Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent d.d. 13.02.2025
WF 709-15-21/064336 - Finality 54642263
[Gedeeltelijk gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Diensten onder bezwarende titel - Tantièmes – Tijdstip van opeisbaarheid – tarief – fiscaal misbruik
Wettelijke bepalingen
Artikelen 1,§ 10, 2, 18, §1, 2de lid, 3° WBTW
Artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970
Beslissing ET.127.850
Samenvatting
1. Feiten en voorgaande procedure
Eiseres is geregistreerd als btw-belastingplichtige voor de activiteit van ‘overige adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer’. Zij werd met ingang van 1 mei 2017 benoemd als bestuurder van een andere vennootschap. Tussen deze beide vennootschappen werd op 1 mei 2017 een overeenkomst inzake het verlenen van diensten afgesloten. Er werd geen vaste vergoeding voorzien voor eiseres, enkel een variabele vergoeding in functie van de winst binnen de andere vennootschap. Op 1 september 2020 is eiseres toegetreden tot een btw-eenheid waar ook de vennootschap, waarmee de overeenkomst op 1 mei 2017 werd afgesloten, deel van uitmaakt, samen met nog een derde vennootschap. Met betrekking tot de gerealiseerde winst over 3 verschillende boekjaren (per 30 september 2017, 30 september 2018 en 30 september 2019), werd telkens een tantième toegekend aan eiseres als vergoeding voor de geleverde (doorlopende) bestuurdersprestaties. De tantièmes voor de boekjaren 2017 en 2018 werden pas betaald in september 2020, zonder dat er btw werd gerekend en laattijdig aangegeven in de btw-aangifte. In het proces-verbaal van 16/09/2021 verwijst de Belgische Staat dat naar de administratieve beslissing ET.127.850 waarin een afwijkende regel is opgenomen betreffende de opeisbaarheid van de btw. Deze beslissing stelt dat de btw inzake tantièmes wordt verschoven naar de datum waarop het boekjaar wordt afgesloten, en dit ongeacht de datum waarop de factuur wordt uitgereikt of de datum waarop de tantièmes worden betaald.
Het proces-verbaal vermeld dat de tantièmes m.b.t. boekjaren per 30/09/2017 en 30/09/2018 niet aan het juiste btw-tarief werden gefactureerd. Deze tantièmes werden opgenomen in de btw-aangifte voor het derde kwartaal 2020. Wat de tantième m.b.t. boekjaar per 30/09/2019 betreft, werd een overtreding bepaald betreffende de aangegeven omzet. Eiseres had de tantième niet aangegeven in de btw-aangifte die werd ingediend op 21/01/2020. Eiseres stelde dat de tantième zou worden opgenomen in de btw-aangifte wanneer de betaling plaats zou vinden.
2. Vonnis
Wat de bestuurdersvergoedingen betreft oordeelt de rechtbank dat deze onder bezwarende titel zijn verricht. De bestuurdersvergoedingen zijn aan de btw onderworpen ongeacht hun berekeningswijze, benaming of wijze van toekenning. Dus ook tantièmes, die bepaald worden in functie van een bepaald percentage van de winst, vallen onder het toepassingsgebied van de btw.
Wat de opeisbaarheid van de btw op toegekende tantièmes betreft oordeelt de rechtbank dat tijdstip van de opeisbaarheid van de btw inzake de tantièmes in principe de datum is waarop de facturen werden uitgereikt, met name op respectievelijk 21 en 22 September 2020.
Maar inzake het fiscaal misbruik is de rechtbank van oordeel dat de datum van toekenning en de datum van betaling kunstmatig door eiseres in het leven werden geroepen. Zij heeft de initiële datum van opeisbaarheid kunstmatig verschoven waarbij een belastingvoordeel in strijd met de doelstellingen van de btw-wetgeving werd gecreëerd. Zodoende is de datum van opeisbaarheid in dit geval niet de datum waarop de facturen werden uitgereikt en moet de btw over het bedrag van de uitgekeerde tantièmes geheven worden tegen het normale btw-tarief van 21 %.
Wat de tantième over het boekjaar 2019 betreft is de btw in principe nog niet opeisbaar vermits er nog geen factuur en betaling plaatsvond en diende deze nog niet te worden opgenomen in de btw-aangifte van eiseres.
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
van 13 februari 2025
Rolnummer: 22/1855/A
In de zaak van:
G. BV, KBO …, met zetel te …, eisende partij, hebbende als raadsman mr. ROELANTS KIM, advocaat te 1081 Brussel, Jetselaan 32;
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal — Directeur van het KMO Centrum Aalst, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4, KBO 0308.357.159, verwerende partij, voor wie optreedt mevrouw …, attaché bij een fiscaal bestuur;
beslist de rechtbank als volgt:
I. DE RECHTSPLEGING
De rechtbank hoorde partijen in hun argumenten op de openbare terechtzitting van 9 januari 2025. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift van 1 augustus 2022, de conclusies en stavingsstukken van partijen.
