Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep Antwerpen d.d. 26.06.2025 (2024/CO/1025)
Btw – btw-fraude – antidumping
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Hof van beroep Antwerpen
Arrest 2024/CO/1025
26.06.2025
Het EUROPEES OPENBAAR MINISTERIE
en de VERVOLGENDE PARTIJ:
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, KBO-nummer 0252.796.351 waarvan de burelen zijn gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op vervolging en benaarstiging van de Adviseur-Generaal Douane en Accijnzen van de regio Gent, woonst kiezend in zijn burelen te 9000 Gent, Sint Lievenslaan 27
vertegenwoordigd door mr. Liesbeth VAN DER STRATEN loco mr. Patrick VAN DER STRATEN, beiden advocaat bij de balie te Antwerpen,
Tegen:
1.cie1,
ON ...
met maatschappelijke zetel te, ...
Beklaagde, vertegenwoordigd door mr. FRANCKEN Klaas en door mr. DUJARDIN Tisha, beiden advocaat bij de balie provincie Antwerpen
2.cie2,
ON ...
met maatschappelijke zetel te, ...
Verwezene, vertegenwoordigd door mr. Jesse DE BRUYN en mr. Valentina VAN OPDENBOSCH, beiden advocaat bij de balie Brussel
3.L.N.,
RRN ...
geboren te ... op ...
wonende te ...
van de Belgische nationaliteit
gedelegeerd bestuurder van cie1
Beklaagde, aanwezig en bijgestaan door mr. FRANCKEN Klaas en mr. Tisha DUJARDIN, beiden advocaat bij de balie provincie Antwerpen
En inzake:
de BELGISCHE STAAT, de Federale Overheidsdienst Financiën, KBO-nummer 0308.357.159, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, IN NAAM VAN DE ADVISEUR-GENERAAL VAN DE ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE BIJZONDERE BELASTINGINSPECTIE, GEWESTELIJKE DIRECTIE BRUSSEL (HIERNA: AABBI), met kantoor gevestigd te 1030 Brussel, Koning Albert II laan 33, bus 49 en hebbende ais correspondentieadres: Gaston Crommenlaan 6 bus 806, 9050 Ledeberg.
Vrijwillig tussenkomende partij/ burgerlijke partij, vertegenwoordigd door mr. Liesbeth VAN DER STRATEN loco mr. Patrick VAN DER STRATEN, beiden advocaat bij de balie te Antwerpen,
1. Ten laste gelegde feiten
als dader, mededader, medeplichtige of belanghebbende
hetzij door het wanbedrijf uit te voeren, hetzij door aan de uitvoering rechtstreeks mede te werken, hetzij door welke daad ook, tot de uitvoering zodanige hulp te verlenen, dat het wanbedrijf zonder hun bijstand niet kon worden gepleegd, hetzij door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of macht, misdadige kuiperijen, of arglistigheden, rechtstreeks tot het misdrijf aan te zetten;
hetzij door onderrichtingen te geven om het misdrijf te plegen; hetzij door wapens, werktuigen of enig ander middel te verschaffen die tot het wanbedrijf hebben gediend, wetende dat zij daartoe zouden dienen; hetzij door met hun weten, de dader of daders van het wanbedrijf te helpen of bij te staan in de daden die het wanbedrijf hebben voorbereid, vergemakkelijkt of voltooid;
hetzij door op om het' even welke wijze als belanghebbende deel te nemen aan de fraude;
schuldig te hebben gemaakt aan:
FEIT 1
cie1 (eerste gedaagde), cie2 (tweede gedaagde), L.N. (derde gedaagde),
Meermaals, ..., en elders in het Rijk, tussen 21 januari 2019 en 28 april 2021, en terwijl de feiten de achtereenvolgende uiting uitmaken van hetzelfde misdadig opzet,
Met betrekking tot de 27 hierna vermelde aangiften voor het vrije verkeer die in België werden ingediend,
het bewust vermelden van incorrecte informatie en/of het verzwijgen van informatie die relevant is voor de berekening van de verschuldigdheden in de hieronder vermelde douaneaangiften bij invoer - waarbij het bewust indienen van een incorrecte douaneaangifte volledig gelijk te stellen is met het niet doen van de vereiste aangifte- onder meer door het vermelden van verkeerde benamingen en/of foutieve douanewaardes en/of door het ten onrechte niet vermelden van goederen met de bedoeling om de rechten van de Schatkist te ontduiken:
1.IM A 19BEI0000003205773 de dato 22/01/2019 te ...;
2.IM A 19BE10000005686062 de dato 05/02/2019 te ...;
3.IM A 198E10000006662575 de dato 11/02/2019 te ...;
4.IM A 19BEI0000008892824 de dato 25/02/2019 te ...;
5.IM A 198E10000012705323 de dato 18/03/2019 te ...;
6.IM A 19BE10000015402953 de dato 02/04/2019 te ...;
7.IM A 19BEI0000017975040 de dato 16/04/2019 te ...;
8.IM A 19BEI0000019763489 de dato 26/04/2019 te ...;
9.IM A 19BEI0000024361056 de dato 23/05/2019 te ...;
10.IM A 19BEI0000025822961 de dato 03/06/2019 te ...;
11.IM A 19BEI000003026701 Ode dato 27/06/2019 te ...;
12.IM A 198E10000033011066 de dato 12/07/2019 te ...;
13.IM A 19BEI0000043082517 de dato 12/09/2019 te ...;
14.IM A 20BEI0000010241335 de dato 02/03/2020 te ...;
15.IM A 20BE10000012428293 de dato 13/03/2020 te ...;
16.IM A 20BEI0000017029440 de dato 17/04/2020 te ...;
17.IM A 208E10000029315929 de dato 09/07/2020 te ...;
18.IM A 20BE10000052470693 de dato 26/11/2020 te ...;
19.IM A 20BE10000052984413 de dato 30/11/2020 te ...;
20.1M A 208E10000053559601 de dato 02/12/2020 te ...;
21.IM A 20BEI0000055432803 de dato 11/12/2020 te ...;
22.IM A 21BE10000001672502 de dato 11/01/2021 te ...;
23.IM A 21BEI0000004701870 de dato 21/01/2021 te ...;
24.IM A 21BE10000006370627 de dato 26/01/2021 te ...;
25.IM A 21BE10000009899495 de dato 05/02/2021 te ...;
26.IM A 218E10000034586636 de dato 22/04/2021 te ...;
27.IM A 21BE10000035935251 de dato 27/04/2021 te ....
Onder meer:
door het vermelden van verkeerde benamingen/goederencodes in de douaneaangiften, waarbij invoerrechten, antidumpingrechten en compenserende rechten werden ontdoken door de invoergoederen aan te geven als "afzonderlijke" fietsonderdelen die niet getroffen worden door antidumpingrechten en
compenserende rechten terwijl in werkelijkheid volledige elektrische fietsen van Chinese oorsprong werden ingevoerd, die aan een hoger invoerrecht zijn onderworpen en die bovendien ook aan antidumpingrechten en compenserende rechten zijn onderworpen, waarbij bovendien een volledig kunstmatige vorm werd gegeven aan de invoertransacties waarbij de ingevoerde goederen werden verdeeld over verschillende zendingen en werden aangegeven met verschillende douaneaangiftes op een manier die als enig doel had om voor de douaneautoriteiten te verhullen dat in werkelijkheid volledige elektrische fietsen werden ingevoerd en dat dus een hoger bedrag aan rechten verschuldigd was;
door het bewust vermelden van slechts 362 stuks "SKD frames" in de aangifte IMA 21BE10000004701870 (aangifte naast rangnummer 23 in voorstaande lijst) die betrekking had op de goederen binnengebracht in het EU-douanegebied in container HLBU1494319 terwijl een latere douanecontrole heeft uitgewezen dat zich 100 SKD frames méér in die container bevonden en die 100 niet-aangegeven SKD-frames bijgevolg sluiks werden ingevoerd waardoor invoerrechten, antidumpingrechten en compenserende rechten werden ontdoken;
door de niet-aangifte van een deel van de goederen bij invoer aanwezig in de container/zending waarvoor invoeraangifte IMA20BEI000000 12428293 werd ingediend.
door de aangifte van een te lage douanewaarde, door het ten onrechte niet opnemen van de transportkosten in de aangegeven douanewaarde, bij de aangifte voor het vrije verkeer van de goederen die het voorwerp uitmaken van de aangiften IMA 19BEI0000006662575, IMA 20BEI0000055432803 en IMA21 BEI0000006370627
Door het indienen van de incorrecte douaneaangiften zoals hiervoor beschreven werden de financiële belangen van de Europese Unie ernstig geschaad.
