Dwangbevel, verjaring, stuiting van de verjaring, verzoekschrift op tegenspraak · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 2015/AR/909 4 oktober 2016

Zoeken

Dwangbevel, verjaring, stuiting van de verjaring, verzoekschrift op tegenspraak

https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-verjaring-stuiting-verzoekschrift-tegenspraak-hof-van-beroep-antwerpen-2016-10-04-f573

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Rolnummer
2015/AR/909
Datum
4 oktober 2016

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

172 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen dd. 04.10.2016 (2015/AR/909)

WF 707-15-13/045689

[Gunstig voor de administratie]

Belasting over de toegevoegde waarde – dwangbevel – verjaring – stuiting van de verjaring - verzoekschrift op tegenspraak – dagvaarding - uitbreiding van de eis – nietigheid van een proceshandeling – incidenteel beroep (Belgische Staat)

Wettelijke bepalingen

Art. 807 Ger. W., art. 864 Ger. W., art. 1385decies Ger. W.

Art. 89, tweede lid W.Btw (oud voor 1999), art. 81, 82 en 83 W.Btw

Samenvatting

De eiseres voor het hof van beroep is een vennootschap douane-expediteur. Het expeditiekantoor wordt verantwoordelijk gesteld voor de niet inning van douanerechten en btw. In 1998 wordt een dwangbevel van de btw–administratie geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen in 2002 worden de bestuurder en de douanedeclarant van de firma als dader/mededader veroordeeld. De hiertegen ingestelde voorziening werd door Cassatie verworpen.

Tegen het dwangbevel van 1998 werd op 7 augustus 2013 een “verzoekschrift op tegenspraak” neergelegd bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. In dit verzoekschrift roept eiseres uitsluitend de verjaring in maar behoudt zich het recht voor op zich ook nopens de grond van de zaak te verzetten. Na een gunstig vonnis voor de administratie worden voor het hof van beroep te Antwerpen door de administratie en eiseres diverse vorderingen gesteld:

A. Door de Belgische Staat (incidenteel beroep)

1. De Belgische staat voert aan dat de rechtsvordering laattijdig werd ingesteld. De rechter

oordeelt hier dat er inzake btw-geschillen geen specifieke vervaltermijn voorzien is voor het inleiden van het geding voor de rechtbank.

2. Volgens de Belgische Staat is de vordering van eiseres onontvankelijk wegens verboden eisuitbreiding. In het inleidend verzoekschrift beroept eiseres zich enkel op de verjaring, terwijl in syntheseconclusie de btw-vordering zelf wordt betwist. Art. 807 Ger. W., meent de rechter, eist dat er een voldoende nauwe band bestaat tussen de twee vorderingen, wat betekent dat het voorwerp van de initiële vordering uitgebreid of kan gewijzigd worden, mits de oorzaak niet volledig veranderd. De oorzaak is het geheel van rechtsfeiten of handelingen die de eisende partij aanvoert tot staving van het gevorderde. In de initiële vordering van 7 augustus 2013 vraagt eiseres het dwang-bevel te vernietigen door verjaring, en ook in het verzoekschrift tot hoger beroep en conclusies voor het hof vordert zij vernietiging door verjaring van het dwangbevel en roept zij argumenten in zowel met betrekking tot de grond van de zaak als met betrekking tot de verjaring. Eiseres heeft dus nog in eerste aanleg noch in beroep haar vordering uitgebreid, maar zij heeft wel een middel aangevoerd dat aanleiding geeft tot de gevorderde nietigheid.

3. Het verzet tegen een dwangbevel waarbij btw gevorderd wordt, waarvan de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan voor 1 januari, zoals in dit geschil, moest gebeuren bij dagvaarding (oud art. 89 WBTW), thans dient dit te gebeuren volgens de regels van art. 1385decies Ger. W., bij verzoekschrift op tegenspraak. De rechter ontkent dat de vordering onontvankelijk is wegens aanwending van een tegensprekelijk verzoekschrift als geding inleidende akte in plaats van de dagvaarding. Volgens het nieuw art. 864 Ger. W. dat van toepassing is vanaf 1 november 2015, is de nietigheid die tegen een proceshandeling kan worden ingeroepen of het niet naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven, gedekt, indien zij niet tegelijk en voor enig ander middel worden voorgedragen. Het hof stelt vast dat de Belgische Staat het vormgebrek voor het eerst inroept voor het hof van beroep. De ingeroepen nietigheid is dan ook gedekt.