II. DE VORDERING
Eiseres vordert in syntheseconclusie de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:
"In hoofdorde, het bezwaarschrift van [eiseres] ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat de schuld met artikelnummer …, gebaseerd op het proces-verbaal van regularisatie d.d. 16 september 2021, nietig is en dat [eiseres] de gevorderde sommen niet verschuldigd is, zowel wat de btw betreft als wat de boeten, interesten en kosten betreft.
In ondergeschikte orde, de betwiste btw schuld alleszins te herleiden omwille van verjaring in de mate dat deze betrekking heeft op de tantième ten bedrage van 207.006,88 EUR over het boekjaar afgesloten op 30 september 2017.
In uiterst ondergeschikte orde, de opgelegde proportionele boete ten bedrage van 26.670,00 EUR substantieel te verminderen, minstens uitstel van tenuitvoerlegging van de opgelegde boete toe te staan.
De Belgische Staat te veroordelen om aan [eiseres] alle uit hoofde van de bestreden schuld en het bestreden proces-verbaal, betaalde, ingehouden of in beslag genomen sommen terug te betalen, verhoogd met de moratoriuminteresten.
De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding, bepaald op het geïndexeerd basisbedrag van 7.500,00 EUR voor een in geld waardeerbare vordering en de bijdrage voor het fonds voor tweedelijnsbijstand ten bedrage van 22,00 EUR."
Verweerster vordert in syntheseconclusie de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren:
"De fiscale schuld gekend onder schuldnummer … volgend uit het proces-verbaal van 16 september 2021 te bevestigen en te zeggen voor recht dat eiseres gehouden is tot betaling van de som van 190.999,05 euro aan verschuldigde btw, 26.670,00 euro aan administratieve geldboete, te vermeerderen met de intresten op voornoemde bedragen vanaf 21 januari 2020.
Eiseres tot de kosten van het geding te veroordelen."
III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
1. Eiseres is sinds 26 april 2002 geregistreerd als btw-belastingplichtige voor de activiteit "adviesbureau op het gebied van bedrijfsvoering".
Zij werd vanaf 1 mei 2017 benoemd als bestuurder van BV H. ondernemingsnummer …). Op 1 mei 2017 werd er tussen eiseres en BV H. ook een overeenkomst inzake het verlenen van diensten afgesloten voor onbepaalde duur (stuk 3 verwerende partij). Er werd geen vaste vergoeding voorzien voor eiseres, enkel een variabele vergoeding in functie van de winst binnen BV H..
Op 1 september 2020 werd een btw-eenheid opgericht tussen eiseres, BV H. en NV V.D.B.C., genaamd V.D.B.C. VAT Group (BE …) (stuk 4 verwerende partij).
2. De bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders van BV H. heeft met betrekking tot de gerealiseerde winst over drie verschillende boekjaren (boekjaren per 30 september 2017, 30 september 2018 en 30 september 2019) telkens een tantième toegekend aan eiseres, haar vennootschap-bestuurder, als vergoeding voor de door haar geleverde (doorlopende) bestuurdersprestaties (stukken 26, 21 en 23 verwerende partij). Deze tantièmes bedroegen respectievelijk 207.006,88 EUR, 340.523,33 EUR en 361.210,95 EUR.
De bijzondere algemene vergadering van de aandeelhouders van BV H. heeft op respectievelijk 20 december 2017, 19 december 2018 en 18 december 2019 telkens eenzijdig beslist tot toekenning van de tantièmes, maar de tantièmes werden toen niet betaald aan eiseres. In de beslissingen van de algemene vergadering werd de datum van betaling van de tantièmes in kwestie niet bepaald.
3. Uit de resultatenrekening van eiseres voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2017 blijkt dat zij het bedrag van 207.006,87 EUR [(502.421,99 * 5 /12 *75%) + 50.000 EUR] heeft geboekt op de rekening 743000 "Diverse bedrijfsopbrengsten" (stuk 17 verwerende partij). De tantième werd als opbrengst beschouwd in het belastbaar tijdperk van het ontstaan van de zekere en vaststaande schuldvordering. Verweerster heeft een fiscale controle uitgevoerd van de handelingen van 2017 die resulteerde in een regularisatieopgave die de gevolmachtigde van eiseres op 11 november 2020 voor akkoord heeft ondertekend (stuk 1 eisende partij).
4. Enkele maanden na de bijzondere algemene vergadering (op respectievelijk 29 maart 2018, 28 maart 2019 en 26 maart 2020) vond er een gewone algemene vergadering van de aandeelhouders van BV H. plaats waarbij de vergoeding van het kapitaal via tantième, zoals uitgekeerd op de eerdere bijzondere algemene vergadering, werd bevestigd (cf. stukken 19, 22 en 24 verwerende partij).
5. Bij gebrek aan eerdere beschikbare financiële middelen, volgens eiseres, heeft BV H. de tantièmes voor een bedrag van 207.006,88 EUR en 340.523,33 EUR in september 2020 betaald aan eiseres.