FEIT 2
cie1 (eerste gedaagde), cie2 (tweede gedaagde), L.N. (derde gedaagde),
Meermaals, ..., en elders in het Rijk, tussen 21 januari 2019 en 28 april 2021, en terwijl de feiten de achtereenvolgende uiting uitmaken van hetzelfde misdadig opzet,
Het overleggen of doen overleggen van valse, misleidende of onjuiste documenten met het opzet de douane te bedriegen, zijnde onder meer, doch niet beperkt tot, de hiernavolgende documenten, dewelke vals en misleidend zijn omdat zij de indruk wekken dat onderdelen van elektrische fietsen worden ingevoerd, terwijl er in werkelijkheid volledige elektrische fietsen worden ingevoerd, opgesplitst over verschillende aangiftes, met de bedoeling te verhullen dat het invoer van volledige elektrische fietsen betreft en op die manier de antidumpingrechten te ontwijken:
Meer bepaald, het overleggen of doen overleggen van de hiernavolgende aangiften, facturen en andere bijhorende documenten, aangezien de ware aard van de goederen en het werkelijke bedrag van de hierop verschuldigde belastingen verdoezeld werden met het oog op het bedriegen van de douane;
1.Aangifte 19BEI0000003205773 de dato 22/01/2019 met de bijhorende factuur van de firma cie3 MF180925-1,
2.Aangifte 19BEI0000005686062 de dato 05/02/2019 met de bijhorende facturen van de firma cie4 MF180925-2 en cie4 MF180925-3,
3.Aangifte 19BEI0000006662575 de dato 11/02/2019 met de bijhorende factuur van de firma cie4 MF181005-1,
4.Aangifte IM A 19BEI0000008892824 de dato 25/02/2019 met de bijhorende factuur van de firma cie4 MF181005-2,
5.Aangifte IM A 19BEI00000012705323 de dato 18/03/2019 met de bijhorende factuur van de firma cie3 MF181005-3,
6.Aangifte IM A 19BEI0000015402953 de dato 02/04/2019 met de bijhorende factuur van de firma cie4 MF181022-1,
7.Aangifte IM A 19BEI0000017975040 de dato 16/04/2019 met de bijhorende factuur van de firma cie3 MF181022-2,
8.Aangifte IM A 19BEI0000019763489 de dato 26/04/2019 met de bijhorende factuur van de firma cie3 MF181022-3,
9.Aangifte IM A 19BEI0000024361056 de dato 23/05/2019 met de bijhorende factuur van de firma cie4 MF181022-3 MF181113-1,
10.Aangifte IM A 19BEI0000025822961 de dato 03x06/2019 met de bijhorende factuur van de firma cie3 MF181102-1 MF181113-2,
11.Aangifte IM A 19BEI0000030267010 de dato 27/06/2019 met de bijhorende factuur van de firma cie3 MF181102-2 MF190216-1,
12.Aangifte IM A 19BEI0000033011066 de dato 12/07/2019 met de bijhorende factuur van de firma cie4 MF181113 M F190216,
13.Aangifte IM A 19BEI0000043082517 de dato 12/09/2019 met de bijhorende factuur van de firma cie4 MF181113-1 MF190216-1,
14.Aangifte IM A 20BEI0000010241335 de dato 02/03,/2020 met de bijhorende factuur van de firma cie3 MF191014-1,
15.Aangifte IM A 20BEI0000012428293 de dato 13/03/2020 met de bijhorende factuur van de firma cie4 MF191014-2,
16.Aangifte IM A 20BEI0000017029440 de dato 17/04/2020 met de bijhorende factuur van de firma cie4 MF191014-3,
17.Aangifte IM A 20BE10000029315929 de dato 09/07/2020 met de bijhorende factuur van de firma cie4 MF191014-4,
18.Aangifte IM A 20BE10000052470693 de dato 26/11/2020 met de bijhorende factuur van de firma cie3 MF20200611-1,
19.Aangifte IM A 20BEI0000052984413 de dato 30/11/2020 met de bijhorende factuur van de firma cie4 MF20200611-2,
20.Aangifte IM A 20BEI0000053559601 de dato 02/12/2020 met de bijhorende factuur van de firma cie3 MF20200611-3,
21.Aangifte IM A 20BEI0000055432803 de dato 11/12/2020 met de bijhorende factuur van de firma cie4 MF20200611-4,
22.Aangifte IM A 21BEI0000001672502 de dato 11/01/2021 met de bijhorende factuur van de firma cie4 MF20200611-6,
23.Aangifte IM A 21 BEI0000004701870 de dato 21/01/2021 met de bijhorende factuur van de firma cie4 MF20200611-5,
24.Aangifte IM A 21BEI0000006370627 de dato 26/01/2021 met de bijhorende factuur van de firma cie4 MF20200611-7,
25.Aangifte IM A 21 BEI0000009899495 de dato 05/02/2021 met de bijhorende factuur van de firma cie3 MF20200611-8,
26.Aangifte IM A 21 BE10000034586636 de dato 22/04/2021 met de bijhorende factuur van de firma cie3 MF20200611-9,
27.Aangifte IM A 21 BEI0000035935251 de dato 27/04,/2021 met de bijhorende factuur van de firma cie3 MF20200611-1
FEIT 3
cie1 (eerste gedaagde), L.N. {derde gedaagde),
Met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van het Wetboek
van de BTW of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten te hebben overtreden,
met de omstandigheid dat de inbreuk gepleegd werd in het raam van ernstige fiscale fraude,
al dan niet georganiseerd.
(art. 73 lid 1 en 2 Wetboek van de BTW)
namelijk met het bedrieglijk oogmerk om de BTW op de antidumping-, compenserende en invoerrechten te ontduiken, onjuiste aangiften en onderliggende documenten te hebben voorgelegd of laten voorleggen aan de AADA, aangiften en facturen dewelke vals en misleidend zijn omdat zij de indruk wekken dat onderdelen van elektrische fietsen worden ingevoerd, terwijl er in werkelijkheid volledig elektrische fietsen worden ingevoerd, opgesplitst over verschillende aangiftes, met de bedoeling op bedrieglijke wijze te verhullen dat het invoer van volledige elektrische fietsen betreft en op die manier de voornoemde rechten te ontwijken en derhalve de BTW verschuldigd op de voornoemde rechten;
feiten beter omschreven in het PV van de AABBI, Directie Brussel, Inspectie 3, dd. 24 februari 2023,
1 ... 22 januari 2019 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte 19BEI0000003205773, met bijbehorend de factuur van de firma cie3 MF180925-1, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
2 ... 5 februari 2019 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte 19BEI0000005686062, met bijhorend de facturen van de firma cie4 MF180925-2 en cie4 MF180925-3, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
3 ... 11 februari 2019 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte 19BEI0000006662575, met bijhorend de factuur van de firma cie4 MF181005-1, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
4 ... 25 februari 2019 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 19BEI0000008892824, met bijhorend de factuur van de firma cie4 cie4 MF181005-2, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
5 ... 18 maart 2019 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 19BEI00000012705323, met bijhorend de factuur van de firma cie3 MF181005-3, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
6 ... 2 april 2019 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 19BEI0000015402953, met bijhorend de factuur van de firma cie4 MF181022-1, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
7 ... 16 april 2019 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 19BEI0000017975040, met bijhorend de factuur van de firma cie3 MF181022-2, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
8 ... 26 april 2019 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 19BEI0000019763489, met bijhorend de factuur van de firma cie3 MF181022-3, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
9 ... 23 mei 2019 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 19BEI0000024361056, met bijhorend de factuur van de firma cie4 MF181022-3 MF181113-1, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
10 ... 3 juni 2019 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 19BEI0000025822961, met bijhorend de factuur van de firma cie3 MF181102-1 MF181113-2, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
11 ... 27 juni 2019 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 19BEI0000030267010, met bijhorend de factuur van de firma cie3 MF181102-2 MF190216-1, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
12 ... 12 juli 2019 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 19BEI0000033011066, met bijhorend de factuur van de firma cie4 MF181113 MF190216, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
13 ... 12 september 2019 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 19BE10000043082517, met bijhorend de factuur van de firma cie4 MF181113-1 MF190216-1, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
14 ... 2 maart 2020 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 20BEI0000010241335, met bijhorend de factuur van de firma cie3 MF191014-1, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
15 ... 13 maart 2020 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 20BEI0000012428293, met bijhorend de factuur van de firma cie4 MF191014-2, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
16 ... 17 april 2020 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 20BEI0000017029440, met bijhorend de factuur van de firma cie4 MF191014-3, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
17 ... 9 juli 2020 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 20BEI0000029315929, met bijhorend de factuur van de firma cie4 MF191014-4, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
18 ... 26 november 2020 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 20BEI0000052470693, met bijhorend de factuur van de firma cie3 MF20200611-1, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
19 ... 30 november 2020 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 208E10000052984413, met bijhorend de factuur van de firma cie4 MF20200611-2, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
20 ... 2 december 2020 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 20BEI0000053559601, met bijhorend de factuur van de firma cie3 MF20200611-3, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
21 ... 11 december 2020 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 20BE10000055432803, met bijhorend de factuur van de firma cie4 MF20200611-4, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
22 ... 11 januari 2021 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 21 BEI0000001672502, met bijhorend de factuur van de firma cie4 MF20200611-6, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
23 ... 21 januari 2021 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 21 BEI0000004701870, met bijhorend de factuur van de firma cie4 MF20200611-5, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
24 ... 26 januari 2021 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 21 BEI0000006370627, met bijhorend de factuur van de firma cie4 MF20200611-7, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
25 ... 5 februari 2021 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 21 BEI0000009899495, met bijhorend de factuur van de firma cie3 MF20200611-8, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
26 ... 22 april 2021 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 21 BEI0000034586636, met bijhorend de factuur van de firma cie3 MF20200611-9, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
27 ... 27 april 2021 opdracht te hebben gegeven tot of de aangifte IM A 21 BEI0000035935251, met bijhorend de factuur van de firma cie3 MF20200611-1, te hebben gedaan teneinde de goederen in het vrije verkeer te brengen,
III. Goederen en belastingen
III. A Belastingen
VOOR FEITEN 1 EN 2
Ingevolge de onder "Feit 1" en "Feit 2" omschreven tenlasteleggingen werd een bedrag van 2.948.742,65 euro aan "Eigen middelen van de Europese Unie" (de douaneschuld) ontdoken dat als volgt is opgesplitst :
| TOTAAL VERSCHULDIGDE RECHTEN | |
| Antidumpingrechten (62, 1%) | 2.235.067,08 EUR |
| Compenserende rechten (17,2 %) | 619.052,40 EUR |
| Invoerrechten (6%) | 94.623,17 EUR |
| TOTAAL VERSCHULDIGDE RECHTEN | 2.948.742,65 EUR |
De betreffende douaneschuld werd geregistreerd in de schuldendatabank van de AA D&A onder registratienummer D26460/22.
