Boekhouding, Facturenboek, boekhouden · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 8 oktober 2001

Zoeken

Boekhouding, Facturenboek, boekhouden

https://juriel.be/nl/rechtspraak/boekhouding-facturenboek-boekhouden-rechtbank-gent-2001-10-08-02f2

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
8 oktober 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

44 paragrafen

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent dd. 08.10.2001

Boekhouding - Facturenboek

Een B.T.W.-belastingplichtige is, behoudens de wettelijk voorziene uitzonderingen, gehouden tot het uitreiken voor elke belastbare levering van goederen of diensten die hij verricht. Aangezien de B.T.W.-belastingplichtige in zijn uitgaand facturenboek geen factuur heeft ingeschreven voor uitgevoerde werken, wordt hij vervolgd wegens het vervalsen van zijn facturenboek en omdat hij als handelaar geen passende boekhouding zou hebben gevoerd. Aangezien dat het onderzoek geen zekerheid verleent over het bestaan van een facturenboek, zodat het ook niet bewezen is dat het door omissie zou zijn vervalst, is de rechtbank van oordeel dat deze twijfel de beklaagde ten goede moet komen zodat hij hiervoor dient te worden ontslagen van rechtsvervolging. De betrokkene wordt echter wel veroordeeld voor inbreuken op de wet op de boekhouding en de jaarrekening van ondernemingen.

Negentiende kamer

Ondervoorzitter: Dhr. A. Bloch

Toegevoegd rechter: Dhr. Ph. Van Maele

Rechter: Mevr. K. Vandenberghe

Substituut-procureur des Konings: Dhr. Y. Medaer

Griffier: Mevr. P. Deprez

Partij: H•••••••• R••• t. Openbaar Ministerie

VERDACHT VAN:

A. Bij inbreuk op artikel 73 bis W.B.T.W. met het oogmerk om met bedrieglijk opzet of met het opzet om te schaden de bepalingen van het BTW-wetboek of de uitvoeringsbesluiten ervan te overtreden (artikel 73 W.B.T.W.), in openbare geschriften, handelsgeschriften of private geschriften valsheden te hebben gepleegd, of van een zodanig vals geschrift gebruik te hebben gemaakt, doordat hij in zijn uitgaande facturenboek geen factuur heeft opgenomen voor de werken uitgevoerd bij R. D. - M. B. tegen contante betaling van 52.000 BEF.

te 9940 Evergem op een niet nader te bepalen tijdstip in de periode tussen 15 november 1999 en 28 november 1999

B. Bij inbreuk op de artikelen 2 en 17 van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, als handelaar, wetens geen aan de aard en de omvang van het bedrijf van zijn onderneming passende boekhouding te hebben gevoerd en de bijzondere wetsvoorschriften betreffende dat bedrijf niet in acht te hebben genomen.

te 9940 Evergem op een niet nader te bepalen tijdstip in de periode tussen 15 november 1999 en 28 november 1999


De rechtbank nam inzage van de stukken van de rechtspleging.

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding, wat de tenlastelegging B betreft, dient verbeterd te worden als volgt:

«Bij inbreuk op de artikelen 2 en 17 van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, als handelaar, wetens geen aan de aard en de omvang van het bedrijf van zijn onderneming passende boekhouding te hebben gevoerd en de bijzondere wetsvoorschriften betreffende dat bedrijf niet in acht te hebben genomen, de feiten thans strafbaar zijnde overeenkomstig de artikelen 2 en 16 van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen, zoals laatst gewijzigd en vernummerd bij artikel 14 van de wet van 7 mei 1999.»

De rechtbank aanhoorde op de openbare terechtzitting van 24 september 2001:

-de vordering van het openbaar ministerie, uitgesproken door de heer P. M., substituut-procureur des Konings;

De beklaagde, R. H., alhoewel behoorlijk gedagvaard, is ter terechtzitting van 24 september 2001 niet verschenen.


Tenlastelegging A

H. R. wordt vervolgd wegens het vervalsen van zijn facturenboek en omdat hij, als handelaar, geen passende boekhouding zou hebben gevoerd.

Het onderzoek verleent geen zekerheid over het bestaan van een facturenboek zodat het ook niet bewezen is dat het door omissi zou zijn vervalst.

Deze twijfel moet beklaagde ten goede komen zodat hij hiervoor dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.

Tenlastelegging B (zoals verbeterd)

H. R. die verklaart zelfstandig dakwerker te zijn geeft toe geen factuur te hebben opgesteld zodat de tenlastelegging B naar voldoening van recht bewezen is.

Strafmaat

H. R. houdt er bedenkelijke handelspraktijken op na die de concurrentie vervalsen. Hij vindt het ook niet nodig om daar enige verantwoording over af te leggen wat blijkt uit het feit dat hij niet inging op het voorstel tot verval van strafvordering tegen betaling van een geldsom en tevens blijkt uit zijn afwezigheid ter terechtzitting. Een straf zoals hierna bepaald dringt zich op.


Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN, en gelet op de volgende artikelen:

art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935;

art. 162, 182, 184, 186, 189, 190, 194 Wetboek van Strafvordering;

art. 3, 38, 40, 41, 100 Strafwetboek;

art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952 - gew. art. 1, 2° Wet 24 december 1993;

art. 28, 29 van de wet van 1 augustus 1985 - gew. art. 3 Wet van 24 december 1993;

alsmede de wetsbepalingen aangehaald in de tenlastelegging, zoals hiervoor omschreven;

DE RECHTBANK, recht doende BIJ VERSTEK,

Ontslaat R. H. van rechtsvervolging voor de betichting A

Veroordeelt de beklaagde voor de hierboven omschreven, verbeterde en bewezen verklaarde betichting B, tot een GELDBOETE van VIJFENZEVENTIG frank.

Verhoogt de geldboete met duizend negenhonderd negentig decimes, aldus gebracht op VIJFTIENDUIZEND frank.

Beveelt dat bij gebreke van betaling binnen de termijn bepaald bij art. 40 van het Strafwetboek, de geldboete zal kunnen vervangen worden door een gevangenisstraf van ACHT dagen.

Zegt dat de beklaagde verplicht is een bedrag van TIEN frank, verhoogd met duizend negenhonderd negentig decimes, aldus gebracht op TWEEDUIZEND frank, te betalen bij wijze van bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.

Veroordeelt de beklaagde tot de kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten bate van de Staat tot heden begroot op 431,- frank, kosten ondeelbaar veroorzaakt zijnde door de weerhouden en bewezen verklaarde betichting B, meer de betekeningskosten van huidig vonnis.

Legt de veroordeelde eveneens een vergoeding op van DUIZEND frank in uitvoering van art. 71 van de Wet van 28 juli 1992 en het Koninklijk Besluit van 29 juli 1992 tot wijziging van art. 91 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950, houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, zoals gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 23 december 1993.

De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.