Op respectievelijk 21 en 22 september 2020 heeft eiseres vervolgens de tantièmes voor een bedrag van 207.006,88 EUR en 340.523,33 EUR gefactureerd aan BV H. (cf. bijlagen C en E bij het PV van regularisatie - stuk 8 verwerende partij).
6. De btw over de tantièmes werd ingevolge de betaling/facturatie opeisbaar op een moment dat eiseres en BV H. lid waren van dezelfde btw-eenheid.
Eiseres heeft de betrokken tantièmes onder verwijzing naar het bestaan van de btw-eenheid gefactureerd zonder btw.
7. Verweerster heeft in 2021 een fiscale controle uitgevoerd inzake de btw-reglementering met betrekking tot de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019, waarbij de volgende elementen werden gecontroleerd.
8. De gevolmachtigde van eiseres heeft op 4 maart 2021 aan verweerster verduidelijkt dat de door BV H. toegekende tantièmes met betrekking tot de boekjaren per 30/09/2017 en per 30/09/2018 naar aanleiding van de betaling werden opgenomen in de btw-aangifte voor het derde kwartaal van 2020 (stuk 5 verwerende partij). Hij bevestigde voorts dat de tantième met betrekking tot het boekjaar per 30 september 2019 zou opgenomen worden in de btw-aangifte wanneer de betaling heeft plaats gevonden.
9. Verweerster heeft op 19 april 2021 een correctieopgave toegestuurd aan de gevolmachtigde van eiseres en op 20 mei 2021 heeft zij deze correctieopgave verstuurd aan eiseres (stuk 6 verwerende partij).
In deze correctieopgave werden o.a. inbreuken met betrekking tot de toegekende tantièmes weerhouden.
Volgens verweerster werd ten onrechte het tarief van 0% toegepast op de tantièmes die werden toegekend (doch niet betaald) in 2017 en 2018. Los van het doorlopend karakter van de diensten of de afwezigheid van betaling, zou de btw op de tantièmes volgens verweerster verschuldigd zijn door eiseres op de datum waarop de jaarlijkse vergadering van de uitkerende vennootschap (H.) de beslissing heeft genomen tot uitkering van de tantièmes.
De totaal verschuldigde btw op de tantièmes 2017 en 2018 bedraagt 114.981,76 EUR, te vermeerderen met een boete van 10%.
Daarnaast heeft eiseres, volgens verweerster, ten onrechte de tantième voor het boekjaar per 30 september 2019 niet aangegeven hebben in haar btw-aangifte terwijl de btw verschuldigd was op 21 januari 2020, met name de datum van de beslissing van de algemene vergadering. Bij de berekening van de verschuldigde btw wordt verwezen naar de datum van 18 december 201% d.i. de datum waarop de bijzondere algemene vergadering werd gehouden.
De verschuldigde btw op de tantième voor het boekjaar per 30/09/2019 bedraagt 75.854,30 EUR, te vermeerderen met een boete van 20%.
Verweerster vorderde voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019 een bedrag van 208.575,77 EUR aan btw, te verhogen met een proportionele boete van 28.380,00 EUR en interesten vanaf 21 januari 2020.
10. Op 7 juni 2021 heeft eiseres via haar gevolmachtigde accountant meegedeeld niet akkoord te kunnen gaan met het standpunt van verweerster (stuk 7 verwerende partij).
11. Verweerster antwoordde op 9 juni 2021 dat zij bij haar standpunt bleef en gaf toe dat er mogelijks verjaring was van de vordering voor 2017 (stuk 2 verwerende partij).
12. Op 21 juni 2021 heeft verweerster een (aangekondigd) bezoek ter plaatse (Theet 53 en 53+) bij eiseres gedaan teneinde de uitgevoerde werken op deze adressen te kunnen lokaliseren (cf. proces-verbaal d.d. 16 september 2021 ¬stuk 8 verwerende partij).
Eiseres heeft verweerster zelf vaststellingen laten doen in het kader van het geschil inzake werken waarvoor oorspronkelijk 21% btw werd toegepast, een tarief dat later is gewijzigd naar 6% voor gebouwen ouder dan 10 jaar bedoeld voor privédoeleinden. De terechte opmerkingen van de gevolmachtigde van eiseres aangaande de kosten van de uitgevoerde werken in onroerende staat en de kosten van dienstverrichter B.T. werden weerhouden.
13. Op 16 september 2021 heeft verweerster een proces-verbaal van regularisatie verstuurd aan eiseres waarin enkel de overtredingen inzake de uitgekeerde tantièmes werden weerhouden (op een bedrag van 162,99 EUR aan btw na dat eiseres ten onrechte in aftrek heeft gebracht met betrekking tot privékosten) (stuk 8 verwerende partij).
Volgens verweerster heeft eiseres inzake de tantièmes met betrekking tot de boekjaren per 30 september 2017 en 30 september 2018 een overtreding begaan wat betreft het toegepaste tarief.