2. Bestreden beslissing
2.1. Er werd hoger beroep ingesteld op:
11 juli 2024 door de vervolgende partij (administratie der douane en accijnzen) tegen alle beschikkingen op burgerlijk gebied lastens cie2,
24 juli 2024 door beklaagde cie1 tegen alle beschikkingen,
24 juli 2024 door beklaagde L.N. tegen alle beschikkingen,
26 juli 2024 door het Europees Openbaar Ministerie t.a.v. beklaagden cie1 en L.N. tegen alle beschikkingen op strafgebied,
26 juli 2024 door de burgerlijke partij FOD FINANCIEN (AABBI) tegen alle beschikkingen op burgerlijk gebied lastens cie1
2.2. Er werd een verzoekschrift in de zin van art. 204 van het Wetboek van Strafvordering ingediend op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen op:
11 juli 2024 door de vervolgende partij (administratie der douane en accijnzen) t.a.v.
cie2,
24 juli 2024 door beklaagde cie1,
24 juli 2024 door beklaagde L.N.,
26 juli 2024 door het Europees Openbaar Ministerie t.a.v. beklaagden cie1 en L.N.,
26 juli 2024 door de burgerlijke partij FOD FINANCIEN (AABBI) t.a.v. cie1
2.3. tegen het vonnis, op tegenspraak gewezen op 28 juni 2024 door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, AC5 kamer (3 rechters), waarbij beslist werd als volgt:
Op strafgebied
Ten aanzien van Naamloze vennootschap cie1, eerste beklaagde
Veroordeelt eerste beklaagde cie1 voor de vermengde feiten 1, 2 en 3:
- tot een geldboete van 13.636.824,70 euro, zijnde vijfmaal de ontdoken rechten
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de boete voor een termijn van 3 jaar, doch slechts voor een gedeelte van 11.636.824,70 EUR.
Veroordeelt Naamloze vennootschap cie1 tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 58,90 EUR
de kosten van de strafvordering en begroot deze in hoofde van beklaagde voor de Federale Overheidsdienst Financiën tot op heden begroot op 1/3 x 64,65 = 21,55 EUR en voor de openbare partij tot op heden begroot op 0 euro.
Ten aanzien van Naamloze vennootschap cie2, tweede beklaagde
Spreekt Naamloze vennootschap cie2 voor de feiten 1, 2 en 3 vrij en stelt haar buiten zake zonder kosten.
Ten aanzien van L.N., derde beklaagde
Veroordeelt L.N. voor de vermengde feiten 1, 2 en 3:
tot een gevangenisstraf van 12 maanden en tot een geldboete van 13.636.824,70 euro, zijnde vijfmaal de ontdoken rechten.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de gevangenisstraf voor een termijn van 5 jaar en wat betreft de boete voor een termijn van 3 jaar, doch slechts voor een gedeelte van 13.386.824,70 EUR.
Veroordeelt L.N. tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 58,90 EUR
de kosten van de strafvordering en begroot deze in hoofde van beklaagde voor de Federale Overheidsdienst Financiën tot op heden begroot op 1/3 x 64,65 = 21,55 EUR en voor de openbare partij tot op heden begroot op 0 euro.
Verklaart verbeurd in hoofde van eerste en derde beklaagde de in het geding zijnde goederen dan wel de geborgde gelden die in de plaats gekomen zijn.
OP BURGERLIJK GEBIED
Veroordeelt cie1 en L.N. hoofdelijk tot betaling aan de Belgische staat van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen, begroot op de douanewaarde van 3.599.141,84 euro, bij niet wederoverlegging van de verbeurdverklaarde goederen of de in de plaats gestelde geldsommen aan de Belgische staat.
Veroordeelt cie1 en L.N. hoofdelijk tot betaling aan de Belgische Staat van:
79.051,46 euro, zijnde de ontdoken invoerrechten bij de vermelde aangiften;
2.073.899,96 euro zijnde de ontdoken antidumpingrechten bij de vermelde aangiften;
574.413,52 euro, zijnde de ontdoken compenserende rechten bij de vermelde aangiften;
verhoogd met de verschuldigde nalatigheidsintresten bepaald overeenkomstig artikel 114 van het douanewetboek van de Unie op de ontdoken invoerrechten, antidumpingrechten en compenserende rechten vanaf het ontstaan van de douaneschuld, zijnde de datum van de respectievelijke aangiften, tot de dag van de effectieve betaling van de verschuldigdheden.
Bevestigt in hoofde van cie1 de geldigheid van de uitvoerbare titel, gekend onder het schuldnummer 5002/6704/3396, bevattende de fiscale schuldvordering ten belope van het bedrag van 570.638,44 euro en beveelt de betaling ervan.
Houdt de overige burgerlijke belangen ambtshalve aan.
3. Rechtspleging voor het hof
1.De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 3 april 2025. Het hof heeft hierbij gehoord:
De vrijwillig tussenkomende partij BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, in naam van de adviseur-generaal van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie (partij hierna ook aangeduid als 'AABBI') in zijn middelen en vordering voorgedragen door zijn voormelde advocaat;
Eisende partij BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, op vervolging en benaarstiging van de adviseur-generaal Douane en Accijnzen van de regio Gent (hierna ook aangeduid als 'douaneadministratie') in zijn middelen en vordering voorgedragen door zijn voormelde advocaat;
Het Europees openbaar ministerie in zijn vordering;
Beklaagde cie1 in zijn middelen van verdediging voorgedragen door zijn voormelde advocaten;
Gedaagde cie2 in zijn middelen van verdediging voorgedragen door zijn voormelde advocaat;
Beklaagde L.N. in zijn middelen van verdediging voorgedragen door beklaagde zelf en door zijn voormelde advocaten;
2.De in de processtukken aanwezige conclusies en stukken werden regelmatig neergelegd en in het beraad betrokken. Geen enkele procespartij formuleert op dit punt enige kritiek of werpt desbetreffend een bezwaar op.
4. Beoordeling
4.1. Ontvankelijkheid van de rechtsmiddelen — grieven
3.Het hoger beroep van beklaagde cie1 tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis van 28 juni 2024 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, is ontvankelijk.
Bij regelmatig verzoekschrift van 24 juli 2024, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, voert beklaagde gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrieven aan, namelijk met betrekking tot :de procedure, waarbij wordt verwezen naar de voorgehouden niet-ontvankelijkheid van de stafvordering en de schending van de redelijke termijn
de schuld van beklaagde aan de hem ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3.
de strafmaat
de burgerlijke (fiscale) vordering zowel van de douaneadministratie als eisende partij en de vrijwillig tussenkomende partij AABBI
de rubriek 'andere', waarbij wordt verwezen naar de gevraagde vrijspraak waardoor beklaagde niet kan worden veroordeeld tot de gerechtskosten en bijdragen.
4.Het hoger beroep van beklaagde L.N. tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis van 28 juni 2024 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, is ontvankelijk.
Bij regelmatig verzoekschrift van 24 juli 2024, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, voert beklaagde gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrieven aan, namelijk met betrekking tot
De procedure, waarbij wordt verwezen naar de voorgehouden niet-ontvankelijkheid van de stafvordering en de schending van de redelijke termijn
De schuld van beklaagde aan de hem ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3.
de strafmaat
de burgerlijke (fiscale) vordering van de eisende partij
de rubriek 'andere', waarbij wordt verwezen naar de gevraagde vrijspraak waardoor beklaagde niet kan worden veroordeeld tot de gerechtskosten en bijdragen.
5.Het incidenteel beroep ingesteld door vrijwillig tussenkomende partij BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, AABBI ten opzichte van cie1 bij aan het hof overgelegde conclusie, is ontvankelijk.
6.Het hoger beroep van de eisende partij BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, op vervolging en benaarstiging van de adviseur-generaal Douane en Accijnzen van de regio Gent tegen alle beschikkingen op burgerlijk gebied lastens cie2 van het bestreden vonnis van 28 juni 2024 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, is ontvankelijk.
Bij regelmatig verzoekschrift van 11 juli 2024, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, voert de eisende partij een gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrief aan, namelijk met betrekking tot de burgerlijke (fiscale) vordering.
7.Het incidenteel beroep ingesteld door eisende partij BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, op vervolging en benaarstiging van de adviseur-generaal Douane en Accijnzen van de regio Gent ten opzichte van cie1 en L.N. bij aan het hof overgelegde conclusie, is ontvankelijk.
8.Het hoger beroep van het Europees openbaar ministerie ten opzichte van beklaagden cie1 en L.N. tegen alle beschikkingen op strafgebied van het bestreden vonnis van 28 juni 2024 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, is ontvankelijk.
Bij regelmatig verzoekschrift van 26 juli 2024, tijdig ingediend op de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, voert het Europees openbaar ministerie een gepreciseerde en voldoende nauwkeurige beroepsgrief aan, namelijk met betrekking tot de aan beklaagden cie1 en L.N. opgelegde bestraffing.
