Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 21.12.2022
WF 710-15-21/071677
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Bijzondere rekening – Geldboete – Evenredigheidstoetsing – Coronasteunmaatregelen -Aanvraag en misbruik coronasteunmaatregelen
Wettelijke bepalingen
Samenvatting
1. Feiten en voorgaande procedure
De belastingplichtige is voor btw doeleinden geregistreerd voor haar economische activiteit van 'verkoop, verhuur en inrichting van onroerende goederen' en liet na het saldo van haar btw-aangiften tijdig te betalen zodat de rekening-courant op nul werd gezet. Er werd een bijzondere rekening geopend met verschuldigde btw, boetes en interesten. Bij administratieve beslissing werd na het verzoekschrift op basis van het Regentbesluit, beslist de geldboete niet te verminderen noch kwijt te schelden. Bij verzoekschrift maakte de belastingplichtige de zaak aanhangig bij de rechtbank te Gent.
2. Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie met een repressief karakter te toetsen, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.
Zo stelt de rechter vast dat de belastingplichtige reeds meermaals niet voldaan heeft aan haar btw- betalingsverplichtingen. Zo werd in de jaren voorafgaand aan de covid-19 pandemie reeds drie keer een bijzondere rekening geopend wegens laattijdige betaling van de btw. De coronasteunmaatregelen waarop de belastingplichtige verder alludeert (waaronder een kwijtschelding van de boete wegens niet-betaling van de belastingschuld) zijn bedoeld voor ondernemingen die daadwerkelijk hinder ondervinden ingevolge de verspreiding van het coronavirus en die dit ook kunnen aantonen. Deze maatregelen zijn niet meer in voege. Wie in aanmerking meende te komen voor de steunmaatregelen, diende daartoe een aanvraag in te dienen. Uit de voorgelegde stukken blijkt niet dat eiseres dergelijke steunmaatregel effectief heeft aangevraagd. Er liggen ook geen concrete bewijsstukken voor die wijzen op 'uitzonderlijke omstandigheden' of 'overmacht', verzachtende redenen van humanitaire en sociale aard, of grote financiële of economische, commerciële tegenslagen buiten haar wil om. De btw-schulden vloeien voort uit werkelijk gerealiseerde omzet.
Rekening houdend met de aard en de ernst van de overtreding oordeelt de rechtbank dat de opgelegde geldboete wettelijk, afdoende gemotiveerd en evenredig is met de aard en de ernst van de feiten en dat er geen redenen zijn om deze boete kwijt te schelden of te verminderen, noch om uitstel toe te staan indien de wet in die maatregel voorzien zou hebben.
De belastingplichtige berust in het vonnis.
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Vonnis van 21/12/2022
Rol: 21/2753/A
IN DE ZAAK VAN:
A. BV, met ondernemingsnummer 046...80 en maatschappelijke zetel te ...,
eisende partij, vertegenwoordigd door meester S. C. en loco meester G. J., advocaten met kantoor te ...;
TEGEN:
BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, met kantoren te 1030 Brussel, Koning Albert Il-laan 33/971, in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit:
KMO GENT TEAM 4; met kantoren te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6 bus 561,
Verwerende partij; voor wie verschijnt mevrouw X, adviseur bij een fiscaal bestuur;
BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:
1. RECHTSPLEGING
De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 23 november 2022 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.
De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. RELEVANTE FEITELIJKE GEGEVENS EN PROCEDURELE VOORGAANDEN
Eiseres is voor haar economische activiteit van 'verkoop, verhuur en inrichting van onroerende goederen' als btw-belastingplichtige geregistreerd onder het btw-nummer BE 046...80 en is als dusdanig onderworpen aan de wetgeving inzake de btw en aan de ter uitvoering van die wetgeving genomen uitvoeringsbesluiten.
