Bijzondere regeling, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 8 december 2004

Zoeken

Bijzondere regeling, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-regeling-strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-hasselt-2004-12-08-445b

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
8 december 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

96 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 08.12.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

Inzake AR nr. 01/1698/A

C. J., autohersteller, ingeschreven in het handelsregister te Tongeren nummer …, wonende te …, ….

eiser,

vertegenwoordigd door Mr. B. loco Mr. V., advocaat te …, ….

tegen :

FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, in de persoon van de Rekenplichtige van het 1ste BTW-Ontvangkantoor van Hasselt, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20.

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. B. loco Mr. P. S., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … van 20.08.2001 waarbij verzet werd aangetekend tegen het dwangbevel van 26.06.2001 lastens eiser uitgevaardigd door de heer F. H., eerstaanwezend inspecteur, rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Hasselt, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28.06.2001 door de heer R. C., gewestelijk directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, aangetekend betekend aan eiser op 18.07.2001;

- de conclusies, syntheseconclusies en stukken van eiser;

- de conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder.

Feiten en voorgaanden

Eiser is ingevolge de door hem uitgeoefende activiteit van handel in tweedehandse voertuigen en herstellingen van voertuigen sedert 28.02.1985 geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder BTW-nummer … en is derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

Op 20.05.1999 onderwierp eerstaanwezend inspecteur J. B. bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de AOIF, controlecentrum Tongeren-Genk, eiser aan een BTW-controle voor de periode 01.01.1996 tot en met 31.12.1997.

Bij nazicht van de voorgelegde stukken uit de boekhouding van eiser en van de stukken in het BTW-dossier en het dossier inzake directe belastingen, stelde de controleambtenaar vast dat er door eiser inbreuken zouden gepleegd zijn op art. 58, § 4 W.BTW en het KB BTW nr. 53 van 23.12.1994 met betrekking tot de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor tweedehandse goederen.

Voor een aantal leveringen van tweedehandse personenwagens die door eiser geleverd werden met toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, zouden niet alle voorwaarden tot toepassing van deze regeling nageleefd zijn en zou deze bijzondere regeling ten onrechte toegepast zijn.

Deze vaststellingen leidden tot een proces-verbaal van 03.05.2001 waarin gesteld werd dat eiser de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

- 3.165.750 BEF (€ 78.476,89) aan BTW;

- 316.000 BEF (€ 7.833,44) aan geldboete berekend aan 10 % in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW en art. 1 en art. 4, § 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de BTW;

- wettelijke intresten overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21.01.1998 over de som van 3.165.000 BEF (€ 78.458,30)

(zie stuk 1, bundel verweerder)

Bij gebrek aan betaling werd er op 26.06.2001 tegen eiser een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 03.05.2001. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28.06.2001 (zie stuk 2, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werden de voormelde bedragen gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW alsmede de vervolgingskosten.

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … van 20.08.2001 werd door eiser bij deze rechtbank verzet aangetekend tegen het dwangbevel van 26.06.2001.

In zijn akte van verzet zet eiser onder meer uiteen dat :

- de BTW-administratie ten onrechte de desbetreffende leveringen heeft onderworpen aan de normale regeling van BTW en ten onrechte de toepassing van de bijzondere margeregeling heeft verworpen;

- kwijtschelding of minstens vermindering van de administratieve geldboete dient te worden toegekend.

Beoordeling

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

2.1. Met betrekking tot de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge :

De betwisting tussen partijen betreft de vraag of eiser terecht krachtens art. 58, § 4 W.BTW toepassing heeft gemaakt bij de verkoop van een 26-tal wagens in de boekjaren 1996 en 1997 van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge gerealiseerd door hem als belastingplichtige wederverkoper op de door hem verrichte leveringen van tweedehandse voertuigen.

Krachtens deze bepaling is een bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge gerealiseerd door de belastingplichtige wederverkopers van toepassing op de door hen verrichte leveringen van tweedehandse voertuigen.

Tussen partijen bestaat er geen betwisting over de hoedanigheid van eiser ten aanzien van deze regeling, dit wil zeggen, over het feit dat eiser een belastingplichtige wederverkoper is die in beginsel op deze regeling een beroep kan doen (zie art. 58, § 4, 1° W.BTW).