B. Door de eiser

1. De rechter in beroep bevestigt het vonnis van de eerste rechter: ”De verjaring van de btw-vordering werd, te gepasten tijde , telkens geldig gestuit”. De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de vordering niet verjaard is.

2. Eiseres meent dat haar rechten van verdediging ernstig geschaad zijn door het stilzitten van de administratie vanaf 2002 tot 16 mei 2013. Het hof ontkent dit. Het dwangbevel werd aan eiseres ter kennis gebracht op 28 augustus 1998. Niets belette haar, als meest belanghebbende partij, om onmiddellijk verzet aan te tekenen tegen dit dwangbevel. Het is ook eiseres die na hernieuwde kennisgevingen in 2003 en 2008 heeft nagelaten een vordering in rechte te stellen.

Het hof bevestigt het vonnis in eerste aanleg. De btw-vordering is correct zowel wat de hoofdsom als de boete en de intresten betreft. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn ongegrond.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen

dd. 04.10.2016

(2015/AR/909)

V. D. E. NV. met maatschappelijke zetel te …, …, ondernemingsnummer … eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. C. G., advocaat te …, … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 25 februari 2015

tegen

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën. wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op benaarstiging van de heer Adviseur-generaal. Çentrumdirecteur KMO Antwerpen van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector Btw en op vervolging van de Adviseur verbonden aan het Regionaal Invorderingscentrum Antwerpen 1, Team Invordering Antwerpen 5 (voorheen derde btw­ ontvangkantoor te Antwerpen) van de Algemene Administratie van de Inning en Invordering, beiden met burelente 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. V. L. d. J. A., advocaat te …, …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 25 februari 2015, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 9 april 2015, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. De feiten.

1.1. - Op 18 februari 1997 wordt ten laste van NV V. D. E., eiseres in hoger beroep, door ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen een proces­verbaal opgesteld waarin een douaneschuld wordt opgenomen wegens de niet - zuivering van T 1- documenten die op 2 en 3 september 1993 werden geldig gemaakt onder nummer … en nummer ….

Op 18 augustus 1998 wordt door het diensthoofd van de BTW-controle Malle 2 een proces­verbaal opgesteld voor de verschuldigde BTW die uit deze niet - zuivering volgt.

Op 24 augustus 1998 wordt door de heer F. D. W., e.a. inspecteur a.i. BTW te Antwerpen 3 een dwangbevel uitgevaardigd (R.C.I.V. nr. … - …), dat op 27 augustus 1998 wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer P. A., e.a. inspecteur a.i. van het BTW - controlekantoor Malle II aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen en dat bij aangetekende brief van 28 augustus 1998 aan eiseres in hoger beroep ter kennis wordt gebracht.

Volgens dit dwangbevel is eiseres in hoger beroep volgende bedragen verschuldigd:

- BTW … BEF (… euro)

- geldboete krachtens artikel 70, §1 en

§1bis W.BTW … BEF (… euro)

te vermeerderen met intresten en kosten.

Het dwangbevel wordt opnieuw aan eiseres in hoger beroep ter kennis gebracht bij aangetekende brieven van 27 juni 2003 en 9 juni 2008.

Op 16 mei 2013 wordt het dwangbevel aan eiseres in hoger beroep betekend met bevel tot betalen.

1.2. - Bij arrest van de achtste kamer van het hof van beroep te Antwerpen van 6 februari 2002 worden de heer Fl. V., gedelegeerd bestuurder van eiseres in hoger beroep, en de heer Fr. S., douane-declarant werkzaam bij eiseres in hoger beroep, schuldig verklaard als dader/ mededader aan de niet-zuivering van voormelde Tl-documenten.

Op burgerlijk gebied worden zij solidair veroordeeld tot het betalen van:

- de som van … BEF of … euro ontdoken invoerrechten, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten,

- de som van … BEF of … euro ontdoken accijnzen, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten,

- de som van … BEF of … euro ontdoken bijzondere accijnzen, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten.

Eiseres in hoger beroep wordt burgerrechtelijk en hoofdelijk aansprakelijk verklaard voor de kosten, invoerrechten, accijnzen, bijzondere accijnzen en nalatigheidsintresten ten laste van de beide beklaagden gelegd.