4.2. Beoordeling ten gronde
4.2.1 Omvang van de beoordeling ten gronde
9.Aan de beoordeling van het hof ligt voor :
het beoordelen van de ontvankelijkheid van de strafvordering in hoofde van beklaagden cie1 en L.N. en van de tegen hen ingestelde burgerlijke vorderingen, beroepsgrief van cie1 en L.N.,
het bepalen van de schuld van beklaagden cie1 en L.N. aan de hen ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3, beroepsgrief van deze beklaagden,
het bepalen van de eventuele straf in hoofde van beklaagden cie1 en L.N., beroepsgrief van beklaagden cie1 en L.N. en van het Europees openbaar ministerie
het beoordelen van de fiscale vordering van de eisende partij inzake douanerechten ten opzichte van cie1 en L.N. beroepsgrief van deze beklaagden en voorwerp van incidenteel beroep van eisende partij en ten opzichte van cie2, beroepsgrief van de eisende partij
het beoordelen van de fiscale vordering van de vrijwillig tussenkomende partij inzake btw ten opzichte van cie1, beroepsgrief van deze beklaagde en voorwerp van incidenteel beroep van de vrijwillig tussenkomende partij.
Ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep in samenhang met de effecten van het vigerend grievenstelsel, staat de vrijspraak van cie2 inzake de feiten van de tenlasteleggingen 1 en 2 vast zoals door de eerste rechter beslist
10.Het hof heeft ambtshalve geen grieven van openbare orde opgeworpen zoals bedoeld in artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
4.2.2 Ontvankelijkheid van de strafvordering en fiscale vorderingen.
Situering
11.Het Europees Openbaar Ministerie (ook aangeduid als 'EOM') oefent de exclusieve bevoegdheid uit voor overtredingen, fraudes en misdrijven krachtens artikel 22, 25, 26 en 27 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ('EOM-Verordening').
Het Europees Openbaar Ministerie heeft de taken op het gebied van onderzoek en strafvervolging die het bij Verordening (EU) 2017/1939 zijn opgedragen, opgenomen op 1 juni 2021 (Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/856 van de Commissie).
12.Bij toepassing van artikel 24 lid 1 en 2 van de EOM-Verordening, meldde de douaneadministratie op 28 september 2021 de feiten onderzocht in het dossier met referte 21/D/00046.
Bij beslissing van 5 oktober 2021 nam de Permanente Kamer kennis van de beslissing van de gedelegeerd Europese procureur om het dossier te evoceren. De beslissing tot evocatie werd vervolgens op 1 december 2021 aan de douaneadministratie (Belgische Staat, AAD&A) gemeld.
Standpunt van partijen en beoordeling
13.cie2 voert in de namens haar neergelegde syntheseconclusie in hoofdorde aan dat de strafvordering niet ontvankelijk is en dat, daaruit voortvloeiend, de burgerlijke (fiscale) vordering die ten opzichte van haar wordt gesteld, eveneens niet ontvankelijk is. Beklaagden cie1 en L.N. sluiten zich daarbij aan en voeren de niet-ontvankelijkheid aan van de tegen hen ingestelde strafvordering en van de burgerlijke (fiscale) vorderingen.
14.cie2 voert aan dat het dossier dat tot de strafvordering in huidige zaak heeft geleid, niet zonder onnodige vertraging is gemeld. De verplichting om elke strafbare gedraging ten aanzien waarvan het Europees Openbaar Ministerie bevoegd is zonder onnodige vertraging te melden aan het Europees Openbaar Ministerie, is opgenomen in artikel 24 van de EOM-Verordening zoals vereist op basis van de EOM-Verordening. cie2 verwijst in dat verband concreet naar de uitnodiging voor verhoor op 3 juni 2021 gevolgd door het verhoor op 24 juni 2021 van de heer V., toenmalig bestuurder van cie2.
15.Het hof stelt vast dat cie2 niet aanvoert dat de melding aan het Europees Openbaar Ministerie reeds voorafgaand aan 3 juni 2021 of op 24 juni 2021 had moeten worden gedaan om geacht te worden zonder onnodige vertraging gebeurd te zijn. Het Europees Openbaar Ministerie was op voormelde data minder dan een maand actief. Gelet op het beperkte tijdverloop kan geenszins worden vastgesteld dat op deze data de melding reeds had moeten gebeurd zijn om niet als laattijdig te worden aangemerkt. Bovendien verwijst cie2 niet naar enige bepaling in de EOM-verordening of nationale wetgeving die de bevoegdheid van de douaneadministratie om de voormelde maatregelen, het verhoor en de voorafgaande uitnodiging daartoe, in afwachting van een mogelijke nog te volgen melding, zou kunnen beperken dan wel uitsluiten.
Beklaagde cie2 , daarin gevolgd door de beklaagden cie1 en L.N., verwijst eveneens naar het proces-verbaal inzake douane en accijnzen van 9 augustus 2022 met referentie 21/D/00046. Dit proces-verbaal werd opgesteld door de douaneadministratie nadat de beslissing tot evocatie aan de douaneadministratie (Belgische Staat, AADA) werd gemeld.
Gedaagde cie2 voert aan dat de douaneadministratie hiertoe echter niet meer bevoegd was aangezien de EOM-ambtenaar het dossier had overgenomen en de douaneadministratie zich diende te onthouden van verdere onderzoekshandelingen ten aanzien van dezelfde strafbare feiten.
16.Het Europees Openbaar Ministerie voert aan dat artikel 28 lid 1 van de EOM-verordening bepaalt dat de gedelegeerd Europese procureur ofwel zelf onderzoeksmaatregelen neemt, dan wel deze opdraagt aan de bevoegde autoriteiten in zijn/haar lidstaat.
17.In België wijst de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen een ambtenaar ( 'EOM-ambtenaar') aan die belast is met de samenwerking met de gedelegeerde Europese aanklagers voor wat betreft de overtredingen, fraudes en misdrijven waarvoor het Europees Openbaar Ministerie bevoegd is (artikel 285/2, § 1 Algemene Wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977, verkort `AWDA').
Artikel 285/5 van de AWDA bepaalt dat de EOM-ambtenaar de maatregelen bedoeld in artikel 28 van de EOM-Verordening uitvoert en de gedelegeerd Europese procureur daarvan in kennis stelt.
Artikel 285/3 §2, lid 2 AWDA luidt als volgt :
"In de uitoefening van zijn functie volgt de ambtenaar, bedoeld in artikel 285/2, § 1, de aanwijzingen en instructies van de permanente kamer, dewelke belast is met de zaak, alsook de instructies van de toezichthoudende Europese aanklager, zoals bepaald door de Verordening (EU) 2017/1939.
§ 2. De ambtenaar, bedoeld in artikel 285/2, § 1, oefent zijn bevoegdheid inzake opsporing en vervolging uit overeenkomstig deze wet.
De Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen kan zich niet verzetten tegen de beslissingen genomen in toepassing van de artikelen 285/4 en 285/5".
18.Het hof oordeelt dat uit de samenlezing van deze artikelen volgt dat de gedelegeerd Europese procureur opdracht kon geven aan de EOM-ambtenaar om een proces-verbaal op te stellen, in essentie over het voorafgaand aan de melding op basis van de EOM-Verordening door de douaneadministratie reeds gevoerde onderzoek evenals dat de EOM-ambtenaar bevoegd was om de Administratie Opsporing van de douaneadministratie te verzoeken om een proces-verbaal op te stellen.
Specifiek met betrekking tot het proces-verbaal inzake douane en accijnzen van 9 augustus 2022 met referentie 21/D/00046 bevestigde het Europees Openbaar Ministerie in de neergelegde beroepsconclusie uitdrukkelijk dat het opstellen van dit proces-verbaal effectief ook gebeurde in nauw overleg met de gedelegeerd Europese procureur. Beklaagden verwijzen niet naar concrete elementen die twijfel zouden kunnen doen rijzen betreffende deze bevestiging door het Europees Openbaar Ministerie.
De vaststelling dat het proces-verbaal niet uitdrukkelijk vermeldt dat het opgesteld werd op instructie van de EOM-ambtenaar, doet hieraan geen afbreuk. Het hof stelt in dat verband vast dat het proces-verbaal in essentie de bevindingen van voorheen, voorafgaand aan de evocatie door het Europees Openbaar Ministerie, uitgevoerde onderzoekshandelingen weergeeft zodat de afwezigheid van specifieke vermeldingen of documenten over de tussenkomst van het Europees Openbaar Ministerie en de EOM-ambtenaar ook in dat opzicht niet kan geacht worden relevant te zijn.
19.Het hof kan bijgevolg geen grond voor nietigheid van het proces-verbaal van de douaneadministratie van 9 augustus 2022 vaststellen.
20.cie2 verwijst naar een 'onvoldoende onafhankelijkheid van het EOM' die het recht van beklaagden op een onafhankelijke strafvervolging zoals bepaald in artikel 6(1) van de EOM-Verordening en dus tevens hun recht op een eerlijk proces en de rechten van verdediging, eveneens gewaarborgd door artikel 41 van de EOM-Verordening zou schenden, met beweerdelijk verval dan wel niet-ontvankelijkheid van de strafvordering als gevolg.
Het hof stelt evenwel vast dat cie2 niet verwijst naar elementen die een schending van de voormelde bepalingen in concreto, voor wat betreft de strafvordering in de aan het hof voorgelegde zaak, aannemelijk maken. Het hof kan het bestaan van dergelijke element ook niet afleiden uit de elementen van het strafdossier en dossier van de rechtspleging.