De bijzondere regeling kan enkel worden toegepast indien de door de belastingplichtige geleverde goederen, noodzakelijkerwijze zijnde gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten hem binnen de Europese Gemeenschap zijn geleverd :

- door een niet-belastingplichtige, of;

- door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige krachtens art. 44, § 2, 13° W.BTW is vrijgesteld, of;

- door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige is vrijgesteld krachtens art. 56, § 2 W.BTW en het een bedrijfsmiddel betreft, of;

- door een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge onderworpen is geweest aan de belasting.

De bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge is niet van toepassing op de door een belastingplichtige wederverkoper verrichte leveringen van goederen die hem binnen de Gemeenschap zijn geleverd door personen die bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van goederen, de vrijstelling van belasting hebben genoten krachtens art. 42 W.BTW of die hebben genoten van de teruggaaf van de belasting krachtens art. 77, § 2 W.BTW.

Krachtens art. 54, § 4, 12° W.BTW worden de leveringen van de goederen waarop de belastingheffing krachtens de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge in beginsel van toepassing is, voor dewelke de voorwaarden en de modaliteiten die voor de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge zijn, niet nageleefd worden, geacht te zijn verricht onder de normale regeling van de belasting. Wanneer de voorwaarden derhalve niet nageleefd zijn, geldt een weerlegbaar wettelijk vermoeden van belastingheffing over die leveringen onder de gewone, normale regeling der BTW.

Derhalve moet de belastingplichtige wederverkoper kunnen aantonen dat op het goed dat hij aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de marge wil onderwerpen, een restbelasting drukt of m.a.w. dat het betrokken goed hem wel degelijk werd geleverd door een persoon die geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting op het goed heeft kunnen uitoefenen.

De bewijslast van het vervuld zijn van de voorwaarden waaronder de margeregeling kan worden toegepast rust op de belastingplichtige, hetgeen wordt bevestigd door het bestaan van het weerlegbaar wettelijk vermoeden zoals voorzien in art. 58, § 4, 12° W.BTW.

De bijzondere voorwaarden waaronder de bijzondere regeling van BTW­heffing op de winstmarge van toepassing kan zijn, zijn opgenomen in het KB BTW nr. 53 van 25 december 1992 met betrekking tot de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (BS 30 december 1994).

Zo moet de belastingplichtige die tegelijk goederen levert onder de normale regeling van belastingheffing en onder de margeregeling, de boekingen betreffende de margeregeling afzonderlijk in zijn boekhouding bijhouden.

In de BTW-Aanschrijving nr. 2 van 2 januari 1995 heeft de BTW­administratie een aantal voorwaarden opgenomen die de belastingplichtige toelaat het bewijs te leveren dat hij rechtsgeldig toepassing heeft gemaakt van de belastingheffing op de winstmarge op zijn levering van gebruikte goederen, in het bijzonder tweedehandse vervoersmiddelen, zoals eiser verhandelt.

Zo moet de belastingplichtige wederverkoper onder meer een aankoopborderel uitreiken aan zijn leverancier, behoudens indien deze er zelf toe gehouden is hem een factuur of een als zodanig geldend stuk uit te reiken.

Verder moet hij een kopie van het inschrijvingsbewijs van het vervoermiddel bewaren in de gevallen waar overeenkomstig de reglementering betreffende de inschrijving van de motorvoertuigen een inschrijvingsbewijs vereist is.

Hij moet tevens een aankoopregister bijhouden met de aankopen van de tweedehandse vervoermiddelen, evenals een vergelijkingsregister. Hij moet de tweedehandse vervoermiddelen die hij verkoopt, individualiseren.

Verder schrijft deze aanschrijving voor dat de belastingplichtige wederverkoper van zijn leverancier een attest moet krijgen op het ogenblik van de levering waarvan het model door de BTW-administratie is vastgelegd. In dit attest moet de leverancier van de belastingplichtige wederverkoper bevestigen dat hij geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft kunnen uitoefenen bij de aankoop, intracommunautaire verwerving of invoer van het vervoermiddel dat hij aan de belastingplichtige wederverkoper levert.

De belastingplichtige wederverkoper moet zowel het attest als het inschrijvingsbewijs van het voertuig bewaren.