De door eiseres in hoger beroep tegen dit arrest ingestelde voorziening in cassatie wordt bij arrest van het Hof van Cassatie van 9 december 2003 verworpen.

2. De voorafgaande procedure.

2.1. - Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 7 augustus 2013, vordert eiseres in hoger beroep het verzet en de voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren;

dienvolgens het dwangbevel R.C.I.V. … van 24 augustus 1998 en het dwangbevel R.C.I.V. … van 24 augustus 1998 vervallen te verklaren hoofdens verjaring, dan wel te vernietigen;

de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de wettelijke rechtsplegingsvergoeding.

In het verzoekschrift roept eiseres in hoger beroep uitsluitend de verjaring in en behoudt zij zich het recht voor zich ook nopens de grond van de zaak te verzetten.

2.2. - In conclusie, neergelegd op 21 februari 2014, vordert de Belgische Staat om de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot alle kosten van het geding.

2.3. - De zaak wordt behandeld ter zitting van de rechtbank van eerste aanleg op 24 september 2014.

Het proces-verbaal van de zitting vermeldt dat verwerende partij (de Belgische Staat) in het kader van het geding het proces-verbaal van 18 augustus 1998 zal overmaken aan eisende partij (eiseres in hoger beroep), zulks binnen de week. Er worden conclusietermijnen bepaald en de zaak wordt in voortzetting gesteld op 24 december 2014.

2.4. - In syntheseconclusie, neergelegd op 3 november 2014, herneemt eiseres in hoger beroep haar vordering om het dwangbevel vervallen te verklaren hoofdens verjaring, dan wel te vernietigen en concludeert zij over de grond van de zaak.

2.5. - De Belgische Staat vordert in syntheseconclusie, neergelegd op 1 december 2014, om de vordering ontvankelijk maar ongegrond te verklaren voor zover deze betrekking heeft op de verjaring; de vordering voor zover deze betrekking heeft op de grond van de zaak onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren desgevallend na toekenning van bijkomende ruime conclusietermijnen; eiseres in hoger beroep te veroordelen tot alle kosten van het geding.

2.6. - Het bestreden vonnis verklaart de rechtsvordering ontvankelijk, maar ongegrond; veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten; vereffent de kosten in hoofde van de Belgische Staat niet bij gebrek aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusie.

De eerste rechter oordeelt dat de rechtsvordering in haar geheel ontvankelijk is bij bestaand belang.

Ten gronde oordeelt de eerste rechter als volgt:

"1.

Eiseres, haar gedelegeerd bestuurder Fl. V. en haar douane-declarant Fr. S., werden op 6 februari 2002, door het Hof van Beroep te Antwerpen, strafrechtelijk veroordeeld voor niet-zuivering van hoger vermelde T1-documenten.

Het blijkt niet dat de daarvoor indertijd ingediende cassatievoorziening werd gehonoreerd.

2. Het burgerlijk arrest van 23 september 2014 (2013/AR/2252) van het Hof van Beroep te Gent dat eiseres bijbrengt heeft niets te zien met huidige betwisting, nu het oordeelt over aangiftes van 2 augustus 1993.

3. De verjaring van de BTW - vordering werd, te gepasten tijde, telkens geldig gestuit.

4. De BTW- vordering vormt een eigen wettelijk gevolg van de feiten.

Uit het proces-verbaal van 12 augustus 1998 blijkt dat deze BTW- vordering correct is.

Eiseres toont niet aan dat het geheel of gedeeltelijk anders is.

Zulks geldt zowel voor de rechten als de boete als de intrest.

In het bijzonder werd de volle wettelijke boete, gelijk aan tweemaal de rechten, terecht toegepast uit oorzaak van de bijzondere zwaarwichtigheid van de feiten.

Eiseres pleit geen eenheid van opzet met zelfde feiten waarvoor reeds een sanctie werd opgelegd."

2.7. -Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 9 april 2015, hoger beroep ingesteld.

3. Vorderingen en standpunten in hoger beroep.

3.1. - Eiseres in hoger beroep vordert het bestreden vonnis te hervormen en doende wat de eerste rechter had moeten doen:

het verzet en de voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren;

dienvolgens het dwangbevel R.C.I.V. … en het dwangbevel R.C.I.V. … van 24 augustus 1998 vervallen te verklaren hoofdens verjaring, dan wel te vernietigen;

het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, begroot op … euro rechtsplegingsvergoeding per aanleg.