Eiseres liet na haar btw-aangiften tijdig te betalen zodat de btw-administratie de rekening-courant van eiseres op 31 mei 2021 op nul zette overeenkomstig artikel 8 van het KB nr. 24 van 29 december 1992. Er werd een bijzondere rekening geopend voor het tijdvak van 31 december 2020 tot en met 31 mei 2021, waarvan eiseres in kennis werd gesteld per brief van 25 juni 2021. Overeenkomstig de bijzondere rekening was eiseres de volgende sommen verschuldigd:
btw: 100.006,16 EUR
geldboete: 10.000 EUR
intresten: 660 EUR te verhogen met een interest van 0,33% per maand vanaf 21 juni 2021, en 0,66% per maand indien de schuld is opgenomen in een innings-en invorderingsregister
Per e-mail van 1 juli 2021 diende eiseres via haar boekhouder een verzoekschrift in tot kwijtschelding van de opgelegde geldboete.
Bij administratieve beslissing van 5 augustus 2021 werd het verzoekschrift afgewezen. Er werd beslist de geldboete niet te verminderen noch kwijt te schelden.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 9 november 2021 maakte eiseres de zaak aanhangig bij deze rechtbank, waarmee zij huidige procedure opstartte.
3. VORDERINGEN VAN PARTIJEN
3.1.
Eiseres vordert in laatste conclusie:
"De vordering van Concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens de betwiste geldboete te vernietigen, minstens te ontheffen.
Dienvolgens de terugbetaling te bevelen van alle onterecht betaalde af geïnde sommen, te verhogen met de moratoriuminteresten,
De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de verschuldigde rechtsplegingsvergoeding begroot op 1.260 EUR."
3.2.
Verweerder vordert in laatste conclusie:
"Het fiscaal verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren; Verzoekster te veroordelen tot de kosten van het geding."
4. 8EOORDELING
4.1. Over de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres
Partijen voeren geen betwisting over de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres. Ambtshalve ziet de rechtbank geen redenen om de vordering onontvankelijk te verklaren. De vordering van eiseres is ontvankelijk.
4.2. Over de gevraagde kwijtschelding van de boete
4.2.1.
Eiseres meent dat de geldboete een disproportionele sanctie uitmaakt. Zij wijst in essentie op de betalingsmoeilijkheden die haar klanten ondervonden naar aanleiding van de covid-pandemie waardoor zij er zelf niet in slaagde om tijdig haar btw-schuld te voldoen met betrekking tot het vierde kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021. De btw-schuld van het vierde kwartaal van 2020 werd voldaan middels stortingen in de periode van 27 januari 2021 tot en met 21 februari 2021; de btw-schuld van het eerste kwartaal van 2021 werd voldaan middels stortingen in de periode van 21 april 2021 tot en met 1 juli 2021. Daarnaast wijst eiseres op de gevolgen die zij zelf ondervond ingevolge de covid-19 pandemie. Zo kon zij een bepaalde tijd geen plaatsbezoeken verrichten, en daarnaast zagen heel wat klanten af van de geplande projecten gelet op de onzekere tijd waarin iedereen zich bevond. Eiseres meent dat zij voldoet aan de voorwaarden om te genieten van de steunmaatregel van de overheid die voorziet in afbetalingsplannen, volledige vrijstelling van nalatigheidsinteresten en kwijtschelding van boeten wegens niet-betaling. Tenslotte wijst eiseres erop dat zij de btw met betrekking tot het tweede en derde kwartaal (van 2020?) tijdig betaald heeft zodat zij niet kampte met structurele betaalmoeilijkheden voorafgaandelijk aan de covid periode; dat zij steeds voldeed aan h aar verplichting om tijdig de btw-aangiften in te dienen; en dat de schulden niet voortvloeien uit enige vorm van fraude. Gelet op dit alles meent eiseres dat de opgelegde geldboete een disproportionele sanctie uitmaakt.
4.2.2.