Indien de belastingplichtige deze stukken niet kan voorleggen, kan hij door alle middelen van recht aantonen dat hij ertoe gerechtigd was de levering te verrichten met toepassing van de belastingheffing over de winstmarge. In ieder geval rust dan op hem de bewijslast dat de wettelijke voorwaarden tot toepassing voldaan zijn (zie art. 58, § 4, 12° W.BTW). Slaagt hij daar niet in, dan wordt de levering geacht plaats te vinden onder de normale regeling van heffing van de BTW.

In deze zaak houdt verweerder voor dat eiser niet op afdoende wijze bewijst dat hij voor 26 verkopen van tweedehandse vervoermiddelen in 1996 en 1997 terecht een toepassing heeft gemaakt van de BTW-belastingheffing over de winstmarge voor die leveringen. Het gaat om de verkopen opgenomen in het proces-verbaal van 03.05.2001 lastens eiser opgesteld (zie stuk 1, bundel verweerder).

Meer bepaald zou eiser niet op deugdelijke wijze aantonen dat de leveringen van tweedehandse vervoermiddelen, auto's zijn die aan hem werden geleverd door een leverancier als bedoeld in art. 58, § 4, 2° W.BTW. M.a.w. hij zou niet aantonen dat zijn respectievelijke leveranciers van die auto's voor die auto's zelf bij de aankoop, intracommunautaire verwerving of de invoer ervan, geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van aan hen aangerekende BTW hebben kunnen uitoefenen.

Voor al de verkopen opgenomen in het proces-verbaal van 03.05.2001 gaat het om tweedehandse auto's die aan eiser zijn geleverd door een Belgische BTW-plichtige, zijnde mevr. G. A., handel drijvend onder de commerciële naam "A. S. C.'' en "A. S. C. B.''.

Voor al deze aankopen van tweedehandse auto's bij A. S. C. brengt eiser de volgende stukken bij :

- de aankoopfactuur van A. S. C. waarop met een stempel de vermelding "levering onderworpen aan bijzondere regeling BTW over de marge, BTW niet aftrekbaar" is aangebracht;

- een kopie van Duitse inschrijvingsbewijzen en "fahrzeugbrief';

- een attest opgesteld door A. S. C. B. naar het model van de hoger vermelde BTW-aanschrijving nr. 2 waarop de vermelding voorkomt dat de leverancier van het voertuig A. S. C. B. ten aanzien van de verkoop van het voertuig aan eiser handelt als "particulier"

(zie stukken 5 t.e.m. 52, bundel eiser).

Aangezien A. S. C. op het ogenblik van de levering van de tweedehandse voertuigen aan eiser voor BTW-doeleinden geïdentificeerd was als een BTW-belastingplichtige, hetgeen ook door eiser vastgesteld kon worden daar deze leverancier op zijn facturen melding maakt van zijn BTW-nummer, is deze vermelding op de attesten manifest in strijd met de waarheid. Deze BTW-plichtige handelt niet als particulier en er ligt ook geen bewijs voor dat de respectievelijke rechtsvoorgangers van de BTW-plichtige particulieren waren.

Ook de standaardattesten "MwSt. - Bescheinigung" die bij vier van de leveringen werden bijgebracht leveren dit bewijs niet (zie stukken 6, 22, 27 en 30, bundel eiser).

In tegenstelling tot hetgeen eiser voorhoudt kan hij thans dan ook niet volhouden dat hij het bewijs van aankoop van de door hem geleverde tweedehandse voertuigen overeenkomstig art. 58, § 4, 2° W.BTW levert onder de voorwaarden gesteld in de Aanschrijving nr. 2.

Derhalve treedt voor deze verkopen het weerlegbaar vermoeden van art. 54, § 4, 12° W.BTW in werking dat stelt dat in principe de wederverkoop had dienen te geschieden onder toepassing van de normale BTW-regeling, tenzij eiser alsnog aantoont dat de tweedehandse voertuigen hem geleverd waren door een wederverkoper die zelf voor de aankoop van de auto's, hetzij de intracommunautaire verwerving of de invoer, geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft kunnen uitoefenen.

Met verweerder moet worden vastgesteld dat eiser dit bewijs niet levert door het voorleggen van een factuur voor ieder van de door hem verrichte aankoop van een tweedehandse auto bij A. S. C., noch door het voorleggen van een Duits inschrijvingsbewijs. Op deze wijze wordt immers geen bewijs bijgebracht van het BTW-regime waaronder de leverancier van eiser het aan eiser verkochte voertuig in zijn voorraad heeft opgenomen, noch wat het BTW-regime van de rechtsvoorgangers van deze leverancier ten aanzien van het voertuig was.