Eiseres in hoger beroep voert vooreerst aan dat in toepassing van artikel 81 (oud), artikel 82 (oud) en artikel 83 (oud) W.BTW de vordering verjaard is; enkel deze teksten zijn op onderhavige casus van toepassing en de verwijzing naar de aanpassingen met ingang van 15 maart 1999 zijn irrelevant.

Volgens eiseres in hoger beroep zijn hoe dan ook haar rechten van verdediging ernstig geschaad door het stilzitten van de wederpartij vanaf 2002 tot 16 mei 2013. Verder is het onduidelijk of de Belgische Staat geen genoegdoening heeft bekomen gezien hij alleszins aanspraken heeft geformuleerd opzichtens de borgsteller Nationale Borgmaatschappij te Amsterdam.

Vermits eiseres in hoger beroep geen schuldenaar is voor de accijns kan zij ook niet aangesproken worden voor de verschuldigde BTW. Minstens is de maatstaf van heffing enkel de waarde van de goederen zonder accijns en invoerrechten en dient de vordering herberekend te worden.

Wat het proces-verbaal van 18 augustus 1998 in verband met de BTW betreft, werd eiseres in hoger beroep nooit gehoord en heeft zij wel degelijk bezwaar aangetekend bij schrijven van 31 augustus 1998.

In ondergeschikte orde bepleit eiseres in hoger beroep eenheid van opzet waarvoor reeds een sanctie werd opgelegd.

Tenslotte stelt eiseres in hoger beroep dat haar vordering wel degelijk in zijn geheel ontvankelijk is en dat het incidenteel beroep van de Belgische Staat dan ook ongegrond is.

3.2. - De Belgische Staat vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en eiseres in hoger beroep ervan af te wijzen;

recht doende op het incidenteel beroep, dit ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen in de mate dat het vonnis de vordering van eiseres in hoger beroep tot nietigverklaring van het dwangbevel ontvankelijk verklaart en opnieuw recht doende deze vordering onontvankelijk te verklaren;

eiseres in hoger beroep te veroordelen tot alle kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding begroot op … euro hoger beroep.

De Belgische Staat stelt incidenteel beroep in tegen het bestreden vonnis omdat het verzoek tot nietigverklaring van het dwangbevel door de eerste rechter onontvankelijk diende verklaard te worden. Volgens de Belgische Staat is deze vordering onontvankelijk om volgende redenen:

- ratione temporis: de vordering werd laattijdig ingesteld vanwege de ingetreden verjaring;

- wegens verboden eisuitbreiding;

- wegens aanwending van een tegensprekelijk verzoekschrift als gedinginleidende akte in plaats van een dagvaarding;

- unfaire procesvoering en schending van de rechten van verdediging.

De BTW -vordering is niet verjaard omdat zij telkens tijdig en geldig gestuit werd.

De administratie heeft geen genoegdoening gekregen via de borg; de borg werd door de administratie zelfs niet aangesproken.

4. Beoordeling.

4.1. - De ontvankelijkheid van de vordering.

4.1.1. - De Belgische Staat voert ten onrechte aan dat de vordering laattijdig werd ingesteld. Er is geen wettelijk bepaalde termijn waarbinnen het verzet tegen het dwangbevel moet worden gedaan. Inzake BTW - gedingen is geen enkele specifieke vervaltermijn voorzien voor het inleiden van het geding.

4.1.2. - Volgens de Belgische Staat is de vordering van eiseres in hoger beroep onontvankelijk wegens verboden eisuitbreiding. In het gedinginleidend verzoekschrift beroept eiseres in hoger beroep zich enkel op de verjaring, terwijl zij in syntheseconclusie (voor de eerste rechter) het bestaan van de BTW - vordering zelf betwist. Volgens de Belgische Staat zijn beide vorderingen fundamenteel verschillend van karakter en kan de in syntheseconclusie opgenomen eis tot nietigverklaring niet aanzien worden als een loutere eisuitbreiding van de eerste eis met betrekking tot de verjaring, doch betreft het een nieuwe vordering.

Krachtens artikel 807 Ger.W. -dat niet van openbare orde is- kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden en kan daaraan een andere juridische omschrijving worden gegeven, op voorwaarde dat de uitbreidende of wijzigende vordering:

i) op tegenspraak wordt behandeld, en

ii) berust op een feit of handeling in de inleidende akte aangevoerd.