De btw op de tantièmes zou verschuldigd zijn op de datum waarop de jaarlijkse vergadering van de uitkerende vennootschap de beslissing neemt tot uitkering van de tantièmes.
Wat de tantième over het boekjaar per 30 september 2017 betreft, is volgens verweerster de btw opeisbaar geworden op 29 maart 2018, de datum van de gewone algemene vergadering.
Wat de tantième over het boekjaar per 30 september 2018 betreft, is volgens verweerster de btw opeisbaar geworden op 5 december 2018, d.i. de datum van het verslag van de zaakvoerder voor de bijzondere algemene vergadering van 9 december 2018 (stuk 20 verwerende partij).
De totaal verschuldigde btw op de tantièmes over het boekjaar 2017 en 2018 bedraagt 114.981,76 EUR, te verhogen met een proportionele geldboete van 10%.
14. Wat de tantième met betrekking tot het boekjaar per 30 september 2019 betreft (deze werd op datum van het PV noch gefactureerd, noch betaald), heeft eiseres volgens verweerster een overtreding begaan in verband met de aangegeven omzet. Eiseres zou ten onrechte de tantième voor het boekjaar per 30 september 2019 niet aangegeven hebben in haar btw-aangifte terwijl de btw volgens verweerster verschuldigd was op 18 december 2019, d.i. de datum waarop de bijzondere algemene vergadering der aandeelhouders werd gehouden (stuk 23 verwerende partij).
Verweerster verwijst in dit verband naar artikel 1, §10 W.BTW (het misbruikartikel).
De ten onrechte niet aangerekende btw zou, volgens eiseres, 75.854,30 EUR bedragen, te verhogen met een proportionele boete van 20%.
Wat de toegekende tantième per 30 september 2017 betreft, voegde verweerster enkel de notulen van de gewone algemene vergadering toe aan het proces-verbaal. Verweerster argumenteerde - anders dan voor de toegekende tantièmes met betrekking tot de jaren nadien - dat de datum van de gewone algemene vergadering de datum zou zijn waarop de btw verschuldigd was.
15. Eiseres heeft de betwiste btw-schuld in hoofdsom op 24 september 2021 betaald onder voorbehoud van alle rechten, met de bedoeling om bijkomende nalatigheidsinteresten te vermijden (stuk 9 verwerende partij).
16. Op 19 oktober 2021 diende eiseres een bezwaarschrift in.
In het kader van de behandeling hiervan werd de fiscale bemiddelingsdienst ingeschakeld en vond een Teamsoverleg plaats op 20 januari 2022. Verweerster bleef bij haar standpunt. Het proces-verbaal van 16 september 2021 en de administratieve beslissing btw nr. E.T. 127.850 d.d. 30 maart 2016 werd integraal behouden (stuk 13 verwerende partij).
17. Op 26 april 2022 heeft verweerster eiseres in kennis gesteld van het uittreksel uit het innings- en invorderingsregister waaruit blijkt dat de schuld met artikelnummer … uitvoerbaar verklaard werd op 27 december 2021 (stuk 12 verwerende partij).
18. Eiseres kon zich niet vinden in de administratieve beslissing en het standpunt van verweerster zodat zij op 1 augustus 2022 een verzoekschrift neerlegde ter griffie van deze rechtbank.
IV. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.
2. Ten gronde
Inzake de bestuurdersvergoedingen
2.1.
Eiseres werpt op dat de fiscale administratie niet aantoont dat diensten onder een bezwarende titel werden verricht.
De vergoeding wordt niet vastgesteld in functie van de door eiseres geleverde prestaties maar louter en alleen in functie van de door BV H. behaalde winst. Bij gebrek aan winst binnen BV H. is er geen tegenprestatie voor de geleverde prestaties. Of eiseres nu een vergoeding krijgt of niet, zij heeft gedurende gans het boekjaar prestaties geleverd (zie ook HvJ 3 maart 1994 Tolsma, C16-93, BNB 1994/271, r.o. 14). Het rechtstreeks verband tussen de handeling en de vergoeding ontbreekt aangezien onzekere elementen bepalen of en hoeveel vergoeding eiseres ontvangt.
2.2.
Artikel 2, 1ste alinea W.BTW bepaalt: "De leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht. zijn aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden."
Artikel 4 W.BTW bepaalt dat een belastingplichtige eenieder is die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, belastbare leveringen van goederen of diensten verricht.
2.3.
De rechtbank merkt op dat sinds 1 juni 2016 de uitoefening door een rechtspersoon van een mandaat als bestuurder een dienst is overeenkomstig artikel 18, §1, 2de lid, 3" W.BTW en onderworpen is aan de btw wanneer dit mandaat onder bezwarende titel wordt verricht (artikel 2 W.BTW).
2.4.
De rechtbank stelt vast dat met ingang van 1 mei eiseres werd benoemd als bestuurder van BV H. (BE0451.803.828). Ingevolge deze benoeming werd op 1 mei 2017 een dienstverleningsovereenkomst afgesloten tussen eiseres en BV H..