De vier bijgebrachte standaardattesten die door een Duitse particulier zouden zijn ondertekend kunnen te dien einde ook niet in aanmerking worden genomen nu deze gestandaardiseerde attesten jaren na de levering werden opgesteld nl. op respectievelijk 20.09.2001 (H. K.), 15.08.2001 (E. V.), 15.08.2001 (H. H.) en 14.08.2001 (J. M.) en niet op het ogenblik van de transacties (zie stukken 6, 22, 27 en 30, bundel verweerder).

Terecht merkt verweerder op dat het attest voorgelegd door eiser per aangekocht voertuig bij A. S. C. B. waarop de vermelding "particulier" is aangeduid, gezien moet worden in samenhang met de overlegde factuur, het inschrijvingsbewijs en in vier gevallen met de attesten die zouden ondertekend zijn door een Duitse particulier. Het geheel van deze documenten verschaft geen zekerheid over het BTW-regime waaronder A. S. C. B. het voertuig aanschafte omdat de samenlezing van de factuur en het attest duidelijk aantonen dat A. S. C. B. geen particulier is.

Een dergelijk attest geeft geen uitsluitsel over de vraag of het verkochte tweedehandse voertuig in hoofde van de leverancier van eiser of in hoofde van diens leverancier het finale verbuiksstadium had bereikt zoals omschreven in art. 54, § 4 W.BTW.

Zodoende had hij de tweedehandse vervoermiddelen dienen te leveren onder het normaal regime van de BTW, met belastingheffing over de prijs van het vervoermiddel.

De naar Belgische wetgeving verlangde bewijsinvulling is, in tegenstelling tot hetgeen voorgehouden door eiser, niet onmogelijk.

Eiser voert verder nog aan dat het vertrouwensbeginsel zou zijn geschonden in zijnen hoofde door de verwerping van de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge en door het niet juist toepassen van de Aanschrijving nr. 2 waarin volgens eiser een vaste gedragslijn van de fiscus in terug te vinden is.

De rechtbank is evenwel op grond van het bovenstaande tot het oordeel gekomen dat eiser voor alle in het proces-verbaal van 03.05.2001 opgesomde leveringen niet voldoet aan de voorwaarden van deze Aanschrijving nr. 2 zodat zijn vertrouwen in dat opzicht niet kan geschonden zijn.

Daarenboven verleent deze Aanschrijving nr. 2 op zichzelf geen absoluut recht op toepassing van de margeregeling vermits de wijze van bewijsvoering ook anders dan zoals omschreven in deze Aanschrijving nr. 2 kan geleverd worden.

2.2. Met betrekking tot de opgelegde geldboete :

Aan eiser werd een administratieve geldboete ten bedrage van 316.000 BEF (€ 7.833,44) opgelegd. Deze boete werd berekend aan 10 % in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW en art. 1 en art. 4, § 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de BTW.

De rechter kan met volle rechtsmacht oordelen over de door de administratie opgelegde geldboete (zie E.H.R.M., 4 maart 2004, T.F.R., 2004, nr. 264, 636).

Volle rechtsmacht houdt in dat de rechter de rechtsmacht heeft om in het licht van de concrete omstandigheden over te gaan tot behoud, vermindering of kwijtschelding van de geldboete.

Eiser moet tot het bewijs van het tegendeel worden geacht te goeder trouw te hebben gehandeld. Het is echter op grond van de hoger geciteerde vaststellingen ook duidelijk dat eiser als beroepshandelaar in tweedehandse voertuigen met betrekking tot de aan hem gedane leveringen door A. S. C. bijzonder onnauwkeurig heeft gehandeld. Hij dient derhalve als beroepshandelaar de gevolgen te dragen van zijn gebrek aan zorgvuldigheid bij het naleven van de door de wet opgelegde verplichtingen.

In de gegeven omstandigheden sluit een geldboete van 10 % aan bij de feiten.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 26.06.2001 ontvankelijk, doch ongegrond.

Wijst eiser af en veroordeelt hem tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van verweerder op de som van € 174,76 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 08.12. 2004 alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., rechter en,

De Heer Ph. N., griffier.

Ph. N. M. C.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 41 art. 42 voorkomens