Artikel 807 Ger.W. eist dat er een voldoende nauwe band bestaat tussen de twee vorderingen, wat betekent dat in de verhouding tussen de oorspronkelijke partijen het voorwerp van de initiële vordering uitgebreid of gewijzigd kan worden, mits de oorzaak van de vordering niet volledig wordt veranderd. Het voorwerp van de vordering is het doel van de processuele actie, de reden waarom de eisende partij de rechtbank vat. De oorzaak van de vordering is het geheel van rechtsfeiten of -handelingen die de eisende partij aanvoert tot staving van het gevorderde.

In een arrest van 15 december 2006 heeft het Hof van Cassatie een ruime interpretatie gegeven aan de notie “oorzaak van de vordering” en van de woorden “in de inleidende akte vermelde feiten en akten”. Het Hof oordeelde dat de belastingplichtige die een aanslag betwist en die in de loop van het geding, behalve de ontheffing ook de vernietiging ervan vraagt, de uitbreiding van zijn vordering steunt op een akte die bij de inleiding van het geding is aangevoerd (Cass., 15 december 2006, R.W. 2007-2008, 310; TFR 2007, 929).

Uit deze cassatierechtspraak kan afgeleid worden dat de belastingplichtige ook na de inleiding van het geding nog nieuwe verweermiddelen (vorderingen) tegen de aanslag mag opwerpen, ongeacht of deze tot een (gedeeltelijke) ontheffing aanleiding geven dan wel de vernietiging van de aanslag beogen. Het volstaat dat de aanslag werd betwist en ook in de eisuitbreiding wordt betwist.

Artikel 807 Ger.W. is enkel van toepassing ten aanzien van de oorspronkelijke eiser. Deze bepaling volgt hem als het ware doorheen het hele verdere procedureverloop, ook al wordt hij nadien eiser in hoger beroep of verweerder in hoger beroep. Waar de oorspronkelijke eiser in eerste aanleg zijn oorspronkelijke vordering slechts binnen de perken van artikel 807 Ger.W. kan uitbreiden of wijzigen, kan hij dit, krachtens artikel 1042 Ger.W., in dezelfde mate in hoger beroep. Dit betekent dat de oorspronkelijke eiser, zoals in eerste aanleg, ook in hoger beroep een uitbreidende of wijzigende vordering kan instellen indien (het voorwerp van) de uitbreidende of wijzigende vordering (mede) berust op een in de gedinginleidende akte aangevoerde oorzaak. De uitbreiding of wijziging kan dan gebeuren hetzij in het verzoekschrift tot hoger beroep, hetzij bij conclusie in hoger beroep.

In deze vordert eiseres in hoger beroep in het gedinginleidend verzoekschrift van 7 augustus 2013 om het dwangbevel vervallen te verklaren hoofdens verjaring, dan wel te vernietigen.

In dit verzoekschrift voert zij uitsluitend argumenten aan met betrekking tot de verjaring, maar behoudt zij zich het recht voor om zich ook nopens de grond van de zaak te verzetten. In tegenstelling tot wat de Belgische Staat voorhoudt, kan hieruit niet afgeleid worden dat eiseres in hoger beroep geen betwisting over de grond van de zaak voerde.

In de syntheseconclusie, neergelegd op 5 november 2014, vordert eiseres in hoger beroep opnieuw om het dwangbevel vervallen te verklaren hoofdens verjaring, dan wel te vernietigen en in deze syntheseconclusie voert zij behoudens de reeds eerder ingeroepen argumenten met betrekking tot de verjaring ook argumenten aan met betrekking tot de grond van de zaak.

Ook in het verzoekschrift tot hoger beroep en in conclusies voor het hof vordert eiseres in hoger beroep om het dwangbevel vervallen te verklaren hoofdens verjaring, dan wel te vernietigen en roept zij argumenten in zowel met betrekking tot de grond van de zaak als met betrekking tot de verjaring.

Eiseres in hoger beroep heeft dus noch in eerste aanleg noch in hoger beroep haar vordering uitgebreid of gewijzigd, maar zij heeft wel een bijkomend middel aangevoerd dat aanleiding geeft tot de gevorderde nietigheid.

4.1.3. - De Belgische Staat voert ook aan dat de vordering van eiseres in hoger beroep onontvankelijk is wegens aanwending van een tegensprekelijk verzoekschrift als gedinginleidende akte in plaats van een dagvaarding.