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie met een repressief karakter te toetsen, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg mag de rechter onderzoeken of de administratie naar redelijkheid kon overgaan tot h et opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de ernst van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate de administratie zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vergelijk onder meer met Cass. 15 maart 2012, Pas. 2012, nr. 171 p. 597; Cass. 12 december 2014, Pas. 2014, nr. 786 p. 2897; Cass. 18 januari 2018, rolnr. F.16.0160. N).
4.2.3.
Rekening houdend met de aard en de ernst van de overtreding oordeelt de rechtbank dat de opgelegde geldboete wettelijk, afdoende gemotiveerd en evenredig is met de aard en de ernst van de feiten en dat er geen redenen zijn om deze boete kwijt te schelden of te verminderen, noch om uitstel toe te staan indien de wet in die maatregel voorzien zou hebben.
Op basis van de voorgelegde stukken stelt de rechtbank vast en oordeelt zij als volgt:
- Overeenkomstig artikel 53, §1, 3°· W BTW is eiseres verplicht om de door haar verschuldigde btw te voldoen binnen de termijn die bepaald is voor de indiening van de btw-aangifte. Als kwartaalaangever diende eiseres haar btw-aangiften in te dienen uiterlijk op 20 januari 2021 (vierde kwartaal 2020) en 20 april 2021 (eerste kwartaal 2021), waaraan zij voldeed;
- Eiseres betwist niet dat zij de verschuldigde btw voortspruitend uit haar btw aangiften (vierde kwartaal 2020 + eerste kwartaal 2021) laattijdig heeft betaald waardoor op haar naam een bijzondere rekening werd geopend overeenkomstig artikel 8 van het KB van 24 van 29 december 1992 voor de periode van 31 december 2020 tot en met 31 mei 2021. Zij betwist evenmin dat haar rekening courant op 31 mei 2021 een aan de Staat verschuldigd bedrag vertoonde van 110.666,16 EUR;
- Als tijdelijke maatregel ten gevolge van de Covid-19 pandemie genoot eiseres, zoals elke btw-belastingplichtige, reeds van de vrijstelling van de verplichting om in 2020 het ‘decembervoorschot’ te betalen (artikel 27 van de Wet van 15 juli 2020 "houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de Covid- 19 pandemie", BS 23 juli 2020};
- Ingevolge de opmaak van de bijzondere rekening wordt op grond van artikel 70,
§1 W BTW, voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet-betaalde belasting. In overeenstemming met artikel 1, 1° alinea, tabel G, eerste afdeling 1, 2, A van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 "tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde" en het KB van 29 maart 2021 (BS 31 maart 2021) ingevolge waarvan het boetetarief van 15% voor de periode van 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021 tijdelijk verminderd werd naar 10%, werd aan eiseres een proportionele geldboete opgelegd van 10.000 EUR ( 10% van de niet-betaalde btw);
- Eiseres heeft in het verleden reeds meermaals niet voldaan aan haar btw betalingsverplichtingen. Zo werd in de jaren voorafgaand aan de covid-19 pandemie reeds 3 x een bijzondere rekening geopend wegens laattijdige betaling van de btw (2012, 2013 en 2017). Eiseres betwist dit niet in haar conclusie;
- De corona-steunmaatregelen waarop eiseres verder alludeert (waaronder een kwijtschelding van de boete wegens niet-betaling van de belastingschuld) zijn bedoeld voor ondernemingen die daadwerkelijk hinder ondervinden ingevolge de verspreiding van het coronavirus en die dit ook kunnen aantonen. Deze maatregelen zijn niet meer in voege. Wie in aanmerking meende te komen voor de steunmaatregelen, diende daartoe een aanvraag in te dienen bij het Regionaal Invorderingscentrum (RICB) en kon daarbij gebruik maken van een modelformulier dat ter beschikking werd gesteld op de website van de FOD Financiën. Uit de voorgelegde stukken blijkt niet dat eiseres dergelijke steunmaatregel effectief heeft aangevraagd. Eiseres heeft trouwens, zoals iedere btw-belastingplichtige, wel degelijk genoten van de twee tijdelijke coronamaatregelen die hogerop zijn vermeld (zie derde en vierde streepje);