21.cie2 voert nog aan dat de douaneadministratie op strafrechtelijk vlak als vervolgende partij zou opgetreden zijn doordat één enkele dagvaarding werd uitgebracht door het Europees Openbaar Ministerie en de douaneadministratie.
22.De loutere vaststelling dat de dagvaarding inzake de strafvordering uitgebracht door het Europees Openbaar Ministerie en inzake de fiscale vordering betreffende douane en accijnzen (de antidumpingrechten en compenserende rechten) bij één dagvaarding gebeurde, brengt evenwel geenszins met zich dat de douaneadministratie meteen ook zou moeten worden geacht als hebbende opgetreden als vervolgende partij op strafrechtelijk vlak, overigens evenmin als dat het Europees Openbaar Ministerie zou kunnen worden geacht een fiscale (burgerlijke) vordering te hebben ingesteld.
De eerste rechter stelde terzake terecht vast dat de gedelegeerde Europese aanklager en de EOM-ambtenaar bedoeld in artikel 285/2 AWDA de dagvaarding hebben ondertekend voor wat betreft de strafvordering en de administrateur generaal voor wat betreft de fiscale vordering.
Het hof kan dan ook geen grond van nietigheid vaststellen betreffende de dagvaarding uitgebracht ten aanzien van cie1, cie2 en L.N..
Op basis van voormelde beoordeling staat eveneens vast dat geen grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering of van de fiscale vorderingen voorligt.
4.2.3 Situering van de strafrechtelijke vervolging en fiscale vorderingen en van de betrokken partijen
23.De aan het hof voorgelegde strafrechtelijke vervolging door het Europees Openbaar Ministerie en de fiscale vorderingen van de douaneadministratie en van de AABBI, hebben betrekking op een reeks invoeren in de Europese Unie van onderdelen van elektrische fietsen door cie1, die in het vrije verkeer worden gebracht met 27 douaneaangiftes.
De betreffende goederen werden door cie1 aangekocht van twee in China gevestigde ondernemingen, cie3 en cie4 Hiervoor werden 27 invoeraangiftes ingediend in een periode van 22 januari 2019 tot en met 27 april 2021.
Voor alle ingevoerde goederen werd op de betreffende invoeraangiftes als oorsprong telkens de Volksrepubliek China vermeld.
Op elk van deze aangiftes werd cie1 aangeduid als geadresseerde. De aangiftes werden ingediend door cie2 als directe vertegenwoordiger van cie1, telkens bij hetzelfde douanekantoor. Beklaagde L.N. is de gedelegeerd bestuurder van beklaagde cie1.
24.De vervolging van beklaagden cie1 en L.N. en de fiscale vordering van de douaneadministratie ten opzichte van deze beklaagden en cie2 hebben grotendeels betrekking op de aangifte van onderdelen van elektrische fietsen terwijl volgens het Europees openbaar ministerie en de douaneadministratie elektrische fietsen hadden moeten worden aangegeven, waardoor op basis van de invoeraangiftes de daarop verschuldigde antidumpingrechten en compenserende rechten ten onrechte niet werden voldaan.
De antidumpingrechten en compenserende rechten die zouden zijn ontdoken en die door de douaneadministratie worden nagevorderd, werden ingesteld voor "rijwielen met trapondersteuning, met een elektrische hulpmotor, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 8711 60 10 en ex 8711 60 90 (Taric-code 8711609010)".
25.De betreffende rechten werden ingesteld bij volgende verordeningen:
Uitvoeringsverordening (EU) 2019/73 van de Commissie van 17 januari 2019 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op elektrische fietsen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (Verordening 2019/73). Dit definitief antidumpingrecht is van toepassing op invoeren vanaf 19 januari 2019 (de dag na bekendmaking in het Publicatieblad van de EU). Het recht bedraagt 62,1% van de nettoprijs, franco Uniegrens, voor inklaring. Voor in de verordening en de bijlagen genoemde ondernemingen (waaronder cie4 in bijlage Il) gelden, mits voorwaarden voorzien in artikel 1, lid 3, andere tarieven.
Uitvoeringsverordening (EU) 2019/72 van de Commissie van 17 januari 2019 tot instelling van een definitief compenserend recht op elektrische fietsen van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Dit definitief compenserend recht is van toepassing op invoeren vanaf 19 januari 2019 (de dag na bekendmaking in het publicatieblad van de EU). Het bedraagt 17,2 % van de nettoprijs, franco Uniegrens, voor inklaring. Voor in de verordening en de bijlagen genoemde ondernemingen (waaronder cie4 in bijlage II) gelden, mits voorwaarden voorzien in artikel 1, lid 3, andere tarieven.
26. Beklaagden cie1 en L.N. worden onder het ten laste gelegde feit 1 vervolgd voor het bewust vermelden van incorrecte informatie en/of het verzwijgen van informatie die relevant is voor de berekening van de verschuldigdheden met de bedoeling om de rechten van de Schatkist te ontduiken in 27 invoeraangiftes. Dit zou volgens de dagvaarding onder meer gebeurd zijn:
“door het vermelden van verkeerde benamingen/goederencodes in de douaneaangiften, waarbij invoerrechten, antidumpingrechten en compenserende rechten werden ontdoken door de invoergoederen aan te geven als "afzonderlijke" fietsonderdelen die niet getroffen worden door antidumpingrechten en compenserende rechten terwijl in werkelijkheid volledige elektrische fietsen van Chinese oorsprong werden ingevoerd, die aan een hoger invoerrecht zijn onderworpen en die bovendien ook aan antidumpingrechten en compenserende rechten zijn onderworpen, waarbij bovendien een volledig kunstmatige vorm werd gegeven aan de invoertransacties waarbij de ingevoerde goederen werden verdeeld over verschillende zendingen en werden aangegeven met verschillende douaneaangiftes op een manier die als enig doel had om voor de douaneautoriteiten te verhullen dat in werkelijkheid volledige elektrische fietsen werden ingevoerd en dat dus een hoger bedrag aan rechten verschuldigd was"
Dit feit 1 zou volgens de dagvaarding strafbaar zijn op basis van artikel 220 en 221 AWDA Algemene Wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977. Deze artikelen zoals van toepassing ten tijde van de feiten, luiden als volgt :
"Artikel 220. Elke schipper van een zeeschip, of patroon van om 't even welk vaartuig, elke vervoerder, geleider, drager, en alle andere personen, die bij binnenkomst of uitgang pogen, hetzij op het eerste, hetzij op elk ander daartoe aangewezen kantoor, de vereiste aangiften niet te doen en die aldus trachten de rechten van de Schatkist te ontduiken, elke persoon bij wie een door de van kracht zijnde wetten verboden opslag wordt gevonden, worden gestraft met een gevangenisstraf van ten minste vier maanden en ten hoogste één jaar.
§ 2. Hij die de in § 1 bepaalde inbreuken pleegt met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden en die inbreuken ofwel worden gepleegd in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, ofwel de financiële belangen van de Europese Unie ernstig hebben of zouden hebben geschaad en hij die zich in een geval van herhaling bevindt worden gestraft met een gevangenisstraf van 4 maand tot 5 jaar.
§ 3 De financiële belangen van de Europese Unie moeten in elk geval geacht worden ernstig te zijn geschaad wanneer er een schade is van meer dan 100.000 euro."
"Artikel 221
§ 1. In de bij artikel 220 bepaalde gevallen, worden de goederen in beslag genomen en verbeurd verklaard, en de overtreders lopen [een geldboete op van vijf- tot tienmaal de ontdoken rechten], berekend volgens de hoogste douane- en accijnsrechten.
§ 2. Voor verboden goederen beloopt de boete een- tot tweemaal hun waarde.
§3. Bij herhaling wordt de boete verdubbeld.
§ 4 In afwijking van § 1 wordt teruggave verleend van de verbeurd verklaarde goederen aan de persoon die eigenaar was van de goederen op het ogenblik van de inbeslagneming en die aantoont dat hij vreemd is aan het misdrijf.
In geval van teruggave blijven de eventuele kosten verbonden aan de inbeslagneming, de bewaring en het behoud van de goederen ten laste van de eigenaar."
27. Onder het feit 2 zoals voorzien in de dagvaarding worden beklaagden cie1 en L.N. vervolgd voor het overleggen of doen overleggen van valse, misleidende of onjuiste documenten met het opzet de douane te bedriegen, zijnde onder meer, de 27 invoeraangiftes met facturen en andere bijhorende documenten, die vals en misleidend zouden zijn omdat zij de indruk wekken dat onderdelen van elektrische fietsen worden ingevoerd, terwijl er in werkelijkheid volledige elektrische fietsen worden ingevoerd, opgesplitst over verschillende aangiftes, met de bedoeling te verhullen dat het invoer van volledige elektrische fietsen betreft en op die manier de antidumpingrechten te ontwijken.
Dit feit 2 zou volgens de dagvaarding strafbaar zijn op basis van artikel 259 AWDA Algemene Wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977. Dit artikel zoals van toepassing ten tijde van de feiten luidt als volgt:
"Artikel 259. Met geldboete van 250 EUR tot 625 EUR, zonder dat ze lager mag zijn dan tienmaal de eventueel ontdoken rechten en taksen, wordt gestraft :
1° hij die, met het opzet de douane te bedriegen, valse, misleidende of onjuiste documenten overlegt of doet overleggen;
2° hij die valse, misleidende of onjuiste attesten, facturen of documenten uitreikt, die bestemd zijn om de douane te bedriegen.