Artikel 4 van de dienstverleningsovereenkomst bepaalt:
"4.1 De vergoedingen voor de krachtens deze overeenkomst door de dienstverlener te leveren prestaties zullen jaarlijks afgerekend worden op basis van een percentage van de winst van het boekjaar vóór belastingen van de opdrachtgever.
4.2 Het percentage waarvan sprake is in artikel 4.1, wordt vastgeklikt op 75% van de winst van het boekjaar vóór belastingen en zal uitgekeerd worden in de vorm van een tantième."
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres wel degelijk wordt beloond met veranderlijke vergoedingen zoals bepaald in het hierboven geciteerde artikel 4 zodat het mandaat wordt beschouwd als zijnde uitgeoefend onder bezwarende titel. Het feit dat de vergoeding louter bestaat uit tantièmes en afhankelijk is van de resultaatverdeling van de vennootschap waarin het mandaat wordt uitgeoefend, zodat bij een ontoereikend resultaat geen tantièmes worden toegekend, doet hieraan geen afbreuk (Beslissing btw nr. E.T. 127.850 van 30 maart 2016). De bestuurdersvergoedingen zijn aan de btw onderworpen ongeacht hun berekeningswijze, benaming of wijze van toekenning. Dus ook tantièmes, die bepaald worden in functie van een bepaald percentage van de winst, vallen onder het toepassingsgebied van de btw.
2.6.
In het voorliggende geschil heeft verweerster in een btw-controle vastgesteld dat in de periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2019 is gebleken dat de bestuurde vennootschap (BV H.) over de boekjaren afgesloten op 30 september 2017, 30 september 2018 en 30 september 2019 een tantième heeft toegekend aan eiseres ter vergoeding van haar prestaties als bestuurder. Dit blijkt duidelijk uit de verslagen van de algemene vergadering van BV H. (stukken 19, 22 en 24 verwerende partij) en de interne jaarrekeningen van BV H. (stuk 18 verwerende partij).
Volgens de rechtbank is er in de periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2019 een rechtstreeks verband tussen de door eiseres verrichte diensten en de toegekende vergoedingen (tantièmes).
De rechtbank besluit dan ook dat eiseres haar bestuurdersprestaties in de hierboven genoemde periode onder bezwarende titel heeft verricht.
Inzake de opeisbaarheid van de btw op toegekende tantièmes
2.7.
Eiseres werpt op, indien de rechtbank zou oordelen dat zij de diensten 'onder bezwarende titel' heeft uitgevoerd, dat de btw over de tantièmes van BV H. opeisbaar zijn geworden op het tijdstip waarop beide partijen tot dezelfde btw-eenheid behoorden.
2.8.
Artikel 63 van de btw-richtlijn (2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006) bepaalt:
"Het belastbare feit vindt plaats en de belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de goederenleveringen of de diensten worden verricht."
Artikel 66 van de btw-richtlijn staat de lidstaten toe af te wijken "van de artikelen 63, 64 en 65 [en te] bepalen dat de belasting voor bepaalde handelingen of bepaalde categorieën belastingplichtigen op één van de volgende tijdstippen verschuldigd wordt:
a) uiterlijk bij de uitreiking van de factuur;
b) uiterlijk bij de ontvangst van de prijs;
c) wanneer de factuur niet of niet tijdig wordt uitgereikt, binnen een bepaalde termijn te rekenen vanaf de datum van het belastbaar feit."
2.9
Artikel 1, §12 W. BTW bepaalt wat onder belastbaar feit en onder de opeisbaarheid van de belasting wordt verstaan:
"V" "belastbare feit": het feit waardoor de wettelijke voorwaarden worden vervuld die vereist zijn voor het opeisbaar worden van de belasting;
2° "opeisbaarheid van de belasting": het recht dat de Schatkist heeft om krachtens de wet de belasting vanaf een bepaald tijdstip te vorderen van de persoon die de belasting moet voldoen, ook al kan de betaling daarvan worden uitgesteld."
2.10.
De rechtbank merkt op dat voor diensten het belastbare feit plaats vindt en de btw opeisbaar wordt op het tijdstip waarop de dienst is verricht (artikel 22, §1 W.BTW). Een dienst is verricht "wanneer deze is voltooid, wanneer de dienstverrichter de essentiële verplichtingen die normaal op hem rusten door de met de afnemer van de dienst gesloten overeenkomst volledig en tot voldoening van deze laatste is nagekomen" (Circulaire 2019/C/65 van 9 juli 2019, nr. 98).
Overeenkomstig artikel 4, §1 KB nr. 1 moet de factuur worden uitgereikt of opgesteld uiterlijk de 15de dag van de maand na die waarin het belastbare feit van de belasting heeft plaatsgevonden overeenkomstig de artikelen 16 en 22 W. BTW.
2.11.