Vanaf 6 april 1999 vallen alle geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet onder de bevoegdheden van de rechtbanken van eerste aanleg en meer bepaald onder deze van de ingestelde fiscale rechtbanken. Geschillen betreffende de tenuitvoerlegging van een dwangbevel inzake BTW moeten beschouwd worden als geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet en worden dan ook vanaf 6 april 1999 altijd door de fiscale rechtbanken behandeld.

De wijziging door de wet van 15 maart 1999 houdt in dat de speciale procedure van verzet met dagvaarding zoals deze bestond onder het oude artikel 89, 2de lid W.BTW werd opgeheven en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel thans moet gestuit worden volgens de regels voorzien in het Gerechtelijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 1385decies Ger.W. is dit bij verzoekschrift op tegenspraak.

Tevens is bepaald dat het nieuwe artikel 89 W.BTW slechts van toepassing is op de belastingen, intresten en boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999. Het verzet tegen dwangbevel waarbij belastingen, intresten en boeten worden ingevorderd waarvan de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan voor 1 januari 1999 moet dus gebeuren bij dagvaarding voor de fiscale rechtbank waaronder de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, ressorteert.

In deze hebben de overtredingen betrekking op de verschuldigdheid van BTW voortkomende uit niet-aangezuiverde T1-documenten van september 1993. De oorzaak van opeisbaarheid van de BTW, intresten en boeten heeft zich voorgedaan voor 1 januari 1999 en derhalve diende het verzet tegen het dwangbevel ingesteld te worden bij dagvaarding.

Krachtens artikel 864 Ger.W., zoals gewijzigd bij de wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie (B.S. 22 oktober 2015), dat onmiddellijk van toepassing is op alle hangende zaken vanaf de inwerkingtreding van de wet op 1 november 2015, is de nietigheid die tegen een proceshandeling kan worden ingeroepen of het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven, gedekt indien zij niet tegelijk en voor enig ander middel worden voorgedragen.

Het hof stelt vast dat de Belgische Staat dit vormgebrek voor het eerst inroept hangende de procedure voor het hof van beroep. De ingeroepen nietigheid is dan ook gedekt.

4.1.4. - Tenslotte verwijt de Belgische Staat eiseres in hoger beroep een unfaire procesvoering waardoor hij in zijn recht van verdediging werd geschonden.

Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep weliswaar slechts in laatste conclusie voor de eerste rechter geconcludeerd heeft over de grond van de zaak, doch oordeelt dat de Belgische Staat hierdoor niet in zijn rechten van verdediging werd geschonden, temeer nu de Belgische Staat in zijn laatste conclusie nog geantwoord heeft op de door eiseres in hoger beroep ontwikkelde argumenten.

4.1.5. - De vordering van eiseres in hoger beroep is wel degelijk ontvankelijk.

4.2. - De verjaring van de BTW - vordering.

4.2.1. - De vordering tot voldoening van de BTW is in deze ontstaan voor 1 januari 1999. De artikelen 81, 82 en 83 W.BTW, zoals zij bestonden sedert hun wijziging bij de wet van 8 augustus 1980, vooraleer zij werden gewijzigd door de artikelen 52, 53, 54, 55 en 56 van de wet van 15 maart 1999, blijven van toepassing op de vorderingen tot voldoening en de vorderingen tot teruggaaf van de belasting, van de intresten en van de administratieve boeten die zijn ontstaan voor 1 januari 1999 (hoofdstuk IV - artikel 97 Inwerkingtreding wet 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen).

Artikel 81 W.BTW (oud) bepaalt: "De vordering tot voldoening van de belasting, van de intrest en van de administratieve geldboete, verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan."

Artikel 83 W.BTW (oud) luidt: "Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het burgerlijk wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangende is.

Afstand van de verlopen tijd der verjaring en de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in artikel 85, §1, wordt ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in het vorige lid bedoelde stuiting."

Artikel 85 W.BTW, waarnaar wordt verwezen in artikel 83, bepaalt het volgende:

"§1. Bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar.

De kennisgeving van het dwangbevel gebeurt bij een ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag.

§2. Die kennisgeving:

1 ° stuit de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten, van de administratieve geldboeten en van het toebehoren;

2 ° maakt het mogelijk inschrijving te nemen van de wettelijke hypotheek als bedoeld in artikel 88;

3° stelt de belastingschuldige in staat verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, op de wijze als bepaald in artikel 89;

4° doet, overeenkomstig artikel 91, de moratoire intresten lopen.