De overtreder wordt bovendien gestraft met gevangenisstraf van acht tot dertig dagen. Indien de overtreder de financiële belangen van de Europese Unie ernstig heeft geschaad, wordt hij gestraft met een gevangenisstraf van 4 maand tot 5 jaar.
De financiële belangen van de Europese Unie moeten in elk geval geacht worden
ernstig te zijn geschaad wanneer er een schade is van meer dan 100.000 euro."
28.Het feit 3 waarvoor beklaagden cie1 en L.N. eveneens worden vervolgd, heeft betrekking op btw-fraude, namelijk het bedrieglijk oogmerk om de btw op de antidumping-, compenserende en invoerrechten te ontduiken, onjuiste aangiften en onderliggende documenten te hebben voorgelegd of laten voorleggen aan de douaneadministratie, aangiften en facturen dewelke vals en misleidend zijn omdat zij de indruk wekken dat onderdelen van elektrische fietsen worden ingevoerd, terwijl er in werkelijkheid volledig elektrische fietsen worden ingevoerd, opgesplitst over verschillende aangiftes, met de bedoeling op bedrieglijke wijze te verhullen dat het invoer van volledige elektrische fietsen betreft en op die manier de voornoemde rechten te ontwijken en derhalve de btw verschuldigd op de voornoemde rechten. Dit feit 3 zoals omschreven in de dagvaarding betreft in essentie de beweerdelijke ontduiking van btw doordat de rechten die werden ontdoken dan wel ontweken zoals bedoeld in feiten 1 en 2, niet werden opgenomen in de maatstaf van heffing.
29.Naast de betwisting omtrent het al dan niet ontduiken van invoerrechten en compenserende rechten op elektrische fietsen, werden volgende onregelmatigheden vastgesteld die mee vervolgd worden en waarvoor fiscale vorderingen worden ingesteld. Beklaagden betwisten het bestaan van deze onregelmatigheden niet:
Het ten onrechte niet vermelden van 100 SKD-frames in de aangifte IMA 21BEI0000004701870.
Niet-aangifte van een deel van de goederen in de invoeraangifte I M A20 B E 100000012428293 .
de aangifte van een te lage douanewaarde, doordat de transportkosten niet waren opgenomen als onderdeel van de aangegeven douanewaarde, voor de invoeraangiften IMA19 BEI0000006662575, IMA 20BE10000055432803 en IMA21BEI0000006370627.
30. Het Europees Openbaar Ministerie is op strafrechtelijk vlak de vervolgende partij. Bij het hof zijn eveneens twee fiscale (burgerlijke) vorderingen aanhangig.
31. De Belgische Staat op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen (ook aangeduid als 'douaneadministratie') vordert de ontdoken antidumpingrechten, compenserende rechten en invoerrechten.
De vordering van de douaneadministratie als eisende partij, zoals vermeld in de namens haar neergelegde syntheseconclusie, luidt als volgt:
"Lastens cie1 (eerste gedaagde), cie2 (tweede gedaagde), L.N. (derde gedaagde), een veroordeling uit te spreken tot de solidaire betaling van de volgende sommen
1.Een som van vierennegentigduizend zeshonderddrieëntwintig euro en 17 eurocent
(94.623,17 euro) , zijnde de ontdoken invoerrechten bij de vermelde aangiften;
2.Een som van twee miljoen tweehonderdvijfendertigduizend en zevenenzestig euro en acht eurocent (2.235.067,08 euro), zijnde de ontdoken antidumpingrechten bij de vermelde aangiften;
3.Een som van zeshonderdnegentienduizend en 52 euro en veertig eurocent (619.052,40
euro) zijnde de ontdoken compenserende rechten bij de vermelde aangiften;
4.De verschuldigde nalatigheidsinteresten op de ontdoken invoerrechten, antidumpingrechten en compenserende rechten vanaf het ontstaan van de douaneschuld, zijnde de datum van de respectievelijke aangiften, tot de dag van de effectieve betaling van de verschuldigdheden."
32. De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in naam van de Adviseur-Generaal van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie (ook aangeduid als AABBI) heeft in de procedure in eerste aanleg op 7 november 2023 een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst betreffende een zelfstandige vordering lastens cie1 neergelegd.
De vordering van de vrijwillig tussenkomende partij AABBI zoals vermeld in de namens haar neergelegde beroepsconclusie is de volgende : "In hoofde van de btw-eenheid cie5, alsook in hoofde van haar hoofdelijk aansprakelijke leden waaronder cie1, de geldigheid van de uitvoerbare titel, gekend onder het schuldnummer 5002/6704/3396, bevattende de fiscale schuldvordering (verschuldigde btw t.b.v. € 629.333,94 en een geldboete van € 2.811.100,00, vermeerderd met de wettelijke interesten), te bevestigen en de betaling te bevelen."
33.De beide voormelde vorderingen van de Belgische Staat (douaneadministratie en AABBI) zijn zelfstandige burgerlijke rechtsvorderingen die samengaan met de strafvordering, maar hiervan losstaan in de zin dat ze rechtstreeks hun grondslag hebben in de wetgeving die de verplichting tot betaling van rechten of belastingen oplegt, waarover door de strafrechter dient te worden geoordeeld ongeacht de uitspraak ten gronde over de strafvordering.
Standpunt van partijen — prejudiciële vragen
34.Het Europees Openbaar Ministerie en de douaneadministratie voeren aan dat beklaagde cie1 in werkelijkheid volledige elektrische fietsen van Chinese oorsprong heeft ingevoerd en in het vrije verkeer heeft gebracht in de EU die onderworpen waren aan antidumpingsrechten en compenserende rechten.
De douaneadministratie heeft in het proces-verbaal van 9 augustus 2022 met referentie 21/D/00046, binnen de groep van 27 aangiftes waarop de vervolging en fiscale vordering betrekking heeft, zes "clusters" geïdentificeerd van aangiftes waarmee telkens onderdelen worden ingevoerd die geschikt zijn om telkens een bepaald aantal volledige elektrische fietsen samen te stellen.
35.Volgens de douaneadministratie komt het verband tussen de aangiften die telkens samen één van die zes clusters vormen, duidelijk naar voor uit de factuurrefertes van de bij die aangiften gevoegde facturen.
Deze facturen van eenzelfde cluster hebben immers in regel factuurrefertes die eenzelfde "stamnummer" hebben, dat dan wordt gevolgd door een liggend streepje met een volgnummer. Voor elk van die clusters hadden de facturen (en bijhorende aangiftes) telkens betrekking op een aantal fietskaders, vorken en motors waarvan de hoeveelheden, tenminste grotendeels, telkens met elkaar overeenstemmen, alsook op andere fietsonderdelen waarmee telkens een bepaald aantal volledige elektrische fietsen kan worden samengesteld.
Het betreft de hierna vermelde volgende clusters waarvoor onderstaande handelsfacturen ('commercial invoices') werden opgesteld, volgens de douaneadministratie in werkelijkheid voor de invoer van elektrische fietsen:
1) DEELZENDINGEN MF20200611.
| Handelsfactuur | Datuminvoeraangifte | BedragfactuurUSD | leverancier | |||||
| MF20200611-1 | 26/11/2020 | 315.374,20 | cie3 | |||||
| MF20200611-2 | 30/11/2020 | 37.666,50 | cie4 | |||||
| MF20200611-3 | 02/12/2020 | 202.013 | cie3 | |||||
| MF20200611-4 | 11/12/2020 | 168.462 | cie4 | |||||
| MF20200611-56 | 11/01/2021 | 121.649,60 | cie4 | |||||
| MF20200611-5 | 21/01/2021 | 153.031,40 | cie4 | |||||
| MF20200611-7 | 26/01/2021 | 32.898,55 | cie4 | |||||
| MF20200611-8 | 05/02/2021 | 151.334,80 | cie3 | |||||
| MF20200611-9 | 22/04/2021 | 337.359,60 | cie3 | |||||
| MF20200611-10 | 27/04/2021 | 15.559,50 | cie3 | |||||
Uit een oplijsting van de fietsonderdelen, vermeld op de facturen van beide leveranciers, werd door de douaneadministratie afgeleid dat fietsonderdelen werden ingevoerd voor "ongeveer 2.250 fietsen".
| 2) | DEELZENDINGEN MF180925 | |||||
| Handelsfactuur | Datuminvoeraangifte | BedragfactuurUSD | leverancier | |||
| MF180925-1 | 22/01/2019 | 205.272,50 | cie3 | |||
| MF180925-2 | 05/02/2019 | 78.788,50 | cie4 | |||
| MF180925-3 | 05/02/2019 | 57.487,50 | cie4 | |||
De relevante facturen verwijzen volgens de douaneadministratie naar 450 kaders, vorken, motors en andere onderdelen en dus naar evenveel elektrische fietsen.
3) DEELZENDINGEN MF181005
| Handelsfactuur | Datuminvoeraangifte | BedragfactuurUSD | leverancier | |||||
| MF181005-1 | 11/02/2019 | 95.254,81 | cie4 | |||||
| MF181005-2 | 25/02/2019 | 288.860,40 | cie4 | |||||
| MF181005-3 | 18/03/2019 | 33.998,58 | cie3 | |||||
De relevante facturen verwijzen volgens de douaneadministratie naar 960 kaders, vorken, motors en andere onderdelen in verschillende hoeveelheden en dus naar evenveel elektrische fietsen.
| 4) | DEELZENDINGEN MF181022 | |||||
| Handelsfactuur | Datuminvoeraangifte | BedragfactuurUSD | leverancier | |||
| MF181022-1 | 02/04/2019 | 437.383,55 | cie4 | |||
| MF181022-2 | 16/04/2019 | 27.462,15 | cie3 | |||
| MF181022-3 | 25/01/2019 | 196.800,72 | cie3 | |||
De relevante facturen verwijzen volgens de douaneadministratie naar 488 kaders, vorken, motors en andere onderdelen en dus naar evenveel elektrische fietsen.