In afwijking van artikel 22 W.BTW wordt voor diensten (andere dan intracommunautaire diensten) de belasting opeisbaar over het gefactureerde bedrag op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt, ongeacht of de uitreiking plaatsvindt vóór of na het tijdstip waarop de dienst is verricht. De belasting wordt in elk geval opeisbaar op de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden wanneer geen factuur werd uitgereikt vóór deze datum. Wanneer de prijs of een deel ervan wordt ontvangen vóór het tijdstip waarop de dienst is verricht, wordt de belasting evenwel opeisbaar over het ontvangen bedrag, op het tijdstip waarop de betaling werd ontvangen.
Het uitreiken van een factuur (met als uiterste datum de vijftiende dag van de maand die volgt op de maand waarin de dienst wordt verricht) of de ontvangst van een betaling van een nog niet gefactureerd bedrag vóór het tijdstip waarop de dienst wordt verricht, maken de btw dus opeisbaar over het gefactureerde of ontvangen bedrag (Circulaire 2019/C/65 van 9 juli 2019, nr. 98).
2.12.
De rechtbank stelt vast dat verweerster zich beroept op de administratieve beslissing nr. E.T. 127.850 waarin een afwijkende regel is opgenomen waarbij de btw opeisbaar is op datum van de algemene vergadering. Dit betreft een administratieve tolerantie in het geval het tijdstip van opeisbaarheid van de btw verschoven wordt naar een later tijdstip omdat het bedrag nog niet eerder is gekend. In het geval van tantièmes is dit op de datum waarop het boekjaar wordt afgesloten en dit ongeacht de eerdere datum waarop de factuur wordt uitgereikt of waarop de tantièmes worden betaald. Voor tantièmes moet immers worden gewacht op de vaststelling van het resultaat.
2.13.
De rechtbank is van oordeel dat verweerster het tijdstip van de opeisbaarheid van een dienst niet kan interpreteren, of geen bijkomende voorwaarde kan opleggen, in strijd met de Europese en Belgische wetgeving op het vlak van de btw.
De bijzondere opeisbaarheidsregels die verweerster in het voorliggende geschil hanteert gaan in tegen de Europese en wettelijke bepalingen die zijn bepaald voor de opeisbaarheid van de btw.
2.14.
De rechtbank stelt vast dat in het voorliggende geschil de tantièmes over de boekjaren per 30/09/2017 en 30/09/2018 pas in september werden gefactureerd en betaald. De tantièmes betreffende boekjaar per 30/09/2017 werden gefactureerd op 21/09/2020 voor een bedrag van 207.006,88 EUR en de tantièmes betreffende boekjaar per 30/09/2018 werden gefactureerd op 22/09/2020 voor een bedrag van 340.525,34 EUR (stukken 29 en 30 verwerende partij).
Het tijdstip van de opeisbaarheid van de btw inzake de tantièmes is dan ook de datum waarop de facturen aan BV H. werden uitgereikt, met name op respectievelijk 21 en 22 september 2020.
2.15.
Verder stelt de rechtbank vast dat op 1 september 2020 eiseres is toegetreden tot de btw-eenheid V.D.B.C. VAT Group (BE…).
Naast eiseres maken BV H. en NV V.D.B.C. nv (BE…) deel uit van deze btw-eenheid (stuk 4 verwerende partij).
Daar de tantièmes werden gefactureerd na de oprichting van de btw-eenheid en ook de betaling hiervan gebeurde na de inwerkingtreding, is de btw over de tantièmes in principe opeisbaar op het ogenblik dat eiseres en de BV H. lid waren van dezelfde btw-eenheid.
Inzake het fiscaal misbruik (artikel 1, §10 W.BTW)
2.16.
Eiseres werpt op dat de zienswijze van verweerster omtrent het tijdstip waarop de facturen zijn uitgereikt, er op neerkomt dat eiseres de facto zou moeten kiezen voor de meest belaste weg, wat niet de bedoeling is geweest bij het invoeren van de anti-misbruikbepaling.
2.17.
Artikel 1, §10 W.BTW luidt:
“Voor de toepassing van dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan is er sprake van misbruik wanneer de verrichte handelingen resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de doelstelling beoogd in dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel hebben.”
2.18.
Misbruik is aanwezig warneer de volgende twee voorwaarden vervuld zijn :
- ten eerste moeten de betrokken handelingen, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden die worden opgelegd door de desbetreffende bepalingen van de Zesde richtlijn en de nationale wettelijke regeling tot omzetting van deze richtlijn, ertoe leiden dat in strijd met het door deze bepalingen beoogde doel een belastingvoordeel wordt toegekend;
- ten tweede moet uit een geheel van objectieve factoren blijken dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen. Het verbod van onrechtmatige praktijken geldt immers niet wanneer er voor de betrokken economische activiteit een andere verklaring bestaat dan de loutere verkrijging van belastingvoordelen.
Twee voorwaarden zijn dus vereist om te kunnen vaststellen of er op vlak van de btw sprake is van (fiscaal) misbruik :
1° de bedoelde handeling genereert een belastingvoordeel in strijd met de doelstellingen van de btw-wetgeving en;
2° dit onwettelijke voordeel is het wezenlijke doel van de transactie.