- Het verzoek tot kwijtschelding van de btw-boete zoals ingediend per e-mail van 1 juli 2021 was gericht aan de 'FOD Financiën, Fiscaliteit, Kleine en Middelgrote ondernemingen, KMO-centrum Gent, Team 4' (en dus niet aan het RICB). In dit verzoekschrift opperde eiseres nergens dat zij hinder ondervond ingevolge de verspreiding van het coronavirus, nog minder voegde zij bewijsstukken toe (zoals bv. een daling van het omzetcijfer, een aanzienlijke daling van de bestellingen, gevolgen van een kettingreactie met partnerondernemingen, ... ). In het verzoekschrift werd enkel gesteld dat de bijzondere rekening ten onrechte werd opgemaakt en dat de boete zonder meer disproportioneel was;
- Ook in huidige procedure legt eiseres geen bewijsstukken voor dat zij of haar klanten zich in financiële moeilijkheden bevonden of hinder ondervonden door de verspreiding van het coronavirus. De rappelmails die eiseres voorlegt als haar enig stuk gaan uit van (het e-mailadres van) S. B. en bevatten zijn 'handtekening' : "S. B. - architect - [adres, telefoonnummer, faxnummer en e-mail]". Architect S. B. is in eigen naam geregistreerd als btw-belastingplichtige (BE 054...22). Aldus blijkt niet dat het om rappels van eiseres gaat. Bovendien gaat het slechts over een drietal facturen, die eiseres niet voorlegt. Aldus kan niet worden nagegaan of de facturen zijn uitgereikt door eiseres, noch wat de omvang is van de betreffende btw. Uit het voorgelegde mailverkeer blijkt dat de klant in het ene geval (factuurnummer 082…20 van 26 mei 2020) het saldo van de factuur niet betaalde omdat hij eerst de plannen wou ontvangen. Wat betreft de andere twee facturen is het niet abnormaal dat sommige klanten eerst een rappel moeten krijgen vooraleer te betalen. Dit wijst niet noodzakelijk op financiële problemen bij de klant;
- Er liggen ook geen concrete bewijsstukken voor die wijzen op 'uitzonderlijke omstandigheden' of 'overmacht' ten aanzien van de financiële toestand van eiseres, de wijze waarop zij aan de fiscale verplichtingen voldoet, verzachtende omstandigheden en redenen van humanitaire en sociale aard, of grote financiële of economische, commerciële tegenslagen buiten haar wil om. De btw-schulden vloeien voort uit werkelijk gerealiseerde omzet met daarop van de klanten geïncasseerde btw, die, door dat loutere gegeven, aan de Staat verschuldigd is, bij wijze van doorstorting. De opgelegde boete staat in redelijke verhouding tot de aard van de overtreding en is gematigd. Derhalve kan de gevraagde gunstmaatregel niet worden toegestaan. De opgelegde boete blijft behouden.
4.2.4.
De vordering van eiseres is ongegrond.
5. DE GERECHTSKOSTEN
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het geschil in deze aanleg dragen.
Eiseres moet conform artikel 1017 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, naast haar eigen kosten, de gedingkosten van verweerder dragen. Vermits de Belgische Staat niet vertegenwoordigd wordt door een advocaat, heeft deze geen recht op een rechtsplegingsvergoeding. Aangezien ook geen andere gerechtskosten verschuldigd zijn, is het in dit geval overbodig om de gedingkosten vast te stellen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK, recht doende OP TEGENSPRAAK,
Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend. Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond;
Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op woensdag eenentwintig december tweeduizend tweeëntwintig, waar aanwezig waren:
...
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.