5) DEELZENDINGEN MF181113-181102-19021
| Handelsfactuur | Datuminvoeraangifte | BedragfactuurUSD | leverancier | |||||
| MF1180122-3 MF181113-1 | 23/05/20219 | 202.086,98 | cie4 | |||||
| MF181102-1 | 03/06/2019 | 175.652,56 | cie3 | |||||
| MF181113-2 | ||||||||
| MF181102-2 | 25/02/2019 | 48.081,89 | cie3 | |||||
| MF190216-1 | ||||||||
| MF181113 | 12/07/2019 | 159.794,50 | cie4 | |||||
| MF190216 | ||||||||
| MF181113-1 | 12/09/2019 | 1.432 | cie4 | |||||
| MF190216-1 | ||||||||
Deze facturen verwijzen volgens de douaneadministratie naar 812 kaders, vorken, motors en andere onderdelen in verschillende hoeveelheden en dus naar evenveel elektrische fietsen.
6) DEELZENDINGEN MF191014
| Commercial invoice | Datuminvoeraangifte | BedragfactuurUSD | leverancier |
| MF191014-1 | 02/03/2020 | 217.918,56 | cie3 |
| MF191014-2 | 13/03/2020 | 158.514 | cie4 |
| MF191014-3 | 17/04/2020 | 122.485,28 | cie4 |
| MF20191014-4 | 09/07/2020 | 14.020 | cie4 |
Deze facturen verwijzen volgens de douaneadministratie naar naar 832 kaders, vorken, motors en andere onderdelen en dus naar evenveel elektrische fietsen.
35.De totale waarde van de goederen vermeld op alle in aanmerking genomen facturen bedraagt 4.056.643,63 USD. Het door de douaneadministratie in aanmerking genomen aantal elektrische fietsen bedraagt 5.792.
36.Het Europees Openbaar Ministerie en de douaneadministratie verwijzen naar voormelde clusters evenals naar onder meer nog volgende elementen om aan te voeren dat cie1 moet geacht worden elektrische fietsen te hebben ingevoerd en niet onderdelen daarvan.
a. Voorafgaand aan de instelling van het voorlopig antidumpingrecht op 19/07/2018 werden voor wat betreft de invoer van goederen van Chinese oorsprong door cie1 grotendeels volledige elektrische fietsen ingevoerd. Bij leverancier cie3 uit Hongkong werden volledige elektrische fietsen aangekocht, die werden ingevoerd onder de TARIC-code 87116010 00.
Na de instelling van het voorlopige antidumpingrecht werden geen volledige elektrische fietsen meer ingevoerd, maar bestanddelen voor elektrische fietsen, die in regel werden aangegeven aan de douanediensten onder onderverdelingen van tariefpost 8714.
b.Beklaagde L.N. verklaarde bij verhoor dat hij geen rechtstreekse contacten had met de Chinese leveranciers, enkel met één contactpersoon voor beide firma's, mevrouw C.C. genaamd. Hij verklaarde niet te weten of de fabriek in China die hij tweemaal zou hebben bezocht, van cie4 of van cie3 was. De zaakvoerders van beide firma's kende hij niet.
c.M.V.D.B. verklaarde bij verhoor dat zij sedert 2013 of 2014 actief was als bediende bij cie1. Ze verklaarde dat C.C. het enige aanspreekpunt was voor de leveranciers cie4 en van cie3 Ze wist niet wie de zaakvoerders van deze firma's waren. Over de wijze van bestellen verklaarde zij:
"Er wordt altijd één grote bestelling elektrische fietsen geplaatst voor het volgende jaar wat China betreft. De grote bestelling wordt bevestigd zodra wij een voorschot betalen. Op het moment dat de eerste goederen klaarstaan stuurt C.C. een eerste proforma factuur toe waarop wij dan het saldo van die zending betalen. Na de betaling wordt dan de definitieve commerciële factuur opgestuurd met de B/L, die we in onze boekhouding verwerken en die naar het douaneagentschap toegestuurd wordt. Naast China werden er ook e-bikes besteld in Polen en Hongarije. Ik weet dat L.N. de grote bestelling steeds doet met C.C.. Sedert ik werkzaam ben bij cie1, is de bestelprocedure nooit gewijzigd en steeds dezelfde gebleven."
Het Europees Openbaar Ministerie verwijst daarnaast nog naar volgende communicatie, bij wijze van voorbeeld :
WhatsApp berichten van 31/12/2018 tussen C.C. en beklaagde L.N..
Mon Dec 31 09:15:40 AM 2018, L.N.:
„But I told you that you can not do wheels with frames. When wheels and frames in
one container than customs say that this are complete bikes and I must pay anti-dumping"
Vrije vertaling:
Maar ik heb je gezegd dat je geen wielen met frames kunt doen. Als wielen en frames
in één container zitten, zeggen de douane dat dit complete rijwielen zijn en dat ik
antidumping moet betalen.
Mon Dec 31 09:19:47 AM2018, L.N.:
"Yes but 1 have the problems with the customs, they ask me anti dumping for 54 bikes
I don 't pay the anti dumping. Frames must be always in single container.
Vrije vertaling:
Ja, maar ik heb problemen met de douane, als ze me anti-dumping vragen voor 54
fietsen, betaal ik de anti-dumping niet. Frames moeten altijd in één container zitten.
WhatsApp-berichten van 8/01/2019 van L.N. naar C.C.
Tue Jan 08 10:48 34 AM 2019, L.N.,
„M.V.D.B. sent you mail, we must be more carefull about the invoices. Now three times same name, parts must be on other name. And also I want other account for the parts because customs can do controle and when it is two different company, I will have no problems I hope"
Vrije vertaling:
„M.V.D.B. heeft je een e-mail gestuurd, we moeten beter opletten m.b.t. de facturen Nu drie keer dezelfde naam, onderdelen moeten op andere naam staan. En ik wil ook een andere rekening voor de onderdelen omdat de douane een controle kan doen en als het twee verschillende bedrijven zijn, heb ik geen problemen hoop ik."
37.Beklaagden cie1 en L.N. betwisten de materialiteit en de strekking van voormelde vaststellingen en berichten grotendeels niet, maar kaderen deze in de voorgaande contacten met onder meer vertegenwoordigers van de douaneadministratie en van een Europese sectorvereniging op basis waarvan beklaagden de bevestiging zouden bekomen hebben dat door de gevolgde handelswijze effectief geen antidumpingrechten en compenserende rechten verschuldigd waren.
Beklaagden cie1 en L.N. betwisten de aantallen fietsen die in aanmerking kunnen worden genomen op basis van de ingevoerde onderdelen en de aantallen daarvan, waarbij wordt aangevoerd dat deels nog van Europese oorsprong worden toegevoegd. Dit zal gebeurlijk na beantwoording van de prejudiciële vraag nog verder dienen te worden beoordeeld op basis van de vraag wanneer alle essentiële bestanddelen aanwezig zijn in de zin van de eerste volzin van de algemene regel 2, onder a), van de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur.
38.De rechter in eerste aanleg heeft geoordeeld dat elektrische fietsen integraal als elektrische fietsen in gedemonteerde staat werden besteld in China en vervolgens ook als volledige fietsen werden verkocht aan de consument zodat deze overeenkomstig Algemene regel 2, onder a), van de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1549/2006 van de Commissie van 17 oktober 2006, als volledige elektrische fietsen moesten worden aangegeven.
De rechter in eerste aanleg heeft niet verwezen naar enige vorm van misbruik of ontwijking om tot de strafrechtelijke schuld van beklaagden cie1 en L.N. te besluiten en de toekenning van de fiscale vorderingen in hun hoofde.
39.In de beroepsconclusie van het Europees openbaar ministerie wordt bondig aangevoerd dat de beoordeling op strafgebied door de eerste rechter juist is en dient te worden bevestigd. Het Europees openbaar ministerie voert dan ook in essentie aan dat ingevoerde onderdelen van elektrische fietsen overeenkomstig regel 2, onder a), van de algemene regels voor de interpretatie van de Gecombineerde Nomenclatuur dienen te worden beschouwd als elektrische fietsen in gedemonteerde staat.
40.De douaneadministratie verwijst eveneens naar het bestaan van misbruik om haar fiscale vordering te onderbouwen. Het hof merkt op dat het baseren van de strafvordering op een vorm van misbruik in de huidige stand van de procedure nog niet met zekerheid aan de orde is. Indien de invoeren op basis van regel 2, onder a), van de algemene regels voor de interpretatie van de GN dienen te worden aangemerkt als elektrische fietsen, wat het voorwerp uitmaakt van de hierna vermelde prejudiciële vraag, is een eventuele toepassing van het beginsel van het verbod van misbruik, als algemeen beginsel van het Unierecht om de invoeren van onderdelen aan te merken als de invoer van elektrische fietsen om tot eventuele verschuldigdheid en ontwijking van de rechten te kunnen besluiten, nog niet aan de orde.