§3. Het dwangbevel mag eveneens worden betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot met bevel tot betaling."

Artikel 83 W.BTW verwijst naar de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Derhalve zijn alle gemeenrechtelijke stuitingwijzen waarin die artikelen voorzien, van toepassing inzake BTW en toebehoren. De verjaring wordt dus gestuit door een dagvaarding voor het gerecht en door een bevel tot betaling en een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te bekomen. De verjaring wordt ook gestuit doordat de belastingschuldige de belastingschuld erkent.

Krachtens artikel 89, 2de lid W.BTW, kan de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts worden gestuit bij door de belastingplichtige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.

Volgens artikel 2251 B.W. loopt de verjaring tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet uitzondering maakt.

Uit die bepalingen, die samen gelezen moeten worden om de verjaringsregeling inzake belasting over de toegevoegde waarde te bepalen, kan worden afgeleid dat het dwangbevel, enerzijds de titel van belastingheffing is waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting, en, anderzijds, de akte is die geldt als uitvoerbare titel, die nodig is voor de invordering van de belastingschuld. Hieruit blijkt ook dat het dwangbevel, dat ter kennis wordt gebracht van degene die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, een van de wijzen is waarop de verjaring in de zin van artikel 2244 B.W. kan worden gestuit en dat de verjaring, behoudens een nieuwe stuiting van de verjaring, tegen de Staat is verkregen vijf jaar na de kennisgeving van het dwangbevel, tenzij een rechtsgeding hangend is. Dit rechtsgeding kan bestaan in het verzet van de belastingplichtige, dat de opschorting van de uitvoerbare kracht van het dwangbevel tot gevolg heeft, en waaruit volgt dat de verjaring, tijdens de gehele duur ervan, tegen de Staat niet is verkregen.

4.2.2. - Bij aangetekende schrijven van 28 augustus 1998 werd aan eiseres in hoger beroep een dwangbevel, uitgevaardigd door de e.a. inspecteur a.i. BTW Antwerpen 3 en op regelmatige wijze geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de door de gewestelijke directeur aangewezen ambtenaar, ter kennis gebracht.

Overeenkomstig artikel 85, §2, 1° W.BTW werd de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, de intresten, de administratieve geldboeten en het toebehoren, gestuit op 29 augustus 1998. De afgifte van het stuk ter post geldt immers als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag.

Op 29 augustus 1998 begon dus een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen.

Op 27 juni 2003, hetzij voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar, werd het dwangbevel opnieuw ter kennis gebracht aan eiseres in hoger beroep, zodat een nieuwe termijn begon te lopen. Op 9 juni 2008, hetzij voor het verstrijken van de nieuwe termijn van vijf jaar, werd het dwangbevel wederom ter kennis gebracht aan eiseres in hoger beroep, zodat nogmaals een nieuwe termijn begon te lopen.

Tenslotte werd voor het verstrijken van deze nieuwe termijn het dwangbevel op 16 mei 2013 betekend aan eiseres in hoger beroep met bevel tot betalen, zodat de verjaring opnieuw werd gestuit en een nieuwe termijn begon te lopen.

De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat de vordering niet verjaard is.

4.2.3. - In tegenstelling tot wat eiseres in hoger beroep lijkt voor te houden, kon de administratie wel degelijk een dwangbevel uitvaardigen.

Een dwangbevel heeft twee functies: (i) die van een taxatietitel waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan een spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting (het zogenaamde declaratieve karakter van een dwangbevel) en (ii) die van een akte die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van die belasting (het zogenaamde executoire karakter van een dwangbevel).

De uitvaardiging van een dwangbevel kan geschieden indien de administratie ervan overtuigd is dat de nagevorderde BTW verschuldigd is. Een dwangbevel is immers de buitengerechtelijke akte die de administratie zichzelf verschaft om bij de inning als uitvoerbare titel te dienen voor de tenuitvoerlegging van een belastingschuld die zeker, opeisbaar en vaststaand is.

Eiseres in hoger beroep houdt ook ten onrechte voor dat het arrest van 6 februari 2002 de laatste stuitende betekening is geweest omdat de rechtsgrond van de vordering hieruit zou worden gepuurd.