2.19.
De rechtbank heeft hierboven gesteld dat de tantièmes werden gefactureerd na de oprichting van de btw-eenheid en dat ook de betaling hiervan gebeurde na de inwerkingtreding, zodat de btw over de tantièmes dan in principe opeisbaar is op het ogenblik dat eiseres en de BV H. lid waren van dezelfde btw-eenheid.
2.20.
De rechtbank stelt verder vast dat de data van de uitgaande facturen 2020006 en 2020007 (stukken 29 en 30 verwerende partij) niet verwijzen naar de dienstverleningsovereenkomst van 1 mei 2017 afgesloten tussen eiseres en BV H.. Contractueel zijn partijen immers overeengekomen dat de vergoeding van eiseres jaarlijks of op jaarlijkse basis zal worden afgerekend (artikel 4 van de dienstverleningsovereenkomst). Dit betekent dat er jaarlijks (en dus periodiek) een afrekening dient te gebeuren. Het belastbare feit vindt dus jaarlijks of op jaarlijkse basis plaats en de btw wordt in ieder geval opeisbaar uiterlijk de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit plaatsvond.
Het is een loutere bewering van eiseres dat de BV H. pas in september 2020 overgegaan is tot betaling van de uitgekeerde tantièmes omdat er geen beschikbare financiële middelen waren. Hiervan ligt zelfs geen begin van bewijs voor.
2.21.
De rechtbank is van oordeel dat de datum van toekenning en de datum van betaling dan ook kunstmatig door eiseres in het leven werd geroepen. Zij heeft de initiële datum van opeisbaarheid kunstmatig verschoven waarbij een belastingvoordeel in strijd met de doelstellingen van de btw-wetgeving werd gecreëerd. Het is niet toevallig dat de opeisbaarheid van de btw werd
verschoven na 1 september 2020, met name na de oprichting van de btw-eenheid. De tantièmes werden immers gefactureerd na de oprichting van de btw-eenheid en ook de betaling hiervan gebeurde na de inwerkingtreding hiervan. De tantièmes werden laattijdig gefactureerd zonder btw als interne handelingen binnen de btw-eenheid V.D.B.C., zijnde na de oprichting ervan op 1 september 2020. Op het bedrag van de tantièmes werd dan ook onterecht het btw-tarief van 0% toegepast.
Voor de rechtbank is het duidelijk dat eiseres op deze wijze een onwettelijk voordeel heeft gerealiseerd, dat het wezenlijke doel is van deze transacties, met name door te bewerkstelligen dat de tantièmes die betrekking hebben op twee boekjaren achtereenvolgens werden gefactureerd en dit pas een tweetal jaren nadat de beslissing tot toekenning ervan werd genomen door BV H..
2.22.
De rechtbank besluit, op basis van de hierboven gemaakte vaststellingen en overwegingen, dat deze constructie werd opgezet zodat haar verbonden vennootschap (BV H.) geen 21% btw diende te betalen op het bedrag van de toegekende tantièmes, die BV H. niet in aftrek kon brengen.
Gelet op het feit dat deze werkwijze niet beantwoordt aan enige economische realiteit en duidelijk was ingegeven door fiscale motieven, was het verkrijgen van een fiscaal voordeel de voornaamste reden om te wachten met factureren en, overeenkomstig de afwijkende opeisbaarheidsregels voor tantièmes, aldus laattijdig te factureren.
Verweerster heeft dan ook terecht geoordeeld dat de datum van opeisbaarheid van de btw niet de effectieve datum van uitreiking van de facturen met nummer 2020006 en 2020007 in september kan zijn.
Overeenkomstig artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 en van de bijlage bij dit besluit, moest de btw over het bedrag van de uitgekeerde tantièmes geheven worden tegen het normale btw-tarief van 21 %.
Voor de rechtbank is het geloofwaardig dat de tantième voor een bedrag van 361.210,95 EUR opeisbaar is op een tijdstip na 1 september 2020.
De algemene jaarvergadering betreffende het boekjaar afgesloten per 30 september 2019 vond plaats op 26 maart 2020 en de btw-eenheid werd opgericht op 1 september 2020 zodat het niet ongeloofwaardig is, en niet onredelijk, om te veronderstellen dat deze tantième op een later tijdstip zal worden gefactureerd zonder hierop btw aan te rekenen (indien de btw-eenheid dan nog zou bestaan). Vermits er nog geen factuur - deze tantième werd noch gefactureerd noch betaald - werd opgemaakt is de btw in principe nog niet opeisbaar en diende deze nog niet te worden opgenomen in de btw-aangifte van eiseres. Verweerster heeft dan ook onterecht de btw in verband met de aangegeven omzet voor een bedrag van 75.854,30 EUR (alsook een geldboete van 20%) opgenomen in het proces-verbaal van regularisatie van btw van 16 september 2021 (stuk 8 verwerende partij).
De verschuldigde btw op de tantième voor het boekjaar per 30/09/2019 voor een bedrag van 75.854,30 EUR, te vermeerderen met een geldboete van 20% zijn dan ook niet verschuldigd.
Inzake de proportionele geldboete
2.23.
Eiseres betwist de opgelegde proportionele geldboete voor een bedrag van 26.670,00 EUR omdat er volgens haar geen inbreuken op de btw-wetgeving zijn geweest zodat geen geldboete kan worden opgelegd.
Volgens vaststaande rechtspraak van het EHRM en het Hof van Cassatie, hebben boetes op basis van artikel 70 W.BTW een strafrechtelijk karakter zodat de rechter niet alleen de wettelijkheid maar ook de evenredigheid ervan kan beoordelen.
In ondergeschikte orde vraagt eiseres de opgelegde proportionele geldboete te verminderen, minstens een uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan.
2.24.
Overeenkomstig de artikelen 70, §1 en §1bis W.BTW werden geldboeten opgelegd gelijk aan het dubbel van de belasting. De geldboeten werden verminderd op grond van artikel 1, eerste lid van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde juncto tabel H en G van de bijlage bij dat besluit.
2.25.
De rechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controleren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dat controlerecht biedt de rechter de mogelijkheid om, met in aanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke zaken. Dit controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 18 april 2013, F.11.0142.F, www.cass.be).
Gelet op de volle rechtsmacht die deze rechtbank heeft inzake administratieve boetes die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, is deze rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om de opgelegde geldboete te verminderen of zelfs kwijt te schelden. Artikel 70 W.BTW moet in grondwettelijke zin worden geïnterpreteerd (zie ook GwH 15 mei 2008, nr. 79/2008).
2.26.
De rechtbank stelt vast dat de proportionele geldboete voor een bedrag van 11.498,18 EUR en 8,15 EUR (de geldboete voor een bedrag van 15.170,86 EUR is niet verschuldigd zoals reeds bepaald hoger genoemd in randnummer 2.22.) reeds werden verminderd tot 10%.
2.27.
De rechtbank is van oordeel dat de verminderde proportionele geldboete van 10% wel degelijk redelijk is en in verhouding staat met de vastgestelde btw-overtreding en met het doel van de administratieve geldboete. Deze werd bovendien in feite en in rechte verantwoord.
Zelfs indien de wet zou voorzien in de mogelijkheid om de geldboete met uitstel op te leggen, dan nog zijn er volgens de rechtbank geen redenen om dit uitstel te verlenen. Alleen een werkelijke sanctie, boete aan 10%, kan het gewenste doel bereiken.
Besluit
2.28.
De rechtbank besluit dat de btw in verband met de aangegeven omzet voor een bedrag van 75.854,30 EUR, alsook een geldboete van 20% voor een bedrag van 15.170,86 EUR onterecht werden opgenomen in het proces-verbaal van regularisatie van btw van 16 september 2021 (stuk 8 verwerende partij).
De verschuldigde btw op de tantième voor het boekjaar per 30/09/2019 voor een bedrag van 75.854,30 EUR, te vermeerderen met een geldboete van 15.170,86 EUR zijn dan ook niet verschuldigd.
Voor het overige wordt het proces-verbaal van regularisatie van btw van 16 september 2021 bevestigd.
Alle meeromvattende en strijdige argumenten worden verworpen als niet ter zake dienend.
De vordering van eiseres is gedeeltelijk gegrond.
V. GERECHTSKOSTEN – RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
1. De kosten omvatten in de voorliggende zaak onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).
In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.
2. Wanneer de partijen wederzijds lastens elkaar in het ongelijk werden gesteld, kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).
Gelet op de bovenstaande beoordeling, waarbij eiseres deels in het gelijk wordt gesteld en deels in het ongelijk, komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit dien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zullen zijn.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,
met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:
- alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen als niet ter zake dienend;
- de vordering van eiseres ontvankelijk en (deels) gegrond te verklaren in volgende mate:
* Dat de verschuldigde btw op de tantième voor het boekjaar per 30/09/2019 voor een bedrag van 75.854,30 EUR, te vermeerderen met een geldboete van 15.170,86 EUR niet verschuldigd zijn en niet dienen opgenomen te worden in de btw-schuld in artikelnummer 500.2463.97554;
* Voor het overige wordt het proces-verbaal van regularisatie van btw van 16 september 2021 bevestigd;
- de herberekening te bevelen van de bedragen opgenomen in het proces¬verbaal van 16 september 2021 rekening houdend met de hierboven vermelde elementen;
- voor het overige de herberekende btw-invordering met artikelnummer 500.2463.97554 te bevestigen;
- de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;
- de vordering van eiseres voor het overige ongegrond te verklaren;
- te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiseres te begroten op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 22,00 EUR en in hoofde van verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag 13 februari 2025, waar aanwezig waren :
- Thierry Loquet, rechter, voorzitter van deze kamer,
- Twiggy De Zutter, griffier.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.