De door beklaagden voorgestelde prejudiciële vraag 4 die in essentie betrekking heeft op strafrechtelijke sancties in relatie tot het misbruik dient dan ook in de huidige stand van de procedure in elk geval niet te worden gesteld bij toepassing van artikel 267 VWEU aangezien minstens op heden niet vaststaat dat deze noodzakelijk zou zijn voor het wijzen van haar arrest.
41.De gecombineerde nomenclatuur omvat indelingsregels. Dit zijn bepalingen die zijn omschreven als Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur in het Eerste deel van de gecombineerde nomenclatuur, onder Titel I, A, voor de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur (ook verkort aangeduid als indelingsregels).
42.De reeds voormelde regel 2a van deze indelingsregels luidt als volgt:
"De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat, voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat.".
43.Het Europees Openbaar Ministerie en de douaneadministratie voeren aan dat uit deze indelingsregel volgt dat een in de nomenclatuur in te delen goed dat niet volledig of niet volledig afgewerkt is onder de post van de nomenclatuur, moet worden ingedeeld die het volledige of het afgewerkte goed omschrijft wanneer het in te delen goed de essentiële kenmerken van het volledige of afgewerkte goed heeft.
De douaneadministratie verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2022 in zaak C-107/22 (ECLI:EU:C: 2023:346) dat onder meer uitspraak deed over toepassing van regel 2 a) van de algemene regels voor de interpretatie van het Geharmoniseerd Systeem. Daarin besliste het Hof van Justitie onder meer wat volgt :
"Algemene regel 2, onder a), van de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1549/2006 van de Commissie van 17 oktober 2006, moet aldus worden uitgelegd dat onderdelen van een satellietontvangtoestel die bestemd zijn om, na in het vrije verkeer te zijn gebracht, tot een compleet toestel te worden geassembleerd, die in één container worden vervoerd en door dezelfde aangever, op eigen naam en voor eigen rekening, op dezelfde dag bij hetzelfde douanekantoor voor het vrije verkeer worden aangegeven door middel van twee afzonderlijke aangiften voor het vrije verkeer, en die bij het in het vrije verkeer brengen eigendom zijn van twee verbonden ondernemingen, moeten worden aangemerkt als een satellietontvangtoestel dat wordt aangeboden in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat in de zin van voornoemde regel, en dus vallen onder een en dezelfde tariefpost, voor zover uit objectieve factoren blijkt dat deze onderdelen een geheel vormen en alle bestanddelen van dat toestel omvatten."
44. Beklaagden cie1 en L.N. verwijzen evenwel in het bijzonder naar punt 24 van dit arrest: "Om deze onderdelen te kunnen beschouwen als een goed dat in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat wordt aangeboden, is weliswaar vereist dat zij gelijktijdig ter inklaring worden aangeboden, maar uit de bewoordingen van regel 2, onder a), van de algemene regels voor de interpretatie van de GN, of uit de toelichting op regel 2, onder a), van de algemene regels voor de interpretatie van het GS blijkt niet dat voor deze bestanddelen één douaneaangifte moet worden gedaan." (eigen onderlijning).
Beklaagden cie1 en L.N. verwijzen eveneens naar punt 28 van dit arrest:
"De omstandigheid dat goederen bij de douane worden aangeboden in afzonderlijke aangiften kan er op zich dus niet aan in de weg staan dat zij worden aangemerkt als „goederen in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat" in de zin van regel 2, onder a), van de algemene regels voor de interpretatie van de GN, indien ten tijde van de inklaring uit andere objectieve factoren blijkt dat deze goederen een geheel vormen en bestemd zijn om later te worden geassembleerd tot één apparaat (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, VAD en Van Aert, CI I499/14, EU:C:2016:155, punt 43)." (eigen onderlijning).
45.Verderop in dit arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2022 in zaak C107/22 wordt dan weer benadrukt dat een andere "uitlegging van het begrip „goed in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat" zou in de praktijk invoerders de mogelijkheid bieden om er door middel van een relatief eenvoudige ingreep — zoals het aangeven van goederen in afzonderlijke aangiften — voor te zorgen dat de betrokken goederen als één geheel of juist afzonderlijk worden ingedeeld, afhankelijk van wat voor hen het gunstigst is (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, VAD en Van Aert, C-499/14, EU:C:2016:155, punt 39)." (eigen onderlijning).
46.Het hof stelt dus vast dat het Hof van Justitie voor wat betreft regel 2, onder a), van de algemene regels voor de interpretatie van de GN, verwijst naar objectieve factoren waaruit al dan niet blijkt dat de onderdelen een geheel vormen en alle bestanddelen van een toestel omvatten. Daarenboven dient volgens het Hof van Justitie geen interpretatie te worden gehanteerd die invoerders de mogelijkheid zou bieden om er door middel van een relatief eenvoudige ingreep voor te zorgen dat de betrokken goederen als één geheel of juist afzonderlijk worden ingedeeld, afhankelijk van wat voor hen het gunstigst is.
Anderzijds stelt het hof evenwel vast dat het Hof van Justitie uitdrukkelijk aangeeft dat om onderdelen te kunnen beschouwen als een goed dat in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat wordt aangeboden, vereist is dat zij gelijktijdig ter inklaring worden aangeboden.
Zoals blijkt uit voorgaand overzicht van door de douaneadministratie in aanmerking genomen clusters, verstrijken in regel tussen de eerste en de laatste invoeraangifte één tot meerdere maanden, uitgezonderd voor het cluster MF180925.
Het hof stelt eveneens nog vast dat in een Bericht van Olaf met referte AM/2019/022 - (2020)S01 de termen 'as presented' (vrij vertaald 'als aangeboden') worden benadrukt in de Engelse taalversie van de regel 2 onder a). Het bericht voegt daaraan toe dat toch de verschuldigdheid van bijkomende rechten zou kunnen worden vastgesteld zelfs als de goederen zijn aangeboden in verschillende zendingen op verschillende dagen, maar dan wel slechts indien misbruik kan worden aangetoond.
Dit bericht lijkt dus minstens niet te verwijzen naar een mogelijke toepassing van de regel 2 onder a) als basis voor de navordering van rechten.
47. Gelet op bovenstaande elementen oordeelt het hof dat op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de in het beschikkende gedeelte hierna vermelde prejudiciële vraag dient te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, die de vraag gebeurlijk kan doorzenden naar het Gerecht van de Europese Unie.
5. Wettelijke bepalingen
Het hof houdt rekening met volgende wettelijke bepalingen, de artikelen:
11, 12, 14, 24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935,
162, 185, 190, 190ter, 194, 195, 199, 200, 202, 203, 203bis, 204, 210, 211 van het Wetboek van Strafvordering,
1, 2, 3, 7 van het Strafwetboek,
267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Beschikkend gedeelte
6. Beslissing
Het hof,
Beslist op grond van de hoger vermelde redenen, binnen de perken van de hoger beroepen en de grieven, op tegenspraak
Verklaart het hoger beroep van beklaagde cie1 ontvankelijk.
Verklaart het hoger beroep van beklaagde L.N. ontvankelijk.
Verklaart het hoger beroep van het Europees openbaar ministerie ontvankelijk.
Verklaart het hoger beroep van BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen (AAD&A) ten opzichte van cie1 en L.N. ontvankelijk.
Verklaart het incidenteel beroep ingesteld door vrijwillig tussenkomende partij BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, AABBI ten opzichte van cie1 ontvankelijk.
Zegt voor recht dat geen grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering of van de fiscale vorderingen voorligt.
Verzendt, alvorens verder recht te spreken over de grond van de zaak, de zaak naar het Hof van Justitie van de Europese Unie met verzoek uitspraak te doen over volgende prejudiciële vraag:
"Dient Algemene regel 2, onder a), van de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1549/2006 van de Commissie van 17 oktober 2006 aldus worden uitgelegd dat onderdelen van een elektrische fiets die bestemd zijn om, na in het vrije verkeer te zijn gebracht, tot een elektrische fiets te worden geassembleerd, die gefactureerd worden door twee verschillende leveranciers en in verschillende containers worden vervoerd en door dezelfde aangever, in naam en voor eigen rekening van dezelfde bestemmeling, gespreid in de tijd over een periode gaande tot meerdere maanden bij hetzelfde douanekantoor voor het vrije verkeer te worden aangegeven door middel van afzonderlijke aangiften voor het vrije verkeer, en die bij het in het vrije verkeer brengen eigendom zijn van de bestemmeling, moeten worden aangemerkt als elektrische fietsen die worden aangeboden in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat in de zin van voornoemde regel, en dus vallen onder een en dezelfde tariefpost, voor zover uit objectieve factoren blijkt dat deze onderdelen een geheel vormen en alle essentiële bestanddelen van deze elektrische fietsen omvatten?"
Schorst in afwachting de huidige procedure ter zake, stelt de zaak sine die uit en houdt de beslissing over de kosten aan.
De rechtspleging verliep uitsluitend in het Nederlands.
Dit arrest is gewezen te Antwerpen door het hof van beroep, kamer C6, samengesteld uit :
C. NYS,
V. ROELANTS,
F. VANDENBERGHE
Raadsheer d.d. Kamervoorzitter,
Raadsheer,
Raadsheer,
die aan de beraadslaging hebben deelgenomen
en in openbare terechtzitting van
ZESENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN VIJFENTWINTIG
uitgesproken door Raadsheer d.d. Kamervoorzitter C. NYS
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie zoals vermeld op het
proces-verbaal van de terechtzitting
met bijstand van griffier C. Van Gompel.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.