Evenwel vormt niet voormeld arrest de grondslag voor de BTW - navordering, maar wel de feiten opgenomen in het proces-verbaal van 18 februari 1997, waarvoor een bijkomend proces-verbaal inzake BTW werd opgemaakt op 18 augustus 1998.

Tenslotte houdt eiseres in hoger beroep ook ten onrechte voor dat de kennisgevingen van 28 augustus 1998, 27 juni 2003 en 9 juni 2008 niet geldig zouden gebeurd zijn omdat niet blijkt dat een eensluidend afschrift van het proces-verbaal werd bijgevoegd.

Het hof stelt vast dat het dwangbevel uitdrukkelijk vermeldt dat een voor eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal van 18 augustus 1998 wordt bijgevoegd en dat dit proces-verbaal van 18 augustus 1998 uitdrukkelijk vermeldt dat het proces-verbaal van 18 februari 1997 er deel van uitmaakt.

Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat deze vermeldingen niet met de werkelijkheid zouden overeenstemmen.

4.3. -Ten gronde.

4.3.1. - Eiseres in hoger beroep meent dat haar rechten van verdediging ernstig geschaad zijn door het stilzitten van de administratie vanaf 2002 tot 16 mei 2013.

Het dwangbevel werd aan eiseres ter kennis gebracht bij aangetekende brief van 28 augustus 1998. Niets belette eiseres in hoger beroep, als meest belanghebbende partij, om onmiddellijk verzet aan te tekenen tegen dit dwangbevel.

Het is ook eiseres in hoger beroep zelf die het niet nodig achtte om na de hernieuwde kennisgevingen van 27 juni 2003 en 9 juni 2008 een vordering in rechte in te stellen, en die gewacht heeft tot na de betekening van het dwangbevel met bevel tot betaling op 16 mei 2013 om actie te ondernemen.

4.3.2. - Uit geen enkel stuk blijkt dat de Belgische Staat genoegdoening zou bekomen hebben via de Nationale Borgmaatschappij. Volgens de administratie werd de borg zelfs niet aangesproken en werden geen betalingen ontvangen.

In het proces-verbaal van 18 februari 1997 wordt trouwens een citaat opgenomen uit een brief van eiseres in hoger beroep van 5 januari 1996 aan de administratie der douane en accijnzen, waarin zij zelf stelt: " ..... Navraag bij onze Borgmaatschappij heeft ons inmiddels geleerd dat zij niet in kennis werden gesteld van niet-zuivering van het desbetreffende T- document. Op grond van het hiervoor genoemde artikel zullen zij verhaal afwijzen ......... ".

4.3.3. - Eiseres in hoger beroep meent dat zij niet kan worden aangesproken voor de verschuldigde BTW vermits zij geen schuldenaar is van de accijns.

Bij arrest van 6 februari 2002 - dat kracht van gewijsde heeft - heeft het hof van beroep te Antwerpen de gedelegeerd bestuurder en de douane - declarant werkzaam bij eiseres in hoger beroep, solidair veroordeeld tot betaling van onder meer de ontdoken accijnzen en de ontdoken bijzondere accijnzen en werd eiseres in hoger beroep burgerrechtelijk en hoofdelijk aansprakelijk verklaard voor deze ontdoken accijnzen en bijzondere accijnzen.

Eiseres in hoger beroep stelt dan ook ten onrechte dat zij geen schuldenaar van de accijnzen is.

Het hof sluit zich aan bij het standpunt van de eerste rechter dat uit het proces-verbaal van 12 augustus 1998 blijkt dat de BTW - vordering correct is, zowel wat de hoofdsom als de boete en de intresten betreft.

In ondergeschikte orde stelt eiseres in hoger beroep thans voor het eerst in graad van hoger beroep dat er eenheid van opzet was waarvoor reeds een sanctie werd opgelegd, doch zij laat na dit ook maar enigszins te concretiseren.

4.4.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn ongegrond en het bestreden vonnis dient bevestigd te worden.

Overeenkomstig artikel 1017 Ger.W. dient eiseres in hoger beroep, als in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

Beschikkend gedeelte

5. Beslissing.

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van V. D. E. NV en het incidenteel beroep van de Belgische Staat toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis.

Het hof veroordeelt V. D. E. NV tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van de Belgische Staat begroot op en door het hof vereffend op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 04 oktober 2016 door

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 891 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8