.
- R.P.V. hoger beroep : … fr.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde ter kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen, op TWEE NOVEMBER NEGENTIENHONDERD ACHTENNEGENTIG.
Aanwezig :
P. R., Voorzitter;
R. T., Raadsheer;
E. L., Raadsheer;
L. P., Griffier.
L. P. E. L. R. T. P